Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 4 Chesjwan 5767

Traktaat Soekka 43-eind Nr. 121

DAF-Notities Soeka

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf 45b

Banden en beperkingen

„Bindt het isroe chag [feestoffer] met koorden [awotiem] aan de hoeken van het altaar,” zegt David HaMelech (Tehilliem 118:27). De interpretatie van dit vers uit Halleel, dat wij op de feestdagen reciteren, vormt de basis voor een opmerkelijke uitspraak in de Gemara: „Ieder die een issoer maakt met het feest met voedsel en drank, wordt door dit vers vergeleken met iemand die een altaar bouwt en daar offers op brengt.”

Wat is deze issoer en wat is de relevantie ervan voor ons?

Rasji definiëert issoer als een „band” [van de stam ŕńř asar – binden]. Eén verklaring is dat deze band betrekking heeft op de juiste viering van het feest met voedsel en drank. Rasji’s tweede verklaring is de best bekende, want die dient als een basis voor de naam die wij gegeven hebben aan de dag na het feest: „Isroe Chag.” Volgens deze benadering moet een Jood zichzelf aan het feest binden door de feestviering nog een dag voort te zetten, door zich meer te goed te doen aan voedsel en drank dan normaal.

Andere commentatoren hebben het moeilijk met Rasji’s commentaar, wegens het gebrek aan enig verband tussen het woord issoer en feestviering met voedsel en drank. Zij stellen een andere benadering voor, gebaseerd op de letterlijke betekenis van het woord issoer als „beperking, verbod.”

Maharsja ziet de woorden van de Gemara als een lofuiting van de Jood, die zichzelf beperkt in zijn feestviering en die vermijdt zich te overeten en te bedrinken aan vette dieren [awotiem], want een dergelijk overdaad wordt niet langer gemotiveerd door de wens om Hasjem te dienen. Die extra hoeveelheid voedsel en drank die hij zichzelf ontzegt op het feest, ten einde zijn tijd beter voor de dienst van Hasjem te kunnen benutten, wordt beschouwd alsof hij een dier offer op het altaar bracht.

Ijoen Ja’akov noemt een eerdere Gemara (Soeka 27b), waar Rabbi Elazar diegenen prijst die hun huis op de feestdagen niet verlaten, omdat de Tora suggereert dat men de feestdagen bij zijn familie hoort door te brengen. Wanneer wij het woord awotiem letterlijk met „koorden” vertalen [zoals het doorgaans overal vertaald wordt], in plaats van met „vette dieren,”  dan vatten we het vers op alsof het propageert dat men zichzelf met koorden aan zijn huis vastbindt, waarbij men zichzelf beperkt tot de familiekring. [Het woord awotiem is het meervoud van awot ňáĺú – dat twee betekenissen heeft: 1. afgeleid van het woord ňČáĆä – dik – betekent het „de dikken, de vetten,” d.w.z. de dikke, vette dieren;” en 2. afgeleid van het woord ňČáÇúawat – binden – betekent het „koord, touw.”]

Hoewel deze laatste verklaring geen overeenkomst biedt met de altaaroffers, was het kennelijk zijn bedoeling om dezelfde benadering te gebruiken als Maharsja, d.w.z. om er een beperking op het reizen tijdens de feesten in te zien, dat als een offer is op te vatten, zodat met het feest viert zoals Hasjem dat wil. En daarom is het te vergelijken met een dieroffer op het altaar.

Daf 51b

De damesgallerij

Wie nog nooit de Simchat Beit HaSjoëwa gezien heeft, zegt de Misjna, heeft nog nooit werkelijk vreugde in zijn leven gezien. Ter voorbereiding van dit grote gebeuren met muziek, zang en dans, dat de uitstorting van het water op het altaar begeleidde tijdens de dagelijks ochtend-offers op Soekkot, werd een „belangrijke aanpassing” gemaakt in het Beit HaMikdasj. Waaruit bestond deze „belang-rijke aanpassing”?

Daar het van belang was dat de vrouwen in staat zouden zijn om dit grote gebeuren gade te slaan, moesten er voorzorgmaatregelen genomen worden om te voorkomen dat mannen en vrouwen door elkaar gemengd zouden worden. Na een aantal onsuccesvole experimenten om hen op hetzelfde niveau van elkaar te scheiden, werd besloten om een gallerij te bouwen voor de vrouwen, vanwaar zij in staat waren van boven naar beneden op de gebeurtenissen neer te kijken, zonder dat er gevaar bestond dat er contact zou zijn tussen de vrouwen boven en de mannen beneden. Dit vereiste dat er steunbalken in de muren moesten worden gemaakt, waarop planken gelegd konden worden op ieder Soekkot-feest, om zo een balkon te maken.

