Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   25 Kislev 5767

Traktaat Rosj Hasjana 2-9 Nr.125 

 DAF-Notities Rosj Hasjana 2a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Rosj Hasjana van de speciale boom

Vier variaties van Rosj Hasjana worden in de opnings misjna van dit trak­taat genoemd. Eén daarvan, de Rosj Hasjana van de boom, is op de vijf­tiende Sjewat volgens Beit Hillel; het is bij ons beter bekend onder de naam Toe [=15] BeSjewat – het Nieuwjaar van de bomen.

Deze datum heeft diverse halachische implicaties, zoals de vaststelling van het begin van het jaar voor het vertienden. Vruchten die vóór Tu BeSjewat een zekere mate van ontwikkeling hebben bereikt, worden niet samen vertiend met vruchten die dat stadium later bereiken. Deze datum bepaalt ook het type tiende dat van toepassing is: ma’aser sjeni (het tweede tiende) geldt voor vruchten van het tweede jaar in de zevenjarige landbouw cyclus, terwijl ma’aser ani (het tiende voor de armen) voor de vruchten van het derde jaar geldt. Het heeft ook effect op de vraag wanneer vruchten van een drie jaar oude boom het stadium van orla hebben gepasseerd. (Of Toe BeSjwat ook het begin van het sjemita-jaar voor fruit markeert, is het onderwerp van een levendig debat tussen de autoriteiten, aangehaald door de Rasjasj, achterin de Gemara.)

Eén van de grote klassieke leiders, Rabbi Zwi Elimelech van Dinov maakt in zijn klassike werk Bnei Jissachar een interessante opmerking: alle dingen die in de mitsjna genoemd worden in verband met de ver­schil­lende Rosj Hasjana-datums – koningen, documenten, feesten, dieren en groenten – staat in het meer­voud. De enige uitzondering daarop is de boom, die in het enkelvoud vermeld wordt.

Dit, zo suggereert hij, is misschien een aanwijzing dat op Toe BeSjewat, het Nieuwjaar van de Bomen, wij ons concentreren op één bepaalde boom, die welke ons de etrog levert voor de mitswa van de vier soorten op Soekot. Er bestaat een traditie, zo merkt hij op, om op die dag te bidden om het voorrecht te verkrijgen om niet alleen een kosjere etrog nog mogen hebben, maar ook een hele mooie. Het is op die dag dat het sap in de fruitbomen opstijgt, en de etrog die iedere Jood verkrijgt, is afhankelijk van zijn persoonlijke verdienste. Het gebed op die dag concludeert hij, „werpt vruchten af” en het is dit gebed waar de misjna op doelt, wanneer het omschakelt van meervoud naar enkelvoud betreffende de bomen.

&

Daf  3a/b

Was Koresj een Jood?

De Misjna zegt dat de eerste Nissan het nieuw jaar voor de koningen is. De Gemara merkt op dat het vaststellen van een vaste begindatum voor regeringen nodig is om antidatering van leencontracten te voorkomen, die in die tijd doorgaans gedateerd waren als in het „zoveelste” jaar van de regering van een bepaalde koning.

Rav Chisda beperkt de bepaling van de Misjna en zegt dat dit alleen geldt voor Joodse koningen, maar dat we voor niet-Joodse koningen het jaar tellen vanaf Tisjri.

Rav Joseef heeft hier problemen mee. Er staat geschreven (Chagai 1:15) dat het volk de bouw aan het Beit HaMikdasj hervatte op de 24ste dag van de zesde maand (Eloel), in het tweede regeringsjaar van Darjaweesj [Darius]. In het volgende vers staat dat op de 21ste dag van de zevende maand (Tisri) van Darius Hasjem aan Chagai vertelde dat de schittering van Het Beit HaMikdasj groter zou zijn dan die van het eerste. Wanneer de regeringsjaren van niet-Joodse koningen in Tisjri beginnen, zou het tweede vers moeten luiden: in de zevende maand van het derde jaar, want Tisri is het begin van het nieuwe jaar!

De Gemara legt vervolgens uit dat Darjaweesj, Artachasjta en Koresj een en de zelfde pesoon was. Hij werd Koresj genoemd omdat hij een rechtvaardige koning was, hij werd Artachasjta genoemd omdat dit de titel voor Perzische koningen was (zoals Farao voor Epytische koningen), maar dat zijn werkelijke naam Darjaweesj (Darius) was.

Rabbi Awahoe legt vervolgens uit dat Koresj een rechtvaardige koning was en dat daarom zijn regering geteld werd vanaf Nisan, zoals bij Joodse koningen, ondanks dat het uit de Gemara duidelijk blijkt dat Koresj een niet-Jood was.

