Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 3 Kislev 5767

Traktaat Beitsa 14-29 Nr. 123

Daf 16a

De extra ziel

Nesjama jetera” (extra ziel) noemen onze Geleerden die extra dimensie van spiritualiteit die de Hemel bij een Jood inbrengt vóór Sjabbat. De prak­tische expressie van deze extra dimensie van de ziel, verklaart Rasji, is dat de Jood een grotere capaciteit voor ontspanning en vreugde heeft, en in staat is om extra veel te eten en te drinken, zonder last te krijgen van indigestie.

Wanneer de Sjabbat eindigt, wordt de nesjama jetera weggenomen. Het spirituele trauma dat de Jood voelt ten gevolge van dit verlies, wordt subtiel aangeduid in het woord wajinafasj (Sjemot), dat G-ds rust beschrijft na de zes dagen van de Schepping. Dit woord kan gelezen worden als een combinatie van twee woorden: wai nefesj, hetgeen betekent: „wee de ziel die verloren is gegaan.”

Om dit verlies te verzachten, hebben onze Geleerden het gebruik ingesteld om bij de uitgang van Sjabbat tijdens de havdala aan besamiem [geurige kruiden] te ruiken. Geur is het enige aardse ding waar de ziel van kan genieten en het is deze voeding die de overblijvende ziel in staat stelt de shock van het verlies van zijn Sjabbat-partner te overkomen.

Hoe zit dat met de feestdagen? Krijgt men dan ook een nesjama jetira?

Ja, zegt Rasjbam (Pesachiem 102b), en hij bewijst dat met het feit dat wij de beracha over de besamiem niet zeggen in de combinatie van Kiddoesj-Havdala die wij zeggen, als motsaei Sjabbat tegelijk het einde is van de eerste feest­dag. De reden hiervoor, concludeert hij, kan alleen maar zijn dat de nesjema jetera ook op de feestdag aanwezig is.

Tosafot (Beitsa 33b) bestrijdt deze conclusie: wanneer er op een feestdag ook een nesjama jetera aanwezig zou zijn, dan zouden wij bij het uitgaan van iedere feestdag in de havdala de beracha over de besamiem moeten zeggen. Uit het feit dat wij dat niet doen, blijkt dat er op feestdagen geen nesjama jetera aanwezig is. Er moet dus een andere reden zijn waarom wij op motsaei Sjabbat, dat op het eind van een eerste feestdag valt, geen beracha over besamiem maken tijdens de Kiddoesj-Havdala.

Na enkele andere ideeën hierover te hebben verworpen, concludeert Tosafot dat het luxieuze eten en drinken, dat de Jood vreugde brengt op een feestdag, dezelfde spirituele therapeutische werking heeft als besamiem, waardoor deze laatste overbodig worden.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

¯ ¯ ¯

Twee manieren om aan Sjabbat te denken

De Geleerden Hillel en Sjammai waren het er met elkaar over eens, dat een Jood gedurende de hele week aan Sjabbat moet denken. Volgens hen houdt het Tora-gebod: „Gedenk de Sjabbat” (Sjemot 20:8) ook in dat men gedurende de week steeds aan Sajabbat moet denken en iedere dag moet zien in zijn relatie tot Sjabbat, zodat men de eerste dag van de week niet zondag maar Jom Risjon moet noemen – de eerste dag voor Sjabbat.

Deze eensgezindheid wordt door Ramban uitgelegd in zijn commentaar op Tora (Sjemot 20:8), waarbij hij het verschil opmerkt tussen beide Geleerden voor wat betreft hun voedselbereiding voor Sjabbat, welke in onze Gemara genoemd wordt.

