Hearot

HaDaf HaJomi

Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

8 Kislev 5767    Traktaat Rosj Hasjana 18-24      Nr. 127

 Archief

Rosj Hasjana 18a

Acht of negen dagen Chanoeka

De Misjna zegt dat er zes keer per jaar aan het begin van de maand boodschappers werden uitgestuurd om de Joodse gemeenschappen te laten weten wanneer de eerste dag van de nieuwe maand is. Ze werden uitgezonden in de maand Nissan wegens Pesach; aan het begin van Av wegens de vasten van Tisja Be’Av; in de maand Eloel wegens Rosj Hasjana; aan het begin Tisjri wegens Jom Kippoer en Soekot; begin Kislev wegens Chanoeka en in de maand Adar wegens Poeriem.

Het sefer Poteach Sja’ar vraagt: wanneer boodschappers nodig waren in de maanden Kislev en Adar wegens Chanoeka en Poeriem, moet er dan niet een halacha zijn, dat men in ver weg gelegen plaatsen, waar de boodschappers niet op tijd konden komen, een extra dag Chanoeka en Poeriem houdt vanwege de twijfel? Dat is immers de reden dat andere feesten een extra dag hebben buiten het Land Israël. Er zouden eigenlijk negen dagen Chanoeka moeten zijn en twee dagen Poeriem in de diaspora!

Aboedraham schrijft dat dit alleen nodig is voor Bijbelse feesten, maar dat wij deze strengheid niet hebben voor Chanoeka en Poeriem, die alleen maar mid’Rabbanan zijn.

De Mordechai zegt dat in de Megilla geschreven staat: „Welo ja’awor”, d.w.z. dat de megilla niet gelezen mag worden op een andere dag dan de veertiende Adar. Maar Sefer Doveev Mésjariem (1:15) vraagt hierop dat dit alleen geldt voor het lezen van de megilla, maar niet voor de overige verplichtingen van Poeriem.

Minchat Chinoech schrijft dat in de dagen dat Rosj Chodesj werd vastgesteld door middel van getuigen en het Beit Din, er in werkelijkheid  negen dagen Chanoeka waren in de ver weg gelegen plaatsen. Hij stelt verder dat in de toekomst, wanneer het Beit HaMikdasj herbouwd is, er ook negen dagen Chanoeka zullen zijn. Maar nu, dat wij experts zijn in het correct vaststellen van de nieuwe maan, is er geen noodzaak om een extra dag in te stellen voor een feest dat alleen maar door de Rabbijnen is voorgescheven.

We kunnen nu een antwoord geven op de beroemde vraag van de Beit Joséf volgens de Minchat Chinoech. Hij vraagt waarom er acht dagen Chanoeka zijn, terwijl zeven dagen genoeg zouden zijn, want het wonder van de olie duurde maar zeven dagen, niet acht. Er was immers in het kruikje genoeg olie voor één dag. We kunnen antwoorden dat de achtste dag er is vanwege de twijfel wanneer het Rosj Chodesj is.

Rosj Hasjana 19a

Vasten op de dag voor Poeriem (door het Ruben Shas Kollel)

De Gemara vermeldt dat met de verwoesting van de Tempel, de lijst van mini-feestdagen, waaruit de Megilat Ta’aniet was samengesteld, geannuleerd werd, behalve de feestdagen Chanoeka en Poeriem. De Risjoniem merken op dat de conclusie van de Gemara gezien moet worden tegen de achtergrond  van de Gemara in traktaat Ta’aniet (18a)[1], waar Rabbi Jochanan en Sjmoeël met elkaar van mening verschillen over de status van de dagen vóór en na de mini-feestdagen die in Megillat Ta’aniet genoemd worden. Rabbi Jochanan zegt dat vasten verboden is op de dag vóór en de dag na iedere feestdag. Hoewel Sjmoeël het daar niet mee eens is, is in het algemeen de halacha volgens Rabbi Jochanan tegen Sjmoeël. Waarom is vasten dan wel toege­staan op Ta’aniet Ester, de dag vóór Poeriem, wanneer onze Gemara leert dat de feestdagen Poeriem en Chanoeka niet opgeheven werden en in het algemeen vóór en na feestdagen niet gevast mag worden? Op deze vraag zijn verschillende antwoorden gegeven.

