Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 28 Tisjri 5767

Traktaat Soekka 28-42 Nr. 120

Daf 28

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Deed hij de mitswa?

De Geleerden van de Tora-academie’s Beit Hillel en Beit Sjammai bezochten eens Rabbi Jochanan ben Hacharanit op Soekot en troffen hem aan, zittend in zijn soeka, maar met zijn tafel in huis. Volgens Geleerden van een latere generatie van Beit Sjammai werd hem door zijn bezoekers gezegd, dat wanneer dit de manier was waarop hij altijd in zijn soeka gewoond had, hij in zijn hele leven de mitswa van soeka niet gedaan had!

Dit incident wordt door Beit Sjammai geciteerd als steun voor hun standpunt, dat ondanks dat Tora niet vereist dat de tafel in de soeka staat, de Rabbijnen verordend hebben dat de tafel in de soeka moet staan en niet in het huis, om te voorkomen dat men achter zijn eten aangaat en in huis aan tafel gaat zitten eten.

Hoe letterlijk moeten wij deze verklaring opvatten, welke schijnt erop te wijzen, dat wanneer men een Rabbijns decreet niet vervult, met ook de Tora-wet niet nakomt?

Rabbeinoe Nissim meent dat Rabbi Jochanan wel degelijk de Tora-wet uitvoerde en dat zijn critici alleen bedoelden dat hij het Rabbijnse voorschrift niet in acht genomen had. Hij citeert hiertoe een parallele situatie in traktaat Pesachiem (116b), waar staat dat als iemand op de avond van Pesach niet vertelt over Pesach, matsa en maror, hij niet de mitswa van de haggada voldaan heeft. Ook daar, zegt hij, is de betekenis van die uitsprak dat men weliswaar het Tora-gebod vervuld heeft, maar dat men zijn werk niet volledig heeft afgemaakt, door zich niet te houden aan de voorschriften van de Rabbijnen.

Er kan echter nog van een andere benadering sprake zijn. Rabbeinoe Jona (Berachot 2a) stelt dat als men het avond-Sjema uitstelt tot na middernacht, het uiterste tijdstip waarvóór men het volgens de Rabbijnen moet gezegd hebben, om te voorkomen dat men anders in slaap valt en de hele nacht doorslaapt, zonder Sjema te hebben gezegd [waarmee men het gebod van Tora zou overtreden], die heeft de mitswa niet uitgevoerd, ondanks het feit dat men volgens Tora daarvoor de hele nacht de tijd heeft. Gesuggereerd wordt dat ditzelfde idee geldt voor de soeka.

Daf 29b-30a

Een rechtvaardige koning en ongerechtvaardige middelen

Een gestolen loelav, zegt de Misjna, is ongeldig. Daar geen verschil wordt gemaakt tussen de eerste dag van Soekot en de andere dagen, wanneer de mitswa buiten het Beit HaMikdasj alleen maar mid’Rabbanan is, wordt verondersteld dat een gestolen loelav ook op de andere dagen ongeldig is.

De diskwalificatie op de eerste dag is gebaseerd op de woorden: „Voor jezelf” (Wajjikra 23:40), hetgeen geïnterpreteerd wordt als een vereiste dat op de eerste de loelav het eigendom moet zijn van degene die hem gebruikt, en hij mag noch geleend, noch gestolen zijn. Dit werpt de vraag op, waarom een gestolen loelav op de overige dagen ongeldig is, hoewel een geleende loelav dan wel geldig is.

De verklaring die Rabbi Jochanan geeft, in naam van Rabbi Sjim’on bar Jochai, is dat een gestolen loelav een mitswa-voorwerp is, dat in iemands bezit is gekomen op een onwettige, dus zondige manier. Daarom kan men er geen mitswa mee doen: „Want Ik, Hasjem, houd van gerechtigheid en haat diefstal met een offer als doel” (Jesjajahoe 61:8). Dit profetisch vers wordt aangehaald als de bron voor het verbod om een mitswa te doen, die uit zonde geboren is.

Er wordt een parabel genoemd, om het punt te illustreren:

Een koning en zijn gevolg kwam langs een tolstation, waar belasting werd geheven voor de konink-lijke schatkist. Toen hij zijn dienaren beval de belasting te betalen, vroegen zij verbaasd waarom de koning belasting zou betalen die in zijn eigen schatkist zou terecht komen. „Al mijn reizende onder-danen zullen hier een voorbeeld aan nemen,” verklaarde hij, „dat zij niet moet vermijden de tol te betalen.”