Al Sjammai’s dagen waren gewijd aan het voedsel waarmee hij Sjabbat zou eren. Wanneer hij een mooi stuk vlees vond, dat geschikt was voor Sjabbat, dan kocht hij dat. Wanneer hij dan daarna een mooier stuk vlees vond of een mooier dier, dan at hij het eerste op en legde dit tweede opzij voor Sjabbat. Op deze manier keek hij iedere dag uit naar Sjabbat. Hillel echter had er volledig vertrouwen in dat de Hemel hem van alles zou voorzien wat hij nodig had voor Sjabbat. Hij leefde bij de woorden van Koning David (Tehilliem 68:20): „Gezegend is G-d die ons voorziet in onze dagelijkse behoeften.”

¯ ¯ ¯

„Wie een cadeau geeft aan een kind, moet dat de moeder vertellen. (Zodat de ouders er zich van bewust zijn dat hij op hen gesteld is en daarmee wordt de vriendschap tussen Joden versterkt. – Rasji).” (Rabbi Sjim’on ben Gamliël)

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

¯ ¯ ¯

Daf 17b

Het gevaar van misleiding

Op een Jom Tov die op vrijdag valt, mag men alleen voor de Sjabbat koken wanneer men van te voren een eroev tavsjilien gemaakt heeft. Dit doet men door op de dag vóór Jom Tov, dus op donderdag twee soorten voedsel klaar te maken, iets dat gekookt is (zoals een ei of vlees of vis) en iets dat gebakken is (zoals een challa) en die men op Sjabbat eet. Hiermee mogen wij het koken op de Jom Tov beschouwen als een ver­lenging van het koken dat vóór de Jom Tov gedaan werd, hetgeen niet tot de verkeerde indruk kan leiden dat men op de Jom Tov voedsel mag bereiden dat pas de volgende dag, wanneer dat geen Sjabbat is, gegeten wordt.

Wanneer iemand vergeten is een eroev te maken, en niemand heeft er een voor hem gemaakt, dan moet hij het eigendom van zijn voedsel overdragen aan een Jood die wel een eroev tavsjilien gemaakt heeft en die ander mag dan voor hem koken.

Voor het geval dat iemand vergeten was de eroev te maken, en deze beperking negeert en toch kookt, hebben onze Geleerden een interessant onderscheid gemaakt voor wanneer wij hem straffen voor de consumptie van zijn voedsel en wanneer niet:

Wanneer hij deze halacha opzettelijk genegeerd heeft, en gekookt heeft zonder eroev, dan staan we hem toe om zijn voedsel op Sjabbat te eten. Maar wanneer hij dit kookt op een misleidende manier, zoals door op de Jom Tov meer te koken dan hij nodig heeft voor die feestdag, en daarbij valselijk verklaart dat hij gasten verwacht, terwijl zijn werkelijke bedoeling is om het voedsel voor Sjabbat te bereiden, dan is het hem verboden dit voedsel op Sjabbat te eten.

Waarom hebben de Geleerden degene die op Sjabbat kookt door misleiding wel gestraft en degene die opzettelijk de halacha overtreedt niet?

De verklaring hiervoor, zegt Rasji, is dat er geen gevaar is dat anderen zijn slechte gewoonte zullen volgen en opzettelijk de halacha zullen gaan overtreden en hij zal de fout van zijn handelingen inzien en tot inkeer komen. Er is dus geen gevaar voor het instituut van de eroev tavsjilien. Maar in het geval van de misleiding echter, bedriegt die persoon zichzelf door te denken dat hij juist gehandeld heeft, en anderen zouden van hem kunnen leren hoe zij de halacha-voorschriften kunnen omzeilen. Daar dit het voortbestaan van de eroev tavsjilien in gevaar brengt, hebben onze Geleerden hem gestraft door hem te verbieden dit voedsel op Sjabbat te eten.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach


