Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 26 Chesjwan 5767

Traktaat Beitsa 2-14 Nr. 122

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De kip en het ei

Daf 3a

Ieder die het Tora-verslag van de schepping van de wereld bestudeerd heeft, twijfelt er niet aan dat de kip er was vóór het ei. Maar hoe moeten wij het ei zien, dat uit de kip komt? Is het te vergelijken met een vrucht die aan een boom groeit, of lijkt het meer op het vruchtensap dat uit een vrucht is geperst? Dit blijkt een interessant probleem te zijn en een bron van meningsverschil tussen twee Geleerden uit de Talmoed.

De eerste Misjna in dit traktaat „Beitsa” leert dat een ei dat op een feestdag gelegd werd, die dag niet mag worden gegeten. De volgende bladzijden leggen de reden uit van deze rabbijnse verordening. De verklaring van twee van de Geleerden, Rabbi Joséf en Rabbi Jitschak, lijken op elkaar maar verschillen wezenlijk van elkaar.

Rabbi Joséf vergelijkt een ei met een vrucht die van een boom is gevallen. De Geleerden hebben ingesteld dat fruit dat op Sjabbat of op een feestdag van een boom valt, die dag niet mag worden gegeten, om te voor­komen dat men de vruchten op die dag van de boom zou plukken, hetgeen een overtreding van een Tora-verbod zou zijn. En toen de Geleerden deze verordening instelden, breidden zij die uit tot alles wat op een vrucht lijkt, zoals een ei, dat ook van zijn bron afvalt.

Rabbi Jitschak vergelijkt het ei echter met het sap dat uit een vrucht komt. De Geleerden hebben ook verordend dat sap, dat op Sjabbat of op een feestdag vanzelf uit een vrucht sijpelt, die dag niet gebruikt mag worden, om te voorkomen dat men anders zelf het sap uit de vrucht zou persen, hetgeen een overtreding van een Tora-verbod zou zijn. En toen zij dit verbod instelden, hebben zij alles bij dat verbod inbegrepen, dat op vruchtensap leek, zoals een ei, dat uit zijn bron komt, waarin het was geabsorbeerd.

Wanneer de Gemara het verschil van deze beide schijnbaar gelijke benaderingen verklaart, concentreert zij zich op wat wij zouden kunnen noemen „de twee zijden van het ei.” Daar Rabbi Joséf een ei als voedsel beschouwt, dat gegeten wordt, in plaats van gedronken, concludeert hij dat het meer lijkt op een vrucht dan op vruchtensap. En dus lijkt het meer op het plukken van een vrucht dan op het uitpersen van een vrucht voor zijn sap.

Rabbi Jitschak daarentegen, ziet de verhouding tussen het ei en zijn oorsprong als criterium: zowel het ei, voordat het gelegd is, als het sap, voordat het is uitgeperst, zijn onzichtbaar, in tegenstelling tot de vrucht die aan de boom hangend, wel zichtbaar is. Daarom meent hij dat de consumptie van een ei meer te vergelijken is met de situatie die ontstaat nadat een vrucht is uitgeperst en men het sap daarvan wil opdrinken.

Zo blijkt er meer dan één manier te zijn om naar een ei te kijken, net zoals er meer dan één manier is om een ei te eten – voorop gesteld dat het niet op een heilige dag gelegd is.

¯ ¯ ¯

Daf 5b

Vruchten voor Jeruzalem

Vruchten die in Israël in het vierde jaar van het leven van een boom groeien, hebben een speciale status. Zij zijn niet langer verboden, zoals die welke in de eerste drie jaren aan de boom groeien, maar zij kunnen ook niet op een normale manier worden gegeten, zoals die welke in de daaropvolgende jaren aan de boom groeien.

