Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 15 Tewet 5767

Traktaat Rosj Hasjana 25-31 Nr. 128

Rosj Hasjana 25b

Staan voor Kiddoesj Hachodesj (Door het Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak)

Op de Sjabbat die aan Rosh Chodesj vooraf gaat, ‘Sjabbat Mewarchiem’, is het de gewoonte om de nieuwe maand te zegenen. Voordat dit gebeurt, roept de chazzan  de dag om waarop Rosj Chodesj zal vallen. Het is de gewoonte om te staan als de chazzan dit aankondigt. De Mageen Awraham (O.Ch. 417:1) legt uit dat net zoals kiddoesj hachodesj in het Beit Din staande gedaan werd, zo ook staan wij wanneer we de nieuwe maand zegenen.

Rabbi Akiwa Eiger vraagt in zijn aantekeningen op de Sjoelchan Aroech (ibid.) waar staat geschreven dat het Beit Din stond bij de kiddoesj hachodesj. De gemara zegt dit nergens expliciet in heel de Sjas. Integendeel, onze Misjna impliceert juist dat zij zaten. De Misjna vertelt dat als de rechters van het Beit Din zelf de nieuwe maan hadden gezien, dan fungeerden twee van hen als getuige en twee andere rechters moesten zitten op hun plaats. Hieruit lijkt het alsof het Beit Din zat, wanneer het de nieuwe maan inwijdde.

Er zijn verschillende verklaringen gesuggereerd om de Mageen Awraham te verdedigen. Rabbi Moshe Feinstein zt”l (Igrot Moshe O.Ch. I, 142) legt uit dat de Mageen Awraham het niet had over het Beit Din, dat in feite zat, maar dat hij het had over de andere mensen die aanwezig waren bij de ceremonie van de kiddoesj hachodesj.

Nadat het Beit Din de getuigen degelijk had ondervraagd, en nadat zij tevreden waren dat de nieuwe maan inderdaad gezien was, wijdde het hoofd van het Beit Din de nieuwe maand in met de verklaring: „Mekoedasj! – Hij is geheiligd!” De overige aanwezigen antwoordden dan: „Mekoedasj, mekoedasj!” (Rosj Hasjana 24a).

Een mitswa van Tora. R. Moshe Feinstein voegt daaraan toe dat het absoluut essentiëel is dat het hoofd van het Beit Din mekoedasj uitroept, want anders kan de nieuwe maand niet beginnen. Het antwoord echter van de overige aanwezigen, mekoedasj, mekoedasj is niet essentiëel. De nieuwe maand begint toch, ook zonder hun. Niettemin vervullen zij een possitief gebod van Tora met hun antwoord, zoals de Gemara (ibid.) leert van de psoekiem.

Tegenwoordig, nu de nieuwe maanden niet meer worden ingewijd door het Beit Din, hebben we niet meer de mitswa om mekoedasj, mekoedasj te zeggen. Daarom, ter nagedachtenis aan deze mitswa, is het de gewoonte om op Sjabbat Mewarchiem aan te kondigen wanneer Rosj Chodesj valt, en die te zegenen. Het Sjabbat Mewarchiem-gebed komt niet overeen met de ondervraging van de getuigen en de beslissing van het Beit Din (hetwelk het Beit Din zittend uitvoerde). Maar het komt overeen met het antwoord van de omstanders, mekoedasj, mekoedasj.

Staan als men mitswot doet. R. Moshe schrijft verder dat het publiek stond als het mekoedasj, mekoedasj antwoordde, om twee redenen. Ten eerste wordt het beschouwd als een vertoon van respect voor het Beit Din, en zeker als men in aanwezigheid is van het Beit Din HaGadol in Jeroesjalajiem¸ waar de grootste Tora-Geleerden van Klal Jisraël verzameld waren. En voorts is het gepast om te staan als men een mitswa doet, net zoals men staat als men met de loelav schudt.