Maar hoe konden zij zoiets doen, vraagt de Gemara, wanneer David HaMelech verklaart (I Divrei HaJamiem [Kronieken] 28:19) dat alle exacte details van de structuur van het Beit HaMikdasj opgeschreven stonden, op basis van profetieën van Gad en Natan, hetgeen zou betekenen dat daar geen veranderingen in mogen worden aangebracht?

Het antwoord hierop, zegt Rav, is dat de leiders, die deze verandering aanbrachten, zich baseerden op een vers in Zecharja (12:12), dat de nadruk legt op het belang van de scheiding tussen mannen en vrouwen bij openbare bijeenkomsten, om verstoring daarvan te voorkomen.

Oppervlakkig gezien lijkt het alsof de Gemara er eenvoudig op wijst, dat in zulke noodsituaties het verbod op verandering in het Beit HaMikdasj soepel mag worden uitgelegd. Maharsja echter, lijkt het moeilijk te hebben met het idee, dat een expliciet verbod op veranderingen opzij geschoven kan worden, alleen om vrouwen in de gelegenheid te stellen om het spektakel gade te slaan. Wanneer dergelijke accomodatie vereist dat er voor het Simchat Beit HaSjoëwa balkons gebouwd moeten worden, dan moet dat beschouwd worden als een aanpassing in de functionele structuur van het Beit HaMikdasj, en dat zou verboden zijn. Maar Rasji legt er de nadruk op dat het doel van de aanpas-sing niet was om de dienst zelf te veranderen, maar om een scheiding te maken tussen mannen en vrouwen. Dit idee van scheiding wordt sterk onderstreept door de Profeet Zecharja, als een manier om het negatieve effect van vermenging te voorkomen.

Daar de bouw van de gallerijen een moreel doel had, en niet de dienst, concludeert Maharsja, was dat niet inbegrepen bij de ban op het maken van veranderingen waar David HaMelech over sprak. De blauwdrukken die profetisch aan David HaMelech overhandigd waren, waren perfect en die vereisten geen aanpassingen. Het was de menselijke aard die imperfect was, zodat een scheiding tussen mannen en vrouwen zonder gallerijen onvoldoende bleek te zijn en een „belangrijke aanpas-sing” nodig maakte, ten einde de vrouwen in de gelegenheid te stellen om de vrolijke feestviering te kunen zien, zonder dat hun aanwezigheid spirituele problemen opleverde.

Daf 52a

De Berg en de Haar

De Profeet Zacharja (12:12) beschrijft het geween dat zal plaatsvinden op het einde der dagen. Een van de Geleerden vat dit op als een verwijzing naar het slachten van de jétser hara’– de slechte neiging – door Hasjem, terwijl zowel de rechtvaardigen als de goddelozen toekijken.

Voor de rechtvaardige lijkt deze ophitser tot het kwaad als een berg, terwijl het voor de goddeloze als een dunne haar lijkt. Beiden huilen bij het aanzicht ervan. De rechtvaardigen huilen omdat zij zich de kwellingen herinneren die zij ervoeren toen zij deze kracht van het kwaad overmeesterden en zij verbazen zich erover hoe zij zulk een formidabele berg konden veroveren. De goddelozen huilen omdat zij zich afvragen waarom zij niet in staat waren deze dunne haar te overwinnen.

Hoe kunnen twee mensen hetzelfde voorwerp zien op zulke verschillende manieren?

Wanneer de jétser hara’ zijn aanval inzet, schildert hij een beeld van de enorme voldoening die zijn cliënt zal hebben van de overtreding die hij wordt uitgenodigd te begaan, een waarlijke berg van plezier. Degene die in deze valkuil van de boze overreder tuimelt, is altijd teleurgesteld over het enorme verschil tussen de verwachting en de realiteit. Hij realiseert zich dat de hoge berg, die hem beloofd was, niets anders was dan een dunne haar van plezier.

De rechtvaardigen wisten de jétser hara’ in het stadium van de bergenhoge verwachting te over-winnen, en dit is hoe zij hem zien, nu zij vol tranen zich herinneren hoe moeilijk het was voor hen om de verleiding te weerstaan. De booswicht echter, volgde de jétser hara’ tot het laatste stadium en zag zijn bergenhoge verwachting gereduceerd tot een haar-dunne illusie. Zij huilen als zij zich realiseren dat zij hun eeuwige beloning verspeeld hebben voor niets meer dan een haardunne bevrediging in deze wereld.