Deze vruchten worden revaï genoemd en in de tijd van het Beit HaMikdasj konden zij worden gegeten binnen de muren van Jeruzalem of worden gelost. In het laatste geval moest het geld, dat voor de lossing gebruikt werd, besteed worden aan voedsel, dat in Jeruzalem gegeten moest worden, terwijl het geloste fruit overal gegeten mocht worden. (Tegenwoordig worden deze vruchten voor een symbolische waarde gelost en opgegeten en de munt waarmee gelost werd, wordt vernietigd.)

Gedurende een bepaalde periode in de Joodse geschiedenis was er een rabinaal decreet, dat bepaalde dat het fruit dat groeide binnen een straal van een dagreis rondom Jeruzalem, naar Jeruzalem gebracht moest worden en niet gelost kon worden. Het doel van deze verordening was om de markten van Jeruzalem te verfraaien met een overvloed aan fruit.

Rabbi Eliëzer bezat een grote wijngaard, die gelegen was tussen Lod en Jeruzalem, dichtgenoeg bij deze laatste stad, dat de mogelijkheid  van lossing van de oogst van het vierde jaar was vervallen. Maar zulk een grote oogst naar Jeruzalem brengen vormde een enorme last, en daarom overwoog hij het eigendom op de druiven op te geven, zodat de armen ze zich konden toe-eigenen en naar Jeruzalem brengen. Zij leerlingen herinnerden hem er echter aan dat dit niet nodig was, omdat Rabbi Joachanan ben Zakkai en zijn Beit Din de verordening hadden opgeheven, zodat lossing van het fruit weer was toegestaan.

Dit incident wordt aangehaald als een illustratie van een belangrijk halachisch punt – namelijk dat een decreet dat gemaakt is door de Geleerden, in werking is totdat het geannuleerd is door de Geleerden, zelfs al geldt de oorspronkelijke reden van het decreet niet meer. Jeruzalem was in de tijd van Rabbi Eliëzer in handen van de Romeinen. Er was zeker geen reden meer om de vruchten van het vierde jaar naar Jeruzalem te brengen om de marktplaatsen van de heidenen te verfraaien. Niettemin voelde Rabbi Eliëzer zich verplicht dat te doen, totdat hem verteld werd dat het decreet formeel was opgeheven.

¯ ¯ ¯

Ogen van de duif

Daf 11a

Een huilende rabbijn, een Russische generaal en een rondzwervende duif – wat is het verband? Hat was de gewoonte van Rabbijn Chaim Berlin, die de laatste jaren van zijn leven in Jeruzalem doorbracht, om de verzen van Sjier Hasjiriem [het Hooglied] op vrijdagmiddag laat melodieus te zingen, als een welkom voor Sjabbat. Zijn buren waren zo verrukt van de schoonheid van zijn recitatie, dat zij onder zijn raam stonden te luisteren. Maar zij waren altijd verbijsterd door de manier waarop dit zoete gezang onderbroken werd door een een tranen weergegeven vers 1:15, waarin het Joodse volk hoog geprezen wordt, dat het een speciale schoonheid heeft en „de ogen van een duif.”

Toen eindelijk iemand de moed vond om te vragen om een verklaring, vertelde de rabbijn het volgende verhaal:

„Toen ik als rabbijn diende van de Joodse gemeenschap in Moskou, kwam op een zekere dag een generaal van het leger mijn kamers binnen en gebood mij al de mensen die mij kwamen raadplegen, te verwijderen, zodat hij iets privé met mij kon bespreken. Hij vertrouwde mij vervolgens toe dat hij een Jood was en dat zijn vrouw van een zoon bevallen was, en waarvoor hij wilde dat ik een besnijdenis regelde. Wanneer dit publiek bekend zou worden, zou dat zijn carrière en zijn leven in gevaar brengen en dus moest dit alles in het strengste geheim gebeuren.

„Mijn vraag, waarom zo’n geassimileerde hoge officier in het leger van de tsaar zo graag zijn zoon besneden wilde hebben, niet afwachtend, legde hij uit dat hoewel hij zo ver van het Jodendom was afgedwaald, hij toch zijn Joodse identiteit had behouden dankzij datgene wat hij zag en ervoer in het huis van zijn ouders, die de Joodse voor­schriften nog naleefden. Zij zoon zou dat voorrecht echter niet meer hebben, en tenzij hij zou worden besneden, zou hij niets bezitten dat hem eraan zou herinneren dat hij een Jood was.