Op soortgelijke wijze zegt Hasjem dat hij offers van gestolen dieren haat, en dat al Zijn kinderen van Zijn voorbeeld zullen leren dat zij diefstal moeten mijden.

De overeenkomst tussen de G-ddelijke Koning en de sterfelijke is, dat beiden de uiteindelijke eigenaars van de middelen zijn. Maar hoe zullen de onderdanen van de sterfelijke koning, die geld uit zijn ene zak haalt, omdat in zijn andere zak te stoppen, de morele les leren, dat zij de tol moetten betalen, die niet in hun eigen zak terugkeert?

Misschien is de boodschap van de parabel om de rationalisatie die de mensen gebruiken, te ver-drijven, om geen belasting te hoeven te betalen, of als ze op een andere manier oneerlijk zijn. Men vindt altijd wel een of ander slap excuus, waarom men geen belasting hoeft te betalen, of waarom men het recht heeft om iemand anders zijn eigendommen te gebruiken. De koning trachtte deze doorzichtige „excuses” op te blazen, door zijn dienaren opdracht te geven de tol van zijn eigen geld te betalen, hoewel niemand een betere reden dan hij had om het niet te hoeven betalen. „Oneerlijk-heid is oneerlijk,” is de boodschap die hij wilde overbrengen aan zijn onderdanen en geen enkele rationalisatie kan dat rechtvaardigen.

Daf 31a-b

Vervangende soorten

Op de eerste dag van Soekot gebiedt Tora ons om de vier plantensoorten, die in parasjat Emor (Wajjikra 23:40) genoemd worden, op te nemen. Na de verwoesting van het Beit HaMikdasj hebben de Geleerden verordend, dat we alle zeven dagen van Soekot de vier soorten moeten nemen, als een aandenken aan het Beit HaMikdasj, waar de vier soorten ook alle zeven dagen werden opgenomen, zoals Tora dat gebiedt. Zij stelden ook een beracha in die men moet zeggen voordat men de mitswa uitvoert, zoals zij dat deden voor bijna alle mitswot.

Wat gebeurt er als een Jood niet alle vier de soorten kan krijgen? Twee bronnen in de Gemara dienen als achtergrond voor de discussie van de commentatoren over dit onderwerp.

De vier plantensoorten zijn onderling van elkaar afhankelijk, zegt de Misjna (in traktaat Menachot 27), hetgeen betekent dat men de mitswa niet kan doen, wanneer één van de vier soorten ontbreekt. Voor wat betreft het gebruik van een andere soort ter vervanging, zegt onze Gemara, dat als men geen etrog kan vinden, men hem niet moet vervangen door een granaatappel of een andere vrucht met de bedoeling dat men de mitswa niet zal vergeten, want het gevaar bestaat dat de mensen gewend raken aan het gebruik van de ongeldige soort, zelfs wanneer de geldige soort beschikbaar is.

Hoe zit dat met een gedroogde soort, als iets anders niet beschikbaar is? De misjnajot door heel dit hoofdstuk zeggen duidelijk dat als een van de vier soorten uitgedroogd is, hij onbruikbaar is. Rabbi Jehoeda is echter van mening dat dit alleen geldt als een versere beschikbaar is en hij citeert als bewijs voor zijn stelling, dat er een tijd was dat stadsbewoners, die niet in de buurt van palmbomen woonden, hun loelaviem aan hun kleinzonen nalieten, ondanks het feit dat ze tegen de tijd dat die kleinzonen ze erfden, ongetwijfeld al lang waren uitgedroogd. Maar de andere Geleerden verwerpen het bewijs, omdat men geen bewijs kan brengen van een buitengewone omstandigheid.

Er zijn verschillende benaderingen om deze Gemara te begrijpen, maar wij zullen ons beperken tot die van de Ra’avad, wiens mening de basis is voor de Sjoelchan Aroech (Orach Chaïm 651:12-13).

Toen de geleerden Rabbi Jehoeda vertelden dat hij geen bewijs kon brengen van een buitengewone situatie, bedoelden zij niet te zeggen dat in een dergelijke situatie men de mitswa kan doen met een uitgedroogde loelav, maar dat men in een dergelijke situatie de uitgedroogde loelav moet opnemen, om te voorkomen dat men de mitswa zou vergeten. Zo ook, als men wel een loelav heeft, maar geen etrog, dan moet men de soorten die men wel heeft, opnemen, om de mitswa te gedenken. Maar in beide gevallen kan men geen beracha zeggen, want in werkelijkheid heeft men dan de mitswa niet gedaan.