Uit Daf Yomi Digest

Van het Chigago Center for Torah Chesed

Daf 20b

De waarde van de stilte

De Misjna op daf 19a zegt: Beit Sjammai zegt: „We mogen sjelamiem brengen op Jom Tov, maar we mogen er niet op leunen [een deel van de procedure van privé-offers, is dat de eigenaar van het offerdier erop leunt – semicha. Hij legt beide zijn handen op de kop van het dier en leunt daar op met al zijn kracht. Op Sjabbat en Jom Tov is het door de Geleerden echter verboden om gebruik te maken van een dier. Daarom verbiedt Beit Sjammai deze semicha op Jom Tov]. We mogen echter geen brandoffer brengen.” [Een brandoffer wordt volledig op het altaar verbrand en er blijft dus niets over voor consumptie en op Jom Tov mag men alleen die werkzaamheden verrichten die dienen voor de bereiding van voedsel.] Beit Hillel zegt echter: „We mogen zowel sjelemiem als brandoffers brengen op Jom Tov en we mogen er ook op leunen.”

De Gemara stelt vast dat de halacha de mening van Beit Hillel volgt.

Op deze daf staat een anecdote over een student van Beit Sjammai die trachtte een student van Beit Hillel te weerhouden om een semicha op een dier te doen, dat hij op Jom Tov als brandoffer wilde brengen. Toen de student van Beit Sjammai bruusk vroeg: „Wat is dit voor een semicha?”, antwoordde de student van Beit Hillel overeenkomstig: „Wat is dit voor een stilte?” [Hij had zijn mond moeten houden, want de halacha was al vastgesteld volgens Beit Hillel.]

Toen de Imrei Emet vanGer zt”l terugkeerde van zijn eerste reis naar Erets Jisraël, trachtte de Rav van Kalisch zt”l enkele details over de reis aan hem te ontfutselen. De Imrei Emet scheen echter niet willig te zijn om in een conversatie te treden.

„Nou,” drong de Kalischer Rav aan, „hoe voelt de Rebbe zich na zijn bezoek aan het Heilige Land? Zeg­gen Chazal niet dat zelfs de lucht van Eerets Jisraël een mens wijs maakt?”

De Imrei Emet knikte. Ja, dat is waar,” antwoordde hij. „En Chazal hebben ook gezegd: „de bescherming van de wijsheid … is de stilte!”

Met andere woorden, soms is stilte de beste verdediging, want het kan een discussie vermijden.


Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf 21a

Het mysterie van de afwezige Geleerde

Het gebeurde eens, dat Geleerde Sjim’on uit Timna op de avond van een feestdag niet verscheen in het Beit Hamidrasj, waar hij regelmatig studeerde met zijn collega’s. Toen Rabbi Jehoeda ben Bawa hem de volgende ochtend vroeg waarom hij afwezig was geweest, vertelde hij dat een groep heidense soldaten naar zijn stad was gekomen om die te plunderen. Hij vertelde dat de bewoners hun best hadden gedaan om de soldaten tevreden te stellen met iets anders, zodat zij af zouden zien van hun plannen. Zij hadden succes gehad door een kalf te slachten, dat voor hen te koken en hen als maaltijd op te dienen.

Deze verklaring vond geen gunst in de ogen van Rabbi Jehoeda ben Bawa, die suggereerde dat de winst van de besparing van geld die op deze manier bereikt was, teniet gedaan werd door het verlies dat ontstaan was doordat daarmee de heilig­heid van de feestdag geweld was aangedaan. De permissie van Tora om op feest­dagen te koken, is beperkt tot het koken voor Joden, en niet voor heidenen, zo herinnerde hij hem.

In een poging om Sjim’on van Timna’s beweegredenen te begrijpen, suggereert de Gemara eerst dat dit koken wellicht was toegestaan omdat de plunderaars er zeker geen bezwaar tegen zouden hebben als de Joodse koks zichzelf een beetje zouden helpen aan wat vlees, zodat het koken ook gedaan werd ten behoeve van de Joden zelf.

Dit antwoord wordt echter verworpen, want als de Joden in staat waren geweest zelf van dit kalfsvlees te eten, dan zou Rabbi Jehoeda ben Bawa geen bezwaar hebben gehad tegen de handelingen van zijn collega. We moeten daarom concluderen dat het desbetreffende dier treifa was en dus verboden was voor Joden. Dit laat slechts één rechtvaardiging open voor Sjim’on uit Timna, namelijk dat een deel van het treifa dier gevoerd kon worden aan een dier dat het eigendom van een Jood was.