Tosafot verklaart dat Koresj de zoon van Esther was. Dit is te vinden in verschillende midrasjiem.

De voor de hand liggende vraag die dan opkomt is, dat Koresj dan geen niet-Jood maar een Jood was. De Gemara in Jewamot (45b) zegt dat een niet-Jood die samenleeft met een Joodse vrouw en een kind bij haar verwekt, dat dan dit kind Joods is. De Rambam in Hilchot Issoerei Bia (15:3) beslist hetzelfde. Waarom zegt onze Gemara dan dat hij een rechtvaardige niet-Jood was en dat dit de reden is dat zijn jaren geteld werden vanaf Nissan? De Gemara had moeten antwoorden dat Koresj een Jood was en dat daarom zijn jaren geteld werden vanaf Nisan, zoals alle Joodse koningen.

Rasji meent dat een een niet-Jood die samen leeft met een Joodse vrouw en bij haar een kind heeft, dat dit kind een niet-Jood is en dat, als de Gemara zegt dat hij kosjer was, dit betekent dat hij niet als onwettig beschouwd werd. Wanneer het kind als Joods beschouwd zou worden, zou het onwettig zijn, want hij is het product van twee mensen, die niet samen kunnen trouwen.

Rav Eliasjiv Sjlita antwoordt dat in de tijd van Koresj de regeling was dat een kind uit een dergelijke verbindtenis een niet-Jood was, en dat is de reden waarom de Gemara vraagt waarom zijn jaren vanaf Nissan geteld werden. Het was pas nadat de regel werd vastgesteld dat het kind als Jood wordt beschouwd.

Dit is vergelijkbaar met de regeling in de tijd van Boaz. Tot de tijd van Boaz mocht een Amonitische vrouw niet trouwen met een Joodse man. Dat is de reden waarom Ploni Almoni weigerde met Ruth te trouwen. Pas nadat Boaz vaststelde dat zij wel toegestaan was, werd de halacha vastgesteld voor de toekomstige generaties, dat een Amonitische mag trouwen met een Joodse man.

&

DAF-Notities Rosj Hasjana 3b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De verborgen koning

Terwijl hij voor de Perzische koning stond, die hij diende, realiseerde Nechemja zich, dat het lot van Jeruzalems belegerde Joodse gemeenschap, die wanhopig trachtte de stad te herbouwen na de Babylonische bal­ling­schap, afhing van de koninklijke toestemming om tijdelijk verlof te krijgen van zijn post, zodat hij de leiding van die onderneming op zich kon nemen. De presentatie van zijn verzoek wordt aldus beschreven:

De koning zei tegen mij: „Wat is je verzoek?” en ik bad tot de Hemelse G-d. Ik zei tegen de koning: „Wanneer het de koning behaagt en uw dienaar vindt gunst bij u, laat mij dan gezonden worden naar Jehoeda, de stad waar mijn voorouders begraven liggen, zodat ik die kan herbouwen.”

(Nechemja 2:45)

Het gebed voor hemelse assistentie lijkt, op het eerste gezicht op een korte pauze tussen het verzoek van de koning en Nechemja’s antwoord. Maharsja echter, suggereert dat de neerslag van wat Nechemja tegen de koning zei niet het antwoord was aan de Perzische koning, maar de tekst was van zijn gebed tot de Hemel. De koning tot wie hij zijn woorden richtte was de Koning aller Koningen, van wie hij gunst vroeg te verkrijgen in de ogen van de aardse koning.

De bron voor een dergelijke benadering is te vinden in de woorden van een ander groot Joods leider uit die periode tussen de eerste en tweede Tempel. Toen Daniël de droom van Newoechadnetsar, de Koning van Babylon interpreteerde, beschreef hij zo de hemelse gift van de kracht die hem gegeven was:

U, Koning der Koningen, Heer van de Hemelen, een machtig en krachtig koningschap is U gegeven.

(Daniël 26)

Overal waar het woord ‘koning’ gebruikt wordt in het boek Daniël, zeggen onze Geleerden (Sjewoe’ot 35b), slaat dat op een aardse vorst, behalve in deze passage. Daniël legde de verwaande wereldveroveraar uit dat het de Koning der Koningen was, de Heer van de Hemelen, die hem dit machtige koninkrijk had gegeven en die hem een boodschap in zijn droom had gestuurd dat dit koninkrijk, deze Joodse ballingschap, zou plaats maken voor andere, totdat het Koninkrijk van de Hemel uiteindelijk op aarde gevestigd zou worden.