Rosj Hasjana 26b

Klaar voor de rit (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

„Werp je jichov op Hasjem en Hij zal je onderhouden,” zegt David HaMelech in Tehilliem 55:23. Een ongewoon woord, jihov en de betekenis daarvan ontging de Rabbijnen lange tijd. Totdat op een dag de Geleerde Rabba bar Bar Chana samen met een koopman reisde, die een kameel leidde met koopwaar op zijn rug. De koopman zag de Geleerde worstelen met zijn eigen bagage en zei: „ Neem je jihov en leg het op mijn kameel.” Het werd toen duidelijk dat David HaMelech ons adviseerde de last van onze behoeften op Hasjems „wagen” te leggen.

Het verhaal wordt verteld van iemand die worstelde met zijn zware bagage op een buitenweg, toen een wagen langs kwam en de wagenvoerder hem een lift aanbood. Hij accepteerde dat blij, maar hield zijn bagage in zijn hand. De verbaasde wagenvoerder vroeg hem waarom hij zijn bagage niet op de vloer van de wagen zette. Onze reiziger antwoordde dat hij al erg dankbaar was voor de lift, waardoor hem de moeite van het lopen gespaard werd, maar dat hij zijn edelmoedige gastheer niet nog verder tot last wilde zijn, door ook nog zijn bagage op de vloer te zetten.

Wij reageren op Hasjem op dezelfde dwaze manier. We zijn volkomen afhankelijk van Zijn goedheid voor wat betreft ons leven, gezondheid en al de fundamentele benodigdheden van het bestaan. Maar wanneer het gaat om de bagage, zoals ons levensonderhoud, dan hebben we plotseling het gevoel dat dit alleen maar van onszelf afhangt.

David HaMelech herinnert er ons aan, dat Hasjem je iedere minuut van de dag een gratis rit aanbiedt, dus wees geen dwaas om je bagage – je parnassa (levensonderhoud) zelf te willen vasthouden. Leg het ook in de wagen van Hasjem en Hij zal je zeker helpen je te onderhouden.


Rosj Hasjana 27b

Op twee sjofars tegelijk blazen (Door het Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak)

Hoe zou de halacha zijn als een geschoolde sjofar-blazer twee sjofars tegelijk in zijn mond zou houden en op allebei tegelijk zou blazen? Zouden hij, en de mensen die het van hem hoorden, hun plicht gedaan hebben?

Een schijnbaar bewijs kan van onze soegia gebracht worden, dat zij inderdaad niet aan hun verplichting hebben voldaan. De Gemara vertelt ons, dat als iemand een sjofar binnen in een andere sjofar stopt en dan op de binnenste sjofar blaast, dat dan, als hij de het geluid van de binnenste sjofar hoort, hij zijn plicht gedaan heeft. Maar als hij het geluid van de buitenste sjofar hoort, dan heeft hij niet zijn plicht gedaan. De Rosj legt uit dat als de binnenste sjofar langer is dan de buitenste, dan hoort men het geluid van de binnenste direct. Maar als de binnenste sjofar niet langer is dan de buitenste sjofar, dan hoort men zijn geluid alleen als het vibreert tussen de twee sjofars. Daar dit het geluid van twee sjofars is en niet van één, is het ongeldig. De Tora gebiedt ons namelijk te luisteren naar het geluid van één enkele sjofar (Tosafot s.v. iem kol; Rosj).

Hieruit lijkt het dat men zijn plicht niet doet als men het geluid van twee sjofars tegelijk hoort. Echter, verdere overweging onthult een verschil tussen beide gevallen. In het geval van de Gemara werd het geluid dat men hoort niet geproduceerd door één sjofar. Het werd geproduceerd door het vibreren van twee sjofars tegelijkertijd. Dit geluid is ongeldig. In het geval dat wij hierboven suggereerden, worden twee verschillende geluiden apart geproduceerd. Ieder apart is kosjer en misschien zijn zij beide ook kosjer?