Het conflict tussen beide Geleerden kan dus worden teruggebracht tot de vraag of een Jood op Jom Tov mag koken voor zijn huisdier. Over dit onderwerp discussiëren Rabbi Akiwa en Rabbi Jossi de Gallileeër. De eerste meent dat Tora dit toestaat, en de laatste meent dat het verboden is.

Wat is de logica, vraagt de Gemara, van het standpunt dat koken voor dieren toestaat, terwijl het verboden is om voor niet-Joden te koken op Jom Tov? Het antwoord is dat het voederen van je dieren je eigen verantwoordelijk­heid is, maar een ander mens kan voor zichzelf zorgen.

De halacha is echter dat koken voor een dier op een feestdag verboden is (Sjoelchan Aroech Orach Chaim 512:3), maar het is wel toegestaan je dieren op Sjabbat en feestdagen te voeren.

¯ ¯ ¯

Het probleem van partnerschap

Het slachten van een dier, het breken van brood of andere dingen die op Jom Tov zijn toegestaan voor de bereiding van voedsel voor die dag, mag alleen gedaan worden wanneer het voedsel het eigendom is van een Jood. Rabbi Chisda maakt onderscheid tussen het slachten van een dier dat voor de helft het eigendom is van een niet-Jood en tussen brood dat voor de helft van een niet-Joodse partner is. Zijn verklaring is dat slachten is toegestaan, omdat het onmogelijk is om enig deel van een dier te eten, zonder het te slachten. Daarom kunnen we dit slachten beschouwen alsof het gedaan werd ten behoeve van de Joodse partner. Een brood echter, kan in tweeën verdeeld worden, zodat de Jood alleen zijn eigen helft hoeft te bakken. Wanneer hij de andere helft samen met zijn eigen helft bakt, moet dat beschouwd worden alsof hij bakt ten behoeve van de niet-Jood en dat is verboden op Jom Tov.

Tosafot merkt op dat dit in strijd lijkt te zijn met wat Rabbi Sjim’on ben Elazar beslist heeft (in Beitsa 17a), namelijk dat een vrouw een oven mag vullen met deeg om een brood te bakken, zelfs al heeft zij daar maar een deel van nodig. Zijn verklaring hiervoor is dat de kwaliteit van ieder brood beter is, wanneer de oven vol is en daarom kan dit beschouwd worden als bakken voor Jom Tov. Waarom passen wij dan dit idee niet toe op het bakken van een heel brood, waarvan een niet-Jood gedeeltelijk mede-eigenaar is?

Het antwoord dat Tosafot geeft is dat als het hele deeg het eigendom is van een Jood en hij de keuze heeft om één van de gebakken broden in die volle oven te eten, of ze aan zijn Joodse gasten aan te bieden, dat het dan beschouwd kan worden alsof hij gebakken heeft voor Joodse consumptie. Maar dat kan hij niet als het deeg voor een deel van een niet-Jood is.

¯ ¯ ¯

Daf 25b

Een stoutmoedig volk

Choetspa is een Hebreeuws woord dat reeds ingang heeft gevonden in de Nederlandse taal. Is stoutmoedig­heid echter werkelijk een Joodse karaktereigenschap?

Joden zijn het stoutmoedigste van alle volken, zegt Rabbi Sjim’on ben Lakisj. Rabbi Meïr zag een verband tussen deze karaktereigenschap en het feit dat zij van alle volken werden uitgekozen om de Tora in ontvangst te nemen.