„Op dat moment herinnerde ik mij wat de Gemara zegt over duiven die op een feestdag buiten hun nest gevonden worden. Omdat alleen een duif, die voor het begin van de feestdag al bestemd was om op die feestdag te worden gebruikt, geslacht en opgegeten mag worden op die feestdag, is het noodzakelijk om vast te stellen of deze duiven uit een voor consumptie bestemd nest afkomstig zijn. Wanneer die duiven oud genoeg zijn om te kunnen vliegen, zeggen onze geleerden, dan moeten wij aannemen dat deze duiven afkomstig kunnen zijn van een ver weg gelegen nest, dat niet bestemd was en dat men ze dus niet op deze Jom Tov mag gebruiken. Maar als zij nog zo jong zijn, dat zij alleen maar in staat zijn om van hun nest te voet weg te lopen, dan nemen wij aan dat als er geen ander nest binnen vijftig ammot in de buurt van de gevonden duiven is, de duiven uit dat nest afkomstig moeten zijn. Dit criterium is gebaseerd op de ervaringsregel dat een duif in het algemeen niet verder dan vijftig ammot van zijn nest loopt.

„Zelfs als er een ander nest binnen deze afstand is, maar de duif moet een hoek om gaan, om dat te bereiken, dan nog veronderstellen wij dat hij niet van dat nest afkomstig is. Ook dit is gebaseerd op een andere eigenschap van de aard van duiven, namelijk dat hij alleen van zijn nest wegloopt, zolang hij zijn nest nog kan zien.

„Dit,” concludeerde de rabbijn, „is de verklaring dat Joden worden vergeleken met de ogen van een duif. Een Jood kan zich van zijn geloof verwijderen, maar hij zal altijd zijn ogen gericht houden op het Joodse nest waar hij uit voort komt, en het is dit bewustzijn, dat hem Jood houdt. Steeds wanneer ik deze woorden in Sjier Ha­Sjiriem zeg, moet ik denken aan die ontmoeting met die Russische Generaal en kan ik het niet helpen dat ik moet huilen.”

¯ ¯ ¯

Balspel

Daf 12a

Spelen met een bal op Sjabbat en feestdagen klinkt nauwelijks als het soort tijdverdrijf dat geschikt is voor zulke heilige dagen. Er bestaat zelfs een verslag in de Jeruzalemse Talmoed (Ta’aniet 4:5) over een stad in Erets Jisraël, die vernietigd werd omdat haar inwoners er de gewoonte van maakten, om regelmatig een balspel te spelen op Sjabbat.

Maar is een dergelijk balspel inderdaad verboden?

Het voor de hand liggende probleem van een balspel is, dat de bal voortdurend van plaats veranderd wordt, hetgeen onder bepaalde omstandigheden verboden is. Wanneer de activiteit beperkt is tot een private, ingesloten ruimte of een gebied dat is omringd door een eroev, dan treedt dit probleem niet op. Op openbaar terrein echter, is het zeker op Sjabbat verboden. Maar hoe zit dat op een feestdag?

De Misjna informeert ons dat men een kind op een feestdag over publiek terrein mag dragen, ten einde een besnij­de­nis te doen en men mag ook een Sefer Tora of de Vier Plantensoorten op Soekkot over openbaar terrein vervoeren om de mitswa te kunnen doen. Dit is gebaseerd op de gedachte, dat hoewel Tora alle soorten creatief werk op feestda­gen verboden heeft, zoals dat op Sjabbat verboden is, het toegestaan is vele daarvan toch te doen, wanneer dat gebeurt met het doel om voedsel voor die dag te bereiden. Wanneer een bepaalde werkzaamheid voor de bereiding van voedsel was toegestaan, was die arbeid ook toegestaan voor ieder ander doel, dat vreugde brengt voor deze dag. Tosafot beslist dat dit ook geldt voor balspel.