&

DAF-Notities Rosj Hasjana 6b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Een onderpand op tijd teruggeven

Wanneer in de tijd van het Beit HaMikdasj iemand verplicht was om een offer te brengen, hetzij een zondoffer, hetzij ter vervulling van een gemaakte belofte, dan moest hij ervoor zorgen dat hij zijn offer gebracht had, voordat drie feesten [Pesach, Sjawoe’ot en Soekot] voorbij waren, ten einde de overtreding van het verbod op bal-te’acheer [stel niet uit] te vermijden.

De Tora-verzen (Dewariem 23:22 en 24) waar deze regel genoemd wordt, bevatten ook de noodzaak om uitstel te vermijden van het vervullen van een eed, om liefdadigheid te geven aan de armen. Men zou hieruit kunnen opmaken dat de ‘deadline’ van de drie feesten ook voor liefdadigheid geldt. De Geleerde Rawa echter, verklaart dat men verplicht is deze belofte van liefdadigheid onmiddellijk te vervullen, omdat de armen onmiddellijk overal voor ons staan. Drie verschillende oplossingen voor dit probleem worden door onze vroege commentatoren naar voren gebracht:

Tosafot maakt onderscheid tussen een situatie waarin er arme mensen aanwezig zijn, die de liefdadigheid in ontvangst kunnen nemen en de situatie waarin dat niet het geval is. In het eerste geval moet men onmiddellijk de liefdadigheid verdelen, terwijl men in het tweede geval niet naar armen hoeft te zoeken die het in ontvangst kunnen nemen, totdat drie feesten voorbij zijn.

De Rasjba (Rabbi Sjlomo ben Aderet) beweert dat er geen verschil is tussen beide gevallen, maar dat het verschil zit in de aard van de overtreding. Zelfs als arme mensen aanwezig zijn, dan heeft degene die het heeft nagelaten om zijn belofte onmiddellijk na te komen, het positieve gebod overtreden, maar hij is dan niet schuldig aan overtreding van het verbod op bal-te’acheer, totdat de drie feesten voorbij zijn.

De Ran (Rabbeinoe Nissiem) verwerpt beide benaderingen. Wanneer er armen aanwezig zijn, die de liefdadigheid in ontvangst kunnen nemen en men laat het na om zijn belofte waar te maken, dan heeft men inderdaad het verbod op bal-te’acheer overtreden, maar men is dan niet verplicht naar armen te zoeken, zelfs niet als de drie feesten voorbij zijn.

Het is deze laatste mening die de Sajoelchan Aroech (Joree De’a257:3) aanhaalt.

&

DAF-Notities Rosj Hasjana 9b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De vrijheidsbel

„Je zult vrijlating uitroepen in het land en voor al zijn bewoners.”

Ieder die de Amerikaanse geschiedenis bestudeerd heeft, weet dat deze woorden gegraveerd staan in de Liberty Bell in de Independence Hall in Philadelphia. Maar voor Joden is het een gebod uit de Choemasj (Wajjikra 25:10) om (met een sjofar en niet met een bel) dror – vrijheid – aan te kondigen voor de Hebreeuwse slaven, wanneer het Jowel (jubel-) jaar is aangebroken.

De etymologische discussie over hoe dror vrijheid kan betekenen, biedt een fascinerend inzicht in de definitie van Tora van de essentie van vrijheid. Het woord dar betekent letterlijk wonen. Vrijheid is daarom gedefiniëerd als iemands ongeremde mogelijkheid om te wonen waar hij wil en om zijn waren in ieder land dat hij verkiest, te verkopen. Een slaaf is gebonden aan het gebied waar zijn meester wil dat hij zijn diensten verricht, en de resultaten van zijn arbeid vormen het inkomen van zijn meester. In het Jowel-jaar wordt deze geografische en economische hindernis opgeheven, zodat hij dan ware vrijheid verkrijgt.

Door de eeuwen heen hebben we totalitaire regimes leren kennen, die hun burgers knechtten, niet met fysieke ketenen van de slavernij, maar met beperkingen van hun recht om vrij te reizen. De Joodse „refuseniks” in het voormalige Communistisch Rusland en inwoners van sommige andere onderdrukkende regimes zijn moderne voorbeelden van mensen wie het recht om te emigreren naar het land van hun keuze onkend werd, resp. nog steeds wordt en zij zijn daarom in feite gevangenen te noemen.

Men kan zeker zeggen tot eer van de democratische traditie van de Verenigde Staten, dat het de boodschap van de vrijheid, zoals die in de Liberty Bell geschreven staat, is nagekomen door nimmer de vrijheid van het reizen van zijn wetsgetrouwe burgers te belemmeren. Israël, de enige werkelijk democratische staat in het Midden Oosten en het land waar die vrijheid voor het eerst duizende jaren geleden in praktijk werd gebracht, kan er trots op zijn dat het deze zelfde traditie heeft.

&