Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 10 Kislev 5767

Traktaat Beitsa 30-36 Nr. 124

Daf 30b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Drie demensies van heiligheid

In deze afdeling van ons traktaat worden drie categorieën van moektse besproken.

Het schach – de dakbedekking van de soeka – en het hout dat gebruikt wordt voor de wanden ervan mag niet gebruikt worden voor een ander doel gedurende het hele Soekot-feest. Zelfs als iemand voor het begin van het feest verklaart dat het materiaal ook voor een ander doel gebruikt kan worden, is het hem toch verboden dat te doen.

De vruchten en de andere dingen die aan het schach als versiering hangen, mag men ook niet voor een ander doel gebruiken gedurende het hele Soekot-feest, want ook zij worden beschouwd als te zijn geheiligd voor de mitswa. Echter, als men van te voren nadrukkelijk bepaalt dat men ze ook voor iets anders mag gebruiken, dan is dat toege­staan.

Wanneer men vóór het Soekot-feest een aantal etrogiem opzij legt, voor iedere dag een andere, dan mag men de etrog die voor de mitswa gebruikt is, de dag daarna eten.

Dit onderscheid roept een aantal vragen op.

  • Waarom helpt een verklaring vooraf wel bij decoratie van het schach maar niet voor het schach zelf?

  • Waarom geldt de heiligheid van de soeka vanaf het begin van het feest tot het einde, terwijl die welke zich aan de etrog gehecht heeft, aan het eind van die dag verdwijnt?

De heiligheid die zich aan de soeka hecht tijdens de schemering bij het begin van de eerste feestdag, geldt voor het hele feest. Maar als men een voorwaarde stelt tijdens deze schemering, dat men zich het recht voorbehoudt om de decoratie voor iets anders te gebruiken, dan wordt die heiligheid niet geëffectueerd. Dit geldt echter alleen voor de decoratie, die verwijderd kan worden tijdens de schemering, zonder dat men de feestdag schendt. Men kan een dergelijke verklaring echter niet doen voor de soeka zelf, want men kan de schach of de wanden van de soeka niet verwijderen zonder de heiligheid van de feestdag te schenden [het neerleggen van de dakbedekking of de verwijdering daarvan, evenals het opzetten van de wanden of het afbreken daarvan valt onder het verbod van bonee – bouwen op Sjabbat of feestdagen].

(Opmerking: Betreffende de voorwaarde van de decoratie geldt dat die alleen geldig is als men verklaart dat men niet afziet van zijn rechten om er gebruik van te maken gedurende één van de schemer-periodes tijdens het Soekot-feest. Anders gaat de heiligheid, die zulk gebruik verbiedt, in tijdens de volgende schemering en duurt tot het einde van het feest. Gezien de ingewikkeldheid van een dergelijke voorwaarde schrijft de Rama in de Sjoelchan Aroech, O.Ch. 638: 2 dat het de gewoonte is om een dergelijke voorwaarde niet te maken, behalve voor de wanden van de soeka, waar de halacha soepeler is.)

Betreffende het verschil tussen de heiligheid van de soeka, die zich over alle dagen uitstrekt (zelfs al verlaat men halverwege het feest zijn soeka voor een andere soeka), en de etrog, die de volgende dag gegeten mag worden, wanneer men voor iedere dag een andere etrog bestemd heeft, biedt de Gemara een eenvoudige verklaring. De mitswa van de etrog kan men alleen overdag uitvoeren. De nacht vormt daarom een scheiding tussen de dagen en beperkt de heiligheid van de etrog tot die ene dag. Maar men is verplicht in de soeka zowel overdag als ’s nachts te wonen. Daarom wordt het hele Soekot-feest als één lange, ononderbroken heiligheid beschouwd.

&

Daf 32b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Zes trieste gevallen

Drie mensen, verklaren onze Geleerden, hebben het zo moeilijk in hun leven, dat men kan zeggen dat hun leven eigenlijk geen echt leven is:

  • Iemand zonder middelen van bestaan en die afhankelijk is van anderen voor zijn onderhoud;

  • Iemand die overheerst wordt door zijn vrouw;

  • Iemand wiens lichaam onderhevig is aan voortdurend lijden.