Tosafot en Ritva verklaren dat aangezien Megillat Ta’aniet opgeheven is, behalve voor Chanoeka en Poeriem, wij in dit geval soepel zijn, volgens Sjmoeël, en vasten toestaan vóór en na deze dagen.

Rabbeinoe Tam (zie Rosj, Megilla 1:1) legt uit dat Ta’aniet Ester was vastgesteld als een vastendag, samen met de herdenking van het Poeriemfeest. We vasten op die dag als een teken van solidariteit met hen die ten strijde trokken in een geest van tesjoewa en gebed tegen onze vijanden op dat moment van nationaal ge­vaar. Daarom is Ta’aniet Ester geen voorbeeld van een toegestane vasten op een dag vóór een in Megillat Ta’aniet genoemde feestdag.

De Ran schrijft dat de dertiende Adar niet alleen de dag voor Poeriem is, maar het was ook Jom Nikanor (zie Ta’aniet 7a), die in Megillat Ta’aniet genoemd werd en op die dag was het dus verboden te vasten. Nadat de voornaamste reden van het verbod om te vasten op de dertiende Adar als Nikanor-dag was opgeheven met de opheffing van Megillat Ta’aniet, werd het toegestaan op die dag te vasten en daarom had het geen zin om opnieuw daarop een verbod in te stellen wegens Poeriem.

--------------------------

[1]. Let op: traktaat Ta’aniet is een traktaat in de Babylonische Talmoed, Megillat Ta’aniet was een lijst van mini-feestdagen.


 

Rosj Hasjana 21a

De Joodse kalender (Door het Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak)

Traktaat Rosj Hasjana beschrijft uitgebreid hoe het Beit Din de nieuwe maand inwijdde, gebaseerd op getuigen die de nieuwe maan hadden gezien. Tegenwoordig hebben we geen Beit Din meer dat bevoegd is om getuigenis hierover te ontvangen en een nieuwe maand uit te roepen. Wij maken nu gebruik van een kalender, waarin de maanden en jaren gestandaardiseerd zijn, gebaseerd op een variëteit van halachische principes (zie Rambam, Hilchot Kiddoesj HaChodesj hfd. 6-8; Toer O.C. 427-428). We kunnen voorspellen wan­neer de nieuwe maan te zien zal zijn, gebaseerd op de principes die aan onze Geleerden bekend zijn.

Wanneer kwam deze kalender voor het eerst in gebruik? De Gemara vertelt ons dit niet expliciet. Rasjba (Tesjoewot IV:254) schrijft: „We hebben een traditie dat dit systeem werd ingesteld door Hillel, de zoon van Rabbeinoe Hakadosj (Rabbi Jehoeda Hanassi). Maar ik ken geen bron van deze traditie.” Kennelijk staat er een drukfout in onze uitgave van de Rasjba, want de Hillel die hij noemt was niet de zoon van Rabbi Jehoeda HaNassi, maar hij was een nakomeling van Rabbi Jehoeda HaNassi, die vele generaties later als Nassi functioneerde. (Tesjoewot Tasjbaz, Machon Jeroesjalajim, p. 413, noot 34. De positie van Nassi werd vervuld door Hillel de Oude, Rabbi Jehoeda HaNassi en de latere Hillel die de kalender ontwikkelde. De Nassiïem waren nakomelingen van David HaMelech, en oefenden zowel politiek als spiritueel leiderschap uit over het Joodse volk in Eretz Jisrael, zelfs nadat de Koningen van Jehoeda ont­troond waren).