Maar waarom moedigen wij het opnemen van de drie soorten aan, als de vierde niet beschikbaar of uitgedroogd is? Waarom zijn wij niet bang dat de mensen hetzelfde zullen doen in andere jaren als wel alle soorten beschikbaar zijn, zoals wij bang zijn voor het gebruik van een substituut voor een etrog? Het antwoord is, dat aangezien de Tora specifiek vier soorten noemt, is het onwaarschijnlijk dat iemand met minder dan vier soorten genoegen zal nemen als er vier beschikbaar zijn; noch is het waarschijnlijk dat iemand een uitgedroogde loelav zal gebruiken, als een verse beschikbaar is. Maar wat betreft de etrog, die de Tora alleen maar beschrijft als een „schitterende vrucht,” daar bestaat het gevaar, dat als wij zouden toestaan dat iemand een granaatappel gebruikt in plaats van een etrog, iemand inderdaad zou denken dat de granaat­appel die „schitterende vrucht” is, waar de Tora over spreekt en dan zullen zij die ook in de toekomst gebruiken, wanneer er wel een etrog beschikbaar is.

Daf 34b

Apart maar Gelijk

De verhouding van elk van de soorten tot elkaar is fascinerend. Het is onmogelijk om de mitswa van de vier soorten te doen op Soekot, tenzij ze alle vier aanwezig zijn. Dit wijst op eenheid. En toch heeft elk van de soorten zijn eigen individuele karakter.

De Gemara (Menachot 27a) verdeelt ze in categorieën – de loelav en de etrog zijn afkomstig van bomen die vruchten voortbrengen, en de hadas en de arava komen van bomen zonder vruchten. De Midrasj maakt een nog fijner onderscheid door aan de etrog de kwaliteit van smaak en geur toe te schrijven, terwijl de loelav alleen smaak (van de dadels) heeft, maar geen geur.  De hadas heeft geur maar geen smaak en de arava heeft geen van beide.

Smaak en geur symboliseren Tora-kennis en goede daden, resp. Er zijn vier soorten Joden, die met deze vier plantensoorten overeenkomen: degenen die zowel Tora-kennis als goede daden hebben; zij die Tora-kennis hebben maar goede daden missen; zij die goede daden doen maar geen kennis van Tora hebben en Joden die allebei missen.

De boodschap van zowel de Gemara als de Midrasj is dat Hasjem ons gebiedt alle vier de soorten op te nemen, om aan te geven dat alle componenten van het Jodendom zich moeten verenigen wanneer zij het uitschreeuwen tot Hasjem in een tijd van nood of wanneer zij feest vieren in een tijd van vreugde.

Zulk een noodzaak voor eenheid zou ons ertoe kunnen brengen om te denken dat alle vier de soorten samengebonden moeten worden tot een eenheid. Rabbi Eliëzer wijst erop dat een analyse van het vers (Wajjikra 22:4) erop wijst dat de etrog apart gehouden moet worden  van de andere drie. De Tora verbindt de loelav, de hadas en de arava met het verbindende voorvoegsel „We”, hetgeen wij vertalen met het woord „en”, maar de etrog wordt daar niet mee verbonden. Dat is de reden waarom wij die drie soorten samengebonden in de rechter hand vasthouden, terwijl we de etrog apart in de linkerhand houden.

Wanneer eenheid zo belangrijk is, kan de vraag gesteld worden waarom Tora de etrog, die de rechtvaardige Tora-geleerde met zowel smaak als geur symbolissert, apart scheidt van de andere drie soorten, welke zo afhankelijk zijn van zijn invloed?

Er is gesuggereerd dat in deze balans tussen eenheid en apartheid de formule ligt voor een succesvolle interactie tussen de leider en diegenen die hij wil onderwijzen en inspireren. De etrog moet zorgvuldig op zijn hoge kwaliteit gehouden worden en mag niet omlaag gehaald worden uit wens om een grotere sociale acceptatie te verkrijgen. Maar het handhaven van deze afstand mag er echter niet toe leiden dat hij zijn verantwoordelijkheid verwaarloost om de andere soorten te verrijken met zijn eigen smaak en geur. Daarom moeten alle vier soorten bij elkaar genomen worden, drie in de ene hand en de etrog in de andere hand tegen die drie andere aan, om deze perfecte eenheid te verkrijgen.

Daf 36b

Het missende stuk

Rabbi Chanina beet een stukje van zijn etrog af, dipte dat in een sausje en at het op. Hij bleef de etrog gebruiken om de mitswa van de vier soorten op Soekot te vervullen.