De Gemara in Pesachiem (113b) noemt nog drie groepen mensen op, wier leven geen leven genoemd kan worden:

  • Iemand die abnormaal barmhartig is;

  • Iemand die extra snel geïrriteerd raakt;

  • Iemand die te gevoelig is.

Al deze mensen, zegt Rasjbam, worden regelmatig geconfronteerd met situaties die hen niet met rust laten ten gevolge van hun over-reactie en daarom is hun leven geen leven. Maar waarom, vraagt Tosafot in Pesachiem, worden deze zes lijders in twee categorieën van drie ingedeeld en worden ze niet alle zes bij elkaar opgenoemd?

Tosafot veronderstelt dat de drie mensen in Pesachiem lijden ten gevolge van hun eigen karaktereigenschappen, terwijl die welke in Beitsa genoemd worden, lijden door omstandigheden, waar zij geen invloed op hebben, zoals armoede, ziekte of een mislukt huwelijk.

&

Daf 33a

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 392 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Het gebruik van electriciteit op Jom Tov

Tegenwoordig weet ieder kind dat het verboden is om de electriciteit aan te zetten op Jom Tov, net zoals dat verboden is op Sjabbat. Echter, toen electrisch licht nog maar pas was uitgevonden, was dit helemaal niet zo eenvoudig. Zelfs geleerde Rabbijnen hadden het er moeilijk mee om te verklaren waarom het verboden was, want zij waren voor het grootste deel onzeker hoe de electriciteit werkte. Daardoor ontstond er een fascinerende discussie over de vraag of men op Jom Tov al dan niet electriciteit mag gebruiken.

Het maken van een nieuw vuur op Jom Tov – We leren in onze Misjna dat het verboden is om een nieuw vuur te maken op Jom Tov door twee stokjes tegen elkaar te wrijven. Maar het is wel toegestaan om een reeds brandende vlam over te brengen en zo de ene kaars aan de andere aan te steken. Waarom is het maken van een nieuw vuur verboden? De Gemara verklaart dat dit beschouwd kan worden als de schepping van een nieuw voorwerp op Jom Tov. Daar dit lijkt op een melacha, is het bij Rabbijnse wet verboden (Rasji s.v. D’Kamolid).

Electrische stromen – De Tsiets Eliëzer (I:20) behandelt het probleem van electriciteit in halacha vanuit verschillende gezichtspunten, met inbegrip van het gebruik ervan op Jom Tov. Hij schrijft dat met eens dacht dat een electrische stroom al in het circuit bestond, nog voordat enig apparaat met het stopcontact was verbonden. Men dacht dat het was alsof de electriciteit wachtte aan het eind van de draad, klaar om „de sprong” naar het apparaat te maken, zodra dat ermee verbonden werd Er werd dus geen nieuwe electriciteit gecreëerd, zo redeneerde men. Er werd alleen maar reeds bestaande electriciteit in het apparaat getrokken. Daarom dachten Poskiem dat het te vergelijken was met het aansteken van de ene kaars met de ander en dat het dus toegestaan was.

Later werd echter ontdekt  dat de electrische lading niet ligt te wachten aan het eind van het circuit. Maar alleen wanneer het apparaat met het stopcontact wordt verbonden en geactiveerd wordt, pas dan wordt de electrische lading van zijn bron getrokken. Dit wordt beschouwd als vergelijkbaar met het „scheppen” van een electrische stroom in het circuit, hetgeen verboden is.

Electriciteit is geen vuur – De Chazon Nachum (I, O.Ch. 30) schrijft dat het onnodig is om zo diep te graven, om te weten of het gebruik van een electrisch apparaat beschouwd moet worden als het „overbrengen van electriciteit” of het „creëren van electriciteit.” De Gemara past dit onderscheidt toe op vuur, maar er is geen enkele reden om electriciteit te vergelijken met vuur. Alleen als de electrische stroom het filament van een gloeilamp laat gloeien, dan wordt er een nieuw vuur geschapen. Daarom is het zeker verboden om electrisch licht op Jom Tov aan te steken.