De vroegste bron die wij kunnen vinden, waarin de ontwikkeling van de kalender aan Hillel wordt toege­schreven, zijn de geschriften van R. Awraham ben R. Chia HaNassi, een van de vroege Risjoniem, die voornamelijk bekend is van zijn seforiem over astronomie. In een van zijn werken, Sefer Ha’Ibboer (3:7) citeert hij Rav Hai Gaon, die schrijft dat de Joodse kalender was ontwikkeld door Hillel in het jaar 4119 (358/359 van de G.J.). De Ramban (Sefer HaZechoet op Gittin 36a) schrijft hetzelfde. Hij verklaart dat in die tijd het Sanhedrin in Erets Jisraël was ontbonden en dat er geen rechters meer ingewijd werden om de nieuwe maand uit te roepen op grond van verklaringen van getuigen. Daarom ontwierp Hillel een kalender, die door alle toekomstige generaties gebruikt zou kunnen worden totdat het Sanhedrin hersteld zou worden.

De Rambam (Hilchot Kiddoesj HaChodesj 5:3) schrijft dat dit samenvalt met het einde van het tijdperk van Abbajjé en Rawa (die overleden in de jaren 4098, resp. 4113, volgens Iggeret Rav Sherira Gaon). We vinden in de Gemara dat in de tijd van Abbajjé en Rawa de nieuwe maand nog werd vastgesteld op basis van getuigen. Op onze daf staat dat Rawa in een zeker jaar onzeker was op welke dag Jom Kippoer viel. In Ta’aniet (29b) staat dat Tisja BeAv in de tijd van Abbajjé in een zeker jaar op Erev Sjabbat viel (iets wat onmogelijk is volgens de kalender van Hillel – zie Or Sameach op de Rambam, ibid). Spoedig daarna kwam de kalender in gebruik.

De autoriteit van Hillels kalender. De eerste mitswa die Hasjem aan Mosjé Rabbeinoe gaf was de mitswa van kiddoesj hachodesj, waarbij het Beit Din de nieuwe maand inwijdt op basis van het zichtbaar worden van de nieuwe maan. Daarmee worden de datums van de feestdagen van die maand vastgelegd. Met andere woorden, de Tora verleent autoriteit aan het Beit Din om de datums van Rosj Chodesj en Jom Tov vast te stellen. Welke autoriteit heeft de kalender van Hillel om deze datums vast te stellen? Waaruit leren wij dat de Rosjei Chodasjiem en Jamiem Towiem voor de komende duizende jaren konden worden vastgesteld op basis van Hillels vooruitziendheid en dat de Tora zijn voorspellingen als halachisch geldig erkent?

De Rambam schrijft dat aan Mosjé Rabbeinoe twee verschillende manieren van inwijding van de nieuwe maand waren toevertrouwd. Zolang het Sanhedrin actief was, zouden zij de nieuwe maand inwijden op basis van getuigenverklaringen. Wanneer het Sanhedrin was opgeheven, zouden de maan-maanden worden vastgesteld op basis van een praktisch systeem, waarbij het maanjaar en het zonnejaar met elkaar in overeenstemming zou worden gebracht. Het was hierop dat Hillel zijn kalender baseerde. (De Rambam schrijft daar en in Sefer HaMitswot Gebod nr. 153 dat alleen het Beit Din in Erets Jisraël de autoriteit heeft om Rosj Chodesj vast te stellen. Daar Hillel de Nassi was van Erets Jisraël, waren zijn beslissingen bindend. Zie ook Mesech Chochma Parasjat Bo).

De Ramban is het niet eens met de Rambam en meent dat Mosjé alleen instructies kreeg om de nieuwe maand in te wijden door een Beit Din.

Hillels kalender was gebaseerd op een aantal halachische principes, waaronder „molad zakeen bal tidrosj – d.w.z. roep geen nieuwe maand uit op basis van een oude maan, die pas ’s middags gezien werd: dan is de volgende dag pas Rosj Chodesj.

Waren deze principes aan Mosjé Rabbeinoe gegeven op Har Sinai, met de specifieke instructie dat zij in de kalender zouden worden opgenomen als het Sanhedrin zou worden opgeheven? Of kreeg Mosjé alleen algemene instructies om een kalender samen te stellen die aan de gestelde eisen zou voldoen (namelijk dat Pesach in het voorjaar moet vallen, enz.), en waren de specifieke details overgelaten aan de Geleerden van de latere generaties, om die te ontwikkelen waar nodig?