Maharsja legt uit dat er twee kanten zitten aan de stoutmoedigheid. Een verlegen persoon, zegt Hillel (Awot 2:6), kan niet slagen met Tora-studie. Alleen wanneer men stoutmoedig genoeg is om te vragen, uit te dagen en te debateren, kan men werkelijk Tora leren. Aan de andere kant echter, als stoutmoedigheid niet getem­perd wordt, kan het verhinderen dat iemand een waar respect heeft voor de G-ddelijke autoriteit. Hun natuurlijke stoutmoedig­heid kwalificeert de Joden daarom om de Tora te krijgen, waarvan zij de ware wijs­heid kunnen vinden door hun capaciteit om naar waarheid te zoeken, zonder reserveringen. De Tora kanali­seert dan hun stoutmoedigheid in een positieve richting tot intellectuele en spirituele perfectie en brengt in hen nederigheid bij hun relatie met G-d.

Dit controlerende effect van Tora op de Joodse stoutmoedigheid werd eens genoemd door een vooraanstaan­de Europese Rabbijn tegenover een Oostenrijks-Hongaarse Keizer, die gunstig neerkeek op Joden die hun Tora verlieten en zich assimileerden. „Tora is wat de stoutmoedigheid van mijn volk controleert,” vertelde hij de keizer. „Zolang als wij ons aan Tora houden en onze stoutmoedigheid wijden aan het zoeken van wijs­heid, zijn wij de meest loyale burgers van Uwe Majesteit. Maar wanneer wij deze controle loslaten, wie weet of onze kleinkinderen niet op een dag uw kleinkinderen stoutmoedig zullen uitdagen!”

¯ ¯ ¯

Daf 29a

Ongewenste resten

„Wij zouden het op prijs stellen wanneer u deze 300 vaten wijn en 300 vaten olie kunt gebruiken voor het Beit Hamikdasj.”

Dit was het aanbod van Abba Sjaoel ben Botnit en zijn mede kooplieden.

Zowel de wijn als de olie waren de verzameling van de resten van deze goederen, die bij de verkopers waren overgebleven, nadat zij aan de kopers de hoeveelheid, waarvoor zij betaald hadden, hadden afgemeten. Het schuim dat gevormd wordt wanneer de wijn wordt overgeheveld, veroorzaakt dat het vat van de koper voller lijkt dan het in werkelijkheid is zodat hij minder krijgt, dan waarvoor hij betaald heeft. In het geval van de olie was het de hoeveelheid olie dat aan de wanden en bodem van de vaten blijft hangen, hetgeen eveneens de valse indruk wekt van een vol vat.

De vertegenwoordigers van het Beit Hamikdasj begrepen dat deze donors bezorgd waren dat zij ongewild deze resten op een oneerlijke manier hadden verkregen. De donors vertelden hen daarom dat dit niet het geval was, maar dat hun klanten heel goed wisten dat zij niet de volle maat kregen, maar daar de kopers niet hun tijd wilden verspillen om de garantie te krijgen dat zij de volle maat kregen, vergaven zij de verkopers vrijwillig de hoeveel­heid die achterbleef.

Toen de donors erop aandrongen dat zij niet wensten te profiteren van iets dat eigenlijk aan anderen toebehoorde, werd hun geadviseerd om het te bestemmen voor een of ander openbaar project. Zoals de regel is, dat iemand die gestolen heeft, maar niet meer weet van wie, en die het gestolene wil teruggeven, geadviseerd wordt iets te doen voor het algemene nut.

Zo konden ook deze kooplieden, die zich terecht oncomfortabel voelden over de wijn en olie die zij op een twijfel­achtige manier verkregen hadden, een en ander goed maken door deze goederen voor een goed doel te bestemmen.

Maharsja wijst erop dat de vertegenwoordigers van het Beit HaMikdasj de wijn en de olie niet voor het Beit HaMikdasj wilden in ontvangst nemen, ondanks de verzekering die de donors gaven dat zij de wettige eigenaars ervan waren, omdat zij aarzelden om iets voor een heilig doel te gebruiken, waar een luchtje van oneerlijkheid aan zit. Hoewel de kooplieden verzekerden dat de kopers hen de resten vergeven hadden, maakte het feit dat zij dit niet onmiddellijk van te voren vertelden, hun donatie ongeschikt voor een heilig gebruik.

¯ ¯ ¯