Het „bouwen” van een circuit – De Chazon Iesj (O.Ch. 50, s.k. 9) suggereert een fascinerende chiddoes, namelijk dat men met het sluiten van een electrisch circuit het verbod op bonee – bouwen – overtreedt. Daarom is het aansteken van electrisch licht op Jom Tov verboden door Tora en is het niet alleen maar een Rabbijns verbod.

&

Daf 34b

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 392 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Oneg Jom Tov

De Avudraham, een van de klassieke Poskei Risjoniem schrijft in naam van R. Gersjon ben R. Sjlomo, dat de mitswa om kaarsen aan te steken voor sjabbat gebaseerd is op de mitswa van oneg Sjabbat – het genoegen van Sjabbat. Ten einde te genieten van het voedsel dat men op Sjabbat eet, moet men het kunnen zien. Daarom moet met de Sjabbat-kaarsen aansteken op de plaats van de maaltijd. Er bestaat echter niet een dergelijke mitswa om kaarsen aan te steken op Jom Tov, omdat er geen mitswa bestaat van oneg Jom Tov. Daarom, zo concludeert Rabbeinoe Gersjom, zegt men geen beracha voor het aansteken van de kaarsen op Jom Tov (Avudraham: Ma’ariv sjel Sjabbat).

In onze soegia wordt de mitswa van oneg Sjabbat behandeld, welke gebaseerd is op de passoek (Jesjajahoe 58:14): „Noem de Sjabbat een bron van genoegen (oneg).” Hoewel deze passoek in de Profeten staat, beweren toch vele Risjoniem dat het in feite een verplichting van Tora is (zie Misjna Beroera 242:1).

De mitswa van oneg Sjabbat verleent grote betekenis aan al het voedsel dat in de loop van Sjabbat gegeten wordt. Hoewel het in het algemeen is toegestaan om tijdens een klein hapje tussendoor onvertiend voedsel te eten, is dat op Sjabbat verboden. Sjabbat maakt zelfs een kleine hoeveelheid voedsel significant en dat mag daarom niet gegeten worden, voordat de tienden daarvan zijn afgescheiden. Echter, de Gemara zegt niet duidelijk of er een soortgelijke mitswa bestaat van oneg Jom Tov. Daarom discussiëren de Risjoniem daarover.

Hamans getuigenis – De Rambam schrijft expliciet dat er een mitswa bestaat van oneg Jom Tov. „Net zoals er een mitswa is om de Sjabbat te eren en daar genoegen in te scheppen (oneg), zo is er ook een mitswa met Jom Tov” (Hilchot Jom Tov 6:16). Ditzelfde schrijven ook andere Risjoniem.

Een bron hiervoor is te vinden in de Midrasj, die Hamans gesprek met Achasjveros beschrijft en zijn lasterlijke beschrijving van het Joodse volk. Haman klaagde dat het Joodse volk zich voortdurend te buiten ging aan overmatig gebruik van voedsel en drank met als excuus „oneg Sjabbat en oneg Jom Tov.” (Het is opmerkelijk dat de Poskiem de kwade Haman waardig genoeg vonden om als bron te gebruiken voor halachische beslissingen). Andere Risjoniem, waaronder de hierboven al genoemde Avudraham en de Sja’ar HaMelech, die een mening van de Meïri aanhaalt, beweren dat er geen mitswa van oneg Jom Tov bestaat. Tosafot zegt hetzelfde en beslist daarom dat er geen verplichting bestaat om brood te eten op Jom Tov (Tosafot, Soeka 27a).