Drie vragen worden in dit verband gesteld:

·      De Gemara vraagt: hoe kon hij een etrog gebruiken waar een stukje aan mankeerde, als de Misjna (op daf 34b) expliciet zegt dat zulk een etrog ongeldig is?

·      Tosafot vraagt: hoe kon hij van een etrog eten, die speciaal bestemd is voor de vervulling van een mitswa, als de Gemara  (op daf 46b) expliciet zegt dat dit verboden is?

·      Tosafot vraagt verder: hoe kon hij ervan eten voordat hij de mitswa gedaan had, wanneer de Gemara (38a) eist dat men zelfs zijn maaltijd moet onderbreken, wanneer hij begon te eten voordat hij de vier soorten heeft opge­nomen?

Voor wat betreft de eerste vraag, antwoordt de Gemara dat de diskwalificatie van een incomplete etrog beperkt is tot de eerste dag, waarop het een verplichting van Tora is om de vier soorten op te nemen. Rabbi Chanina gebruikte zijn afgebeten etrog op een van de andere dagen, waarop het opnemen van de vier soorten alleen mideRabbanan is. De Geleerden die de mitswa verplicht stelden voor de andere dagen eisten niet dat aan alle Tora-verplichtingen van de eerste dag voldaan moest worden. Zoals zij een geleende etrog op de deze dagen niet diskwalificeerden, zo verklaarden zij ook een incomplete etrog op die dagen niet ongeldig.

Twee oplossingen worden geboden voor het tweede probleem. Tosafot antwoordt dat Rabbi Chanina alleen maar zoveel van de etrog voor de mitswa bestemde, als nodig was en het deel dat hij opat, was daar niet bij inbegrepen. Deze benadering is problematisch, omdat hij op de eerste dag de hele etrog nodig had. Tosafot lost dit probleem op door te veronderstellen dat Rabbi Chanina op de eerste de hele etrog bestemde voor de mitswa, maar voor de volgende dagen slechts zoveel van de etrog dat nodig was voor de mitswa.

De Ritwa heeft een eenvoudigere benadering, namelijk dat Rabbi Chanina van een etrog at, die bestemd was om te eten en dat hij pas later besloot hem te gebruiken voor de mitswa.

De derde vraag en het antwoord daarop door Tosafot vormen de basis voor een interessante discussie over het probleem van het eten voordat men de vier soorten opneemt. Tosafot schrijft dat Rabbi Chanina niet op dezelfde dag van de etrog at en daarna de mitswa deed: hij at op de ene dag van de etrog, nadat hij de mitswa daarmee gedaan had en deze incomplete etrog gebruikte hij de volgende dag voor de mitswa van die dag.

De Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 652:2) beslist dat het verboden is om te eten, voordat men de vier soorten heeft opgenomen. De Mageen Awraham (noot 4) legt daar uit dat dit op het eten van een maaltijd betrekking heeft, maar dat het niet verboden is om een vrucht te eten of een lichte verfrissing te drinken. Dat zou zijn toegestaan, zoals dat ook is toegestaan voordat met ’s avonds ma’ariv  zegt (Orach Chaim 235:2) of voordat men op Erev Pesach naar chameets zoekt (ib. 421:2), hoewel in deze gevallen een complete maaltijd verboden is. Het hiervoor genoemde antwoord van Tosafot lijkt dit te bestrijden, want hij had eenvoudig kunnen antwoorden dat Rabbi Chanina niet een complete maaltijd at, maar alleen maar een stukje van de etrog.

De Mageen Awraham antwoordt hierop door de Gemara te citeren die dit incident verhaalt: Tosafot begreep daaruit dat het verslag van het „dippen” van Rabbi Chanina’s etrog suggereert dat hij een geregelde maaltijd at, waar het de gewoonte was om de diverse componenten van de maaltijd ergens in te dompelen, voordat men ze at.

Daf 41b

De kostbare Loelav

Op de eerste dag Soekot voeren de vier grote Geleerden, Rabban Gamliël, Rabbi Akiwa, Rabbi Elazar ben Azarja en Rabbi Jehoeda op een boot op zee. Alleen Rabban Gamliël beschikte over een loelav, die hij gekocht had voor het gigantische bedrag van duizend zoez [het dagloon van een arbeider was in die tijd ongeveer 4 zoez, ± € 8, of € 200 per maand, zodat 1000 zoez bijna een jaarloon was]. Nadat Rabban Gamliël zijn mitswa gedaan had, gaf hij zijn loelav cadeau aan Rabbi Jehosjoea, die de mitswa ermee deed en hem vervolgens aan Rabbi Elazar ben Azarja gaf. Die deed hetzelfde en gaf daarop de loelav aan Rabbi Akiwa.