De Brisker Rav meent dat zelfs de specifieke details voor de kalender aan Mosjé Rabbeinoe gegeven waren op Har Sinai (Chiddoesjei Maran Riz HaLevi: Kiddoesj HaChodesj, Joma, Soeka p.8). De Chazon Iesj is het daar niet mee eens en meent dat Mosjé alleen de algemene instructie om een werkbare kalender te maken gekregen heeft en dat de details werden open gelaten voor Geleerden van latere generaties (zie Chazon Iesj O.Ch. 140:3).

Hillels kalender werd geautoriseerd door zijn Beit Din. Volgens de Ramban, die meent dat Mosjé alleen instructies kreeg om de nieuwe maand door een Beit Din in te wijden, werd de kalender van Hillel geau­to­riseerd door zijn eigen Beit Din, waardoor die bindend werd voor alle toekomstige generaties. Zij voorzagen en heiligden alle toekomstige maanden totdat het Sanhedrin weer zou worden geïnstalleerd. Indien nodig kan een Beit Din de datum van het begin van een maand lang van te voren vaststellen.

Rosj Hasjana 22a-b

Het complot van de Beitoesiem

De Misjna zegt dat als het Beit Din inJeuzalem de getuigen niet kent, het Beit Din in de woonplaats van de getuigen iemand met hen mee stuurt (en die het Beit Din in Jeruzalem wel kent) om te getuigen over de betrouwbaarheid van de getuigen. Oorspronkelijk accepteerde het Beit Din iedere Jood als getuige, maar toen de Beitoesiem (die zich wel aan de Geschreven Tora hielden maar die de Mondelinge Leer en de Geleerden minachtten) de procedure van de heiliging van de nieuwe maand begonne te saboteren door valse getuigenissen af te leggen, besloten de Geleerden dat het Beit Din alleen de getuigenis van bekende getuigen zou accepteren.

De Gemara vertelt hoe de Beitoesiem trachtten het Beit Din ertoe te verleiden om een verkeerde dag als Rosj Chodesj uit te roepen. Zij huurden twee valse getuigen, om te verklaren dat zij de nieuwe maan op de avond van de dertiende gezien hadden. Zij wisten niet dat een van de twee „getuigen” niet loyaal was aan hun geloof. De beide getuigen kwamen bij het Beit Din en de ene Beitoesi gaf zijn getuigenis en vertrok. De tweede verklaarde dat hij in Ma’alé Adoemiem gewandeld had en daar de maan gezien had, gehurkt tussen twee rotsen, met een hoofd als een kalf, met oren als een jonge geit, met horens als een hert en met z’n staart tussen zijn poten. Hij vertelde verder dat toen hij naar de maan staarde, hij geschrokken was en ach­terover gevallen was. Vervolgens toonde hij het Beit Din de tweehonder zoez die hij gekregen had om een valse getuigenis af te leggen. Hij vertelde het Beit Din dat toen hij hoorde dat de Beitoesiem naar valse ge­tuigen zochten, hij zich vrijwillig aangeboden had om hun complot te saboteren. Het Beit Din zei hem dat hij de tweehonderd zoez mocht houden als een cadeautje en dat degenen die hem hadden gehuurd gegeseld moesten worden. Het was toen dat de Chachamiem besloten alleen bekende getuigen te accepteren.