De Sjoelchan Aroech (O.Ch. 529) stelt dat er wel een verplichting is van oneg op Jom Tov, overeenkomstig de mening van Rambam. Deze verplichting wordt geleerd uit het vervolg van de hierboven aangehaalde passoek: „Noem de Sjabbat een bron van genoegen… om Hasjem in Zijn eer te heiligen.” Daar de Jamiem Toviem geheiligd zijn voor Hasjem, want het vers (Wajjikra 23:2) noemt ze „Mikraei Kodesj”, is men verplicht brood te eten bij de maaltijd om ze te eren. Om dezelfde reden moet men de Birkat Hamazon herhalen wanneer men daarin vergeten is Ja’alee WeJawo te zeggen (zoals de halacha is voor alle verplichte broodmaaltijden – Sj.A. O.Ch. 186:6).

Daar de geaccepteerde halacha is dat er een oneg Jom Tov is, moet men een beracha zeggen voor het aansteken van de Jom Tov kaarsen.

&

Daf 35

Uit Daf Yomi Digest van het Chigago Center for Torah & Chesed

Een druppel per keer

De Misjna op onze daf zegt dat men een voorwerp onder een druppelend lek mag zetten, om schade te voorkomen, zelfs op Sjabbat. De Mekor Chaim zt”l verklaart dat dit druppelen de onophoudelijke aard is van het lijden. Men moet van zichzelf een geschikt voorwerp maken om het gestage lijden te verdragen zonder klagen.

Rebbe Aizik’l van Kaliv zt”l leed aan een chronische ziekte die hem chronisch veel pijn veroorzaakte. Toch was hij altijd zeer positief, hoewel het bijna onmenselijk was dat hij die pijnen kon verdragen. Eens vroeg zijn arts hem waar hij die kracht vandaan haalde. De Rebbe antwoordde: „Je moet het zo bekijken: de pijn die geweest is, is voorbij. De pijn die nog komen moet, is er nog niet, dus daar hoef ik mij niet over te bekommeren. En wat zal ik mij druk maken over dit korte momentje van ongemak?”

Hoe leefde de Rebbe met zijn pijn? Een druppel per keer.

&

Daf 36b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Zullen we dansen?

Stel je voor, je bent uitgenodigd voor een maaltijd voor een sjewa berachot op Sjabbat of op een feestdag en iedereen zingt om de chatan en kalla te verblijden. Dan zie je hen opstaan om te dansen en er wordt aan je getrokken om mee te doen. Maar dan herinner je je dat je in de Misjna geleerd hebt, dat onze Geleerden het verboden hebben om op deze heilige dagen te dansen of in de handen te klappen. Dus waarom doen al deze vrome Joden dat dan?

Dan probeer je je te herinneren wat de Gemara gezegd heeft over de reden van deze ban. Wanneer men dansen en handen klappen zou toestaan, zeggen onze Geleerden, zou men ertoe kunnen komen om ook muziekinstrumenten te gaan gebruiken, hetgeen een overtreding is van een Tora-wet.

Nu heb je de sleutel in handen voor het gedrag van je dansende vrienden. Tosafot (op Beitsa 30a) legt uit dat dit decreet van toepassing was in de tijd van de Talmoed, toen veel mensen bekwaam waren in het maken van muziek­instrumenten. In onze dagen echter, waar er maar weinig van dergelijke experts rondlopen, is er geen verbod op dansen en handen klappen.

De Rama haalt in de Sjoelchan Aroech, Orach Chaim 339 deze soepele beslissing van Tosafot aan. Maar de auteur van de Sjoelchan Aroech, de Beit Joseef citeert alleen het verbod van de Misjna, zonder te vermelden of dit in onze tijd al dan niet nog geldt. Daarom durven sommige autoriteiten niet te vertrouwen op de soepele mening van Tosafot, tenzij dat dansen voor een mitswa is, zoals in ons geval (Misjna Beroera 339:10).

Halachische autoriteiten hebben gedurende de afgelopen eeuw zich grote moeite getroost om erop te wijzen dat het zelfs voor een mitswa verboden is om op muziekinstrumenten te spelen op Sjabbat en feestdagen en zeker ook om betrokken te raken bij welke vorm van dansen dan ook, waarbij mannen en vrouwen samen dansen.

(Zie Bé’oer Halacha, ib. en Igrot Moshe, Orach Chaim 2:100).