Deze regeling van Tosafot wordt aangehaald door de Rama in de Sjoelchan Aroech, Orach Chaim 308:45, met betrek­king tot de toelaatbaarheid van balspel op Sjabbat binnen een gebied waar dragen is toegestaan. Dit geldt echter niet voor spelen als voetbal, die gespeeld worden op een ongeplaveid veld, omdat dit kan leiden tot het maken van hopen en kuilen in de aarde, hetgeen valt onder het verbod op ploegen op Sjabbat en feestdagen (Misjna Beroera 308:158).

Deze soepele benadering, gebaseerd op Tosafot, wordt aangevallen door de Beit Joseef, die het spelen en zelfs het omgaan met een bal verbiedt op Sjabbat. Een bal wordt als moektse beschouwd, zoals een steen die geen praktische toepassing heeft op Sjabbat en feestdagen; een steen is zelfs niet geschikt om er een pan mee af te dekken, want er kleeft doorgaans aarde aan [een steen is alleen geschikt om ermee te bouwen en dat is verboden op Sjabbat en feestdagen]. Volgens deze regeling blijft de bal moektse, ondanks dat hij voor sport gebuikt wordt.

Joden van Sefardische oorsprong volgen deze regeling van de Beit Joseef, terwijl Asjkenazische Joden zich aan de regeling van de Rama houden (met uitzondering van opblaasbare ballen, die volgens alle halachische autoriteiten verboden zijn).

Waar is een Loelav nog meer goed voor?

Daf 13a

Een Loelav en de andere drie soorten planten die samen de arba miniem [vier plantensoorten] vormen, die men op het Soekkot-feest moet opnemen, mag men vervoeren van privé- naar publiek terrein op Jom Tov. De reden waarom dit dragen is toegestaan, ondanks het verbod op het doen van creatieve arbeid op Sjabbat en feestdagen, wordt als volgt verklaard:

Tora staat expliciet het dragen op Jom Tov over publiek terrein en het vervoer van privéterrein naar publiek terrein toe, wanneer dat gebeurt met het doel om voedsel voor die dag te bereiden. Daaruit hebben de Geleerden afgeleid dat deze toestemming om te dragen ook geldt voor andere doeleinden, mits daar enige noodzaak voor is voor de Jom Tov zelf, zelfs al is dat niet voor de bereiding van voedsel.

De Misjna geeft daar drie voorbeelden van: een baby, loelav en een Sefer Tora. Tosafot legt uit dat de baby vervoerd mag worden om te worden besneden en dat de Tora rol mag worden vervoerd om eruit te lezen en de loelav om er de mitswa van de arba miniem mee te doen.

In zijn commentaar suggereert Rabbijn Zwi Hirsch Chayot dat de loelav, waar de Misjna het over heeft, niet noodzakelijk gebruikt hoeft te worden voor de mitswa van het Soekkot-feest, maar een palmtak is die men op een andere feestdag wil vervoeren. Als mogelijk gebruik van een dergelijke loelav, die het vervoer ervan rechtvaardigt, refereert hij aan het commentaar van Rasji op Traktaat Soekka (40a), waar staat dat een loelav in de eerste plaats gebruikt wordt om de woning mee aan te vegen. De Jeruzalemse Talmoed zegt dat een loelav ook gebruikt kan worden om een zieke koelte toe te waaien. Daarom, zegt hij, mag een loelav ook op andere feestdagen dan Soekkot vervoerd worden.

Maar waarom is de loelav dan op Sjabbat-Soekkot moektse (Sj.A. O.Ch. 658:1)? Hij kan toch als bezem of als „air-conditioner” gebruikt worden?

Het antwoord is, dat de loelav op Soekkot speciaal bestemd is voor de mitswa van de arba miniem en daarom voor geen enkel ander doel gebruikt mag worden.