Niettemin beslist de Halachot Ketanot (Tesjoewot II:275) dat zelfs in dit geval men niet zijn plicht heeft gedaan. Wij zijn verplicht om de mitswa met één sjofar te doen. Hij voegt daaraan toe dat hetzelfde geldt voor de mitswa van loelav. De Tora gebiedt ons één loelav te schudden. Wanneer iemand tegelijkertijd twee loelaviem schudt, dan doet hij niet zijn plicht. (Deze beslissing wordt aangevochten door andere poskiem. Zie Minchat Chinoech 324:3).

Echter, de Halachot Ketanot merkt op dat als iemand de bedoeling had om maar met één van beide sjofars zijn plicht te doen, en hij negeert het geluid van de andere sjofar, misschien doet hij dan wel zijn plicht. In zo’n geval is de mitswa gedaan met slechts één sjofar en de andere sjofar wordt in het geheel niet meegerekend voor de mitswa: hij is niet anders dan een willekeurige trompet. Als iemand een loelav zou schudden voor de mitswa, terwijl hij een andere loelav in zijn hand houdt, zonder de bedoeling te hebben dat die ook een deel van de mitswa is, dan zou hij aan zijn verplichtingen voldaan hebben.

Echter de Misjna Beroera (586:81) vergelijkt het tegelijkertijd blazen op twee aparte sjofars met het blazen op een sjofar binnen een andere sjofar. Hij verwerpt het onderscheid dat wij hierboven gesuggereerd hebben. (Dit punt is het onderwerp van debat tussen de Riwasj en de Tasjbats. Zie Tesjoewot Tasjbats III:325). Volgens de Misjna Beroera is het toch ongeldig, ook al had men de bedoeling om zijn plicht te doen met slechts één sjofar.


Rosj Hasjana 30b

Sjier Sjel Jom bij mincha

Het blijkt duidelijk uit onze Gemara dat de Levieten ook een sjira [lied] zongen bij het korban tamied [dagelijks offer] in de middag. De Maharam Alsjiech vraagt zich af waarom wij dan nu niet ook een sjier sjel jom [lied van de dag] bij mincha zeggen, zoals wij dat ’s ochtends zeggen. Hij antwoordt dat aangezien de regel geldt dat als de Levieten de sjira ’s middags niet zingen, het korban passoel is, men niet kon instellen dat wij, die geen korban kunnen brengen, de sjier moeten zeggen (in de ochtend is het niet onontbeerklijk).

De Mageen Awaham (132:14) geeft twee antwoorden. Ten eerste citeert hij Tosafot, die zegt dat als de plengoffers van de middag niet voor de avond gebracht waren, zij nog de hele nacht geofferd konden worden, maar dat de sjira dan niet meer gezongen kon worden, want ze zongen ’s avonds niet. Daar het soms in het Beit HaMikdasj gebeurde dat men ’s middags geen sjira zong (wanneer de nesachiem verlaat waren en waren uitgesteld tot de avond), hebben de Chachamiem geen sjira ingesteld voor onze mincha-dienst.

Het tweede antwoord dat hij geeft, is dat de halacha was, dat nadat het korban tamied op het mizbeach [altaar] was geofferd, men geen sjira meer zong. De sjira werd alleen gezongen voordat het korban tamied voltooid was. De Geleerden konden niet instellen dat wij de sjier sjel jom na mincha zouden zeggen, daar mincha correspondeert met het korban tamied van de middag en na het offer kon niet meer gezongen worden.