Het voornaamste punt van dit verhaal is, dat zelfs op de eerste dag van Soekot, wanneer de vier soorten iemands eigendom moeten zijn, het beschouwd wordt als iemands eigendom als men de vier soorten aan iemand geeft, onder voorwaarde dat de ander het weer terug geeft en die ander voldoet aan die voorwaarde. Dit was de manier waarop alle vier de Geleerden de mitswa volvoerden: ieder was op een zeker moment eigenaar van de loelav, hoewel aan het begin en het einde er maar één enkele eigenaar was: Rabban Gamliël.

Maar waarom moest de Gemara ons vertellen hoeveel de loelav gekost had? Het antwoord, dat ons verteld wordt, zegt dat dit is om ons te laten weten hoe zeer Joden mitswot waarderen.

Deze Gemara wordt door Tosafot op Bawa Kamma 9b aangehaald, waar zij  bediscussiëren hoeveel een Jood moet uitgeven om de middelen te verkrijgen die nodig zijn om een mitswa te kunnen doen. (Voor wat betreft het vermijden van een overtreding van een verbod hebben we al in Joma 92b geleerd dat het gebod om Hasjem lief te hebben „met heel je vermogen” betekent dat je bereid moet zijn om al je bezittingen op te offeren, om geen zonde te hoeven doen.) De Gemara zegt daar dat een Jood niet verondersteld wordt om een derde van zijn bezittingen uit te geven om een loelav te kopen, en Tosafot merkt op dat een andere Gemara (Ketoebot 50a) waarschuwt tegen het weggeven van meer dan een vijfde van iemands bezittingen aan liefdadigheid. Als extra bewijs dat iemand niet alles of zelfs niet het grootste deel van zijn bezittingen hoeft weg te geven, merkt Tosafot op dat Rabban Gamliëls uitgave van zoveel geld voor een loelav genoemd wordt als een uitdrukking van exeptionele liefde voor de mitswot en niet als de te verwachten norm.

Hoeveel moet men uitgeven om een mitswa te kunen doen? In de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 656:1) schrijft de Rama: „Wie geen etrog heeft of een ander voorwerp  mist dat nodig is voor een mitswa, die onmiddellijk gedaan moet worden, die hoeft daar geen groot fortuin aan te besteden.” Ook hij stelt de grens op een vijfde, zoals de hierboven vermelde Tosafot, want onze Geleerden waren bang dat als iemand te veel weggeeft, hij zou kunnen verarmen en afhankelijk gaat worden van anderen. De Misjna Beroera noemt de halachische mening dat hoewel een vijfde het maximum is, dat men voor een mitswa moet uitgeven, het minimum een tiende is. Hij noemt echter de mogelijkheid dat in het geval van een mitswa zoals de etrog, die niet kan wachten tot men de volgende dag een goedkopere heeft gevonden, er mogelijk een verplichting bestaat dat men tot een vijfde gaat.

[Men zou kunenn vragen: waarom hadden de andere Geleerden dan geen loelav? Hadden die dan geen grote liefde voor de mitswa? Maar het antwoord zou kunnen zijn: Uit de hoge prijs valt op te maken dat de loelaviem dat jaar erg zeldzaam waren en misschien waren zij in hun plaats helemaal niet te verkrijgen].

[De Chochmat Adam schrijft dat deze bovengrens van een vijfde alleen geldt voor wie anders het gevaar loopt om te verarmen, maar dat een zeer welvarend mens daar wel boven mag gaan. De ondergrens van 10% geldt voor iedereen die dagelijks een normale warme maaltijd met vlees eet en het geldt niet alleen voor de zeer rijken. Dit is de mening van de Aroech Hasjoelchan en ook van Rav Sjlomo Zalman Auerbach zt”l, en die voegt eraan toe dat men dat moet rekenen over het volle inkomen, niet alleen van dat wat er overblijft nadat men alles wat men voor zichzelf wilde kopen, heeft uitgegeven. Dit geldt ook voor een ontvangen erfenis of iets dergelijks.]

[U kunt uw ma’aser kesafiem betalen aan de „Stichting Jad LeNetanya” te Amsterdam, voor hulp aan terreur-en oorlogslachtoffers in en om Netanya, girorekening 2421998. (Het is belasting aftrekbaar, dus als u een vijfde geeft, kost u dat maar een tiende!)]