Rasji zegt daar, dat hoewel de getuige niet aan zijn verplichting om vals te getuigen voldaan had, Chazal hem niettemin het geld lieten houden, op basis van hun bevoegdheid om iets hefker [zonder eigenaar] te verklaren. Dit betekent dat als de getuige zijn overeenkomst was nagekomen en een valse verklaring had afgelegd, hij betaling voor zijn diensten had kunenn eisen. Met andere woorden, als Re’oeween Sjim’on huurt om vals te getuigen, dan heeft Sjim’on recht op betaling, ondanks het feit dat hij gehuurd was om een overtreding te begaan. Hetzelfde geldt voor iemand die gebruik maakt van de diensten van een zona. Hij moet haar betalen, hoewel het een verboden activiteit betreft. Maar dit geldt niet als men iemand huurt om iets te stelen. Het gestolene moet en kan teruggegeven worden aan de rechtmatige eigenaar en dan is er geen voordeel voor de opdrachtgever van de dief, maar de genoten diensten van een zona zijn onomkeer­baar. (Door Ruben Shas Kollel)

Rosj Hasjana 23a

Een extra rustdag (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Voordat Hillel zijn kalender samenstelde, stelde het Sanhedrin in Erets Jisraël het begin van de nieuwe maand vast, gebaseerd op de verklaring van twee betrouwbare getuigen, die de nieuwe maan gezien hadden, zoals we al geleerd hebben. Maar om dat bericht aan de Joodse gemeenschap in Babylonië door te geven, was een probleem. Aanvan­ke­lijk gebeurde dat met behulp van vuren die op bergtoppen werden ontstoken en die op de volgende bergtop gezien en weer doorgegeven werden, totdat men het bericht in Babylonië had ontvangen. Deze praktijk raakte in moeilijkheden toen de aanhangers van Zoroaster, die het vuur aanbaden, hier problemen over maakten. Daarna werden er boodschappers op uitgestuurd.

Het vuursignaal werd alleen gebruikt als Rosj Chodesj op de 30ste dag na het begin van de vorige maand werd uitgeroepen. In zo’n geval werd het signaal uitgezonden op de avond volgend op die 30ste dag. Wanneer het Sanhedrin het echter toestond dat de maand „vol” zou zijn, d.w.z. 30 dagen zou tellen, zodat Rosj Chodesj op de 31ste dag vanaf het begin van de vorige maand zou vallen, dan werd er geen signaal gegeven. Iedereen zou uit de afwezigheid van een signaal begrijpen dat het die dag Rosj Chodesj was.

De Gemara verklaart waarom geen signalen werden uitgezonden wanneer Rosj Chodesj op een „volle maand” volgde. Dit was om de verwarring te voorkomen die zou ontstaan wanneer Rosj Chodesj op vrijdag zou zijn uitgeroepen en men ’s avonds geen vuursignaal kon uitzenden wegens Sjabbat. Als men dan de volgende avond, motsaei Sjabbat het signaal zou uitzenden, zou het onduidelijk zijn of dit het uitgestelde signaal van vrijdag was en Rosj Chodesj na 29 dagen was vastgesteld, of dat het na 30 dagen op Sjabbat was vastgesteld. Door geen signalen uit te zenden na een volle maand, was men er zeker van dat als men op motsaei Sjabbat een signaal ontving, dat het vrijdag Rosj Chodesj was geweest.

Maar, vraagt de Gemara, waarom beperkte men de signalen niet tot  een Rosj Chodesj na een volle maand? Als Rosj Chodesj zou worden vastgesteld op vrijdag, na 29 dagen en geen signaal werd uitgezonden, dan zou het volk automatisch begrijpen dat Rosj Chodesj op een niet complete maand volgde. De Gemara antwoordt, dat het volk dat op het signaal wachtte op de avond na de dertigste dag, twee dagen Rosj Chodesj zou moeten houden, want misschien was de 30ste dag van de vorige maand Rosj Chodesj en daar­om hadden zij geen signaal ontvangen en misschien was het de 31ste dag, en zou die avond het signaal komen.

Rasji verklaart wat de gevolgen hiervan zouden zijn voor Rosj Hasjana, wanneer er daardoor een extra feestdag gehouden zou moeten worden, hetgeen arbeidsverlies zou opleveren. Tosafot echter zegt dat dit voor ieder maand gold. Het was immers de gewoonte om niet te werken op Rosj Chodesj. Rosj Chodesj was aan de vrouwen als een feestdag gegeven, waarop zij waren vrijgesteld van arbeid, als beloning voor het feit dat zij hun sieraden niet hadden afgestaan voor het gouden kalf.