De Chatam Sofer (4b) antwoordt dat er twee redenen zijn waarom wij tegenwoordig nog de parasja van de korbanot en de awodot [diensten] zeggen die in het Beit HaMikdasj werden gedaan. Ten eerste zeggen we deze afdelingen wegens het vers dat zegt dat onze lippen nu beschouwd worden als de offers. Maar er is nog een reden. Het zeggen van deze tefillot is een aanwijzing voor onze wens en verlangen naar de herbouw van het Beit HaMikdasj in onze tijd. ’s Ochtends hebben we deze tweede verklaring in gedachte. De halacha is dat het mizbeach alleen wordt ingewijd met het offer van het namiddag tamied. Zelfs al zou het Beit HaMikdasj vandaag herbouwd zijn, dan nog zouden wij niet instaat zijn om vandaag het ochtend tamied te brengen. Onze primaire kawana [intentie] in de ochtend is dat onze tefillot geaccepteerd worden, alsof het offers waren. Maar in de middag moet de primaire kawana een uiting van het verlangen zijn om het Beit HaMikdasj spoedig herbouwd te zien en als het Beit HaMikdasj op dat moment herbouwd zou worden (en dat is waaraan wij moeten denken), dan zou er geen sjira gezongen worden, want de Beit Joséf (51) bepaalt dat in de tijd van het Derde Beit HaMikdasj er geen sjira zal gezongen worden (behalve mizmor letoda – een dankgebed). Dit is de reden waarom we bij mincha geen sjier sjel jom zeggen, want het verhindert ons te juiste kawanot te hebben.


Rosj Hasjana 31b

Zonder schoenen in de synagoge (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Waarom doen de kohaniem hun schoenen uit voordat zij het platform voor de Aron Hakodesj [de Heilige Ark] opgaan om de gemeente te zegenen?

De verplichting om hun schoenen uit te doen is één van de negen verordeningen van Rabbi Jochanan ben Zakkai die onze Gemara opnoemt. De reden voor deze verordening wordt hier niet genoemd, maar Rasji verwijst naar een andere bron, traktaat Sota 40a.

Daar veronderstelt de Gemara aanvankelijk dat de kohaniem hun schoenen moesten uitdoen uit respect voor de gemeenschap. Daar de kohen zijn armen moet opheffen als hij de gemeenschap zegent, worden zijn kleren daardoor omhoog getrokken, waardoor voor iedereen zijn modderige schoenen zichtbaar worden. Deze verklaring wordt echter verworpen ten gunste van een andere verklaring, die zich concentreert op een overweging gericht op de kohen in plaats van op de gemeenschap.

Rabbi Jochanan ben Zakkai was bang dat de veters van de schoenen van de kohen zouden breken opweg naar het platvorm. Uit angst dat de gemeenschap zou lachen om zijn losse schoenveters, zou hij misschien in de verleiding komen om te gaan zitten en zijn veters vast te maken, terwijl zijn collega-kohaniem de gemeente zegenden. De omstanders, die niet op de hoogte waren van de ware reden waarom die kohen zat, terwijl de andere kohaniem de zegen uitspraken, zouden makkelijk tot de conclusie komen dat deze kohen een onrefgelmatigheid in zijn afstamming had ontdekt, waardoor hij gediskwalificeerd was om het publiek te zegenen. Om de kohen te sparen voor deze valse verdenkingen, werd ingesteld dat zij hun schoenen zouden moeten uitdoen voordat zij de priesterzegen zouden uitspreken.

Om er zeker van te zijn dat deze verordening zonder mankeren zou worden uitgevoerd, bepaalden de Geleerden dat de regel zelfs geldt voor schoenen die geen veters hebben.

Tosafot wijst op een interessant punt van deze Gemara. Ook al was het verboden om de Tempelberg te betreden met schoenen aan, geldt dit niet voor de synagoge, zoals wij zien aan het feit, dat de kohen schoe­nen mag dragen tot op het moment dat hij het platform bestijgt voor de priesterzegen.

De reden dat er geen bezwaar is om met schoenen aan in de synagoge te lopen, maar dat het verboden is om de synagoge te gebruiken om zijn weg af te snijden, wordt verklaard door de Geleerde Rawa (Berachot 63a). Een synagoge wordt een beit knesset genoemd – een huis van samenkomst – en men moet het behandelen met hetzelfde respect als men zijn eigen huis behandelt. Niemand wil dat zijn buurman door zijn huis loopt, alleen op een kortere weg naar zijn eigen huis te kunnen nemen en om zo de weg af te snijden; maar niemand heeft er bezwaar tegen om met zijn schoenen aan in huis te lopen.