Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

  22 Tewet 5767

Traktaat Rosj Hasjana 32-Ta'aniet 4 Nr. 129

 -

Rosj Hasjana 32a

Het patroon van de verzen in Moessaf (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

In de Moessaf-dienst van Rosj Hasjana zeggen we tien verzen in elk van de drie afdelingen van malchoejot, zichronot en sjofrot. Deze verzen komen uit Tora (4), de Profeten (3) en de Geschriften (3). De volgorde, zoals die door Rabbi Jossi is voorgeschreven, moet beginnen met drie verzen uit Tora en eindigen met één Tora-vers. Er wordt echter geen specifieke eis gesteld aan de volgorde van de verzen uit de Profeten en de Geschriften, die daar tussenin gezegd moeten worden.

Onze gewoonte is het om de verzen uit de Geschriften te zeggen vóór die van de Profeten, ondanks het feit dat de boeken van de Profeten van een hogere heiligheid beschouwd worden dan die van de Geschriften. (Wat in de Profeten staat geschreven, wordt ook wel aangeduid met divrei kabbala – woorden die de Profeten van G-d hebben ontvangen – terwijl de teksten van de Geschriften divrei kedoesja genoemd worden, omdat het de producten zijn van de Roeach HaKodesj – G-ddelijke inspiratie – in plaats van profetie. [Daarom staan de Profeten in Tanach vóór de Geschriften.]

Rabbeinoe Nissiem (RaN) geeft een suggestie voor het patroon van onze verzen. We beginnen met verzen uit Tora, omdat wij het grote belang van Tora willen benadrukken, waarvan de inhoud niet alleen profetie is, maar die tevens de bron van onze geboden is. Wij vervolgen dan met de verzen uit de Geschriften en daarna met die uit de Profeten volgens het principe dat we altijd moeten opstijgen in volgorde van heiligheid.


Rosj Hasjana 34b

Een verwarde Satan (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Op Rosj Hasjana blazen we de sjofar zowel voordat we moessaf gaan dawwenen als tijdens de herhaling van de chazan. (In sommige gemeenschappen wordt er ook sjofar geblazen tijdens de stille Sjemoné Esré van moessaf.)

Het patroon voor het blazen van de sjofar tijdens moessaf eist tien sjofar-stoten aan het eind van ieder van de drie middelste berachot – malchoejot [koningschap], zichronot [gedenking] en sjofarot. Elk van deze berachot, zegt de Misjna, moeten op zijn minst tien verzen bevatten uit Tora, de Profeten en de Geschriften, die het desbetreffende onderwerp van de beracha behandelen.

Rawa geeft een samenvatting van een eerdere Gemara (16a), die een verklaring geeft voor zowel dit patroon van berachot in moessaf als voor de noodzaak om zowel vóór als tijdens moessaf sjofar te blazen, ondanks dat Tora het maar eenmaal vereist.

Rabbi Akiwa wijst erop dat Hasjem ons geboden heeft om een omer-offer te brengen van gerstemeel op Pesach, ten einde dat Hasjem het graan op onze velden zal zegenen; een offer van twee tarwebroden op Sjawoe’ot, opdat Hij ons tarwe en ons fruit zal zegenen; en een plengoffer van water op het altaar met Soekot, opdat Hasjem de regenval van het komende jaar zal zegenen. En op Rosj Hasjana nodigt Hasjem ons uit om voor Hem de verzen en beracha te zeggen die verband houden met het koningschap, opdat wij onze getrouwheid aan Hem als onze regeerder verklaren. En de verzen en beracha die eraan herinneren dat Hasjem aan Zijn schepselen denkt, opdat wij ten goede bedacht worden. En hoe doen we dat? Door op de sjofar te blazen, door de verzen en de berachot.

Behalve dat de sjofar als het ware het kanaal is, waardoor onze verdiensten omhoog stijgen naar de Troon van de Hemelse Rechtbank, dient de sjofar ook nog een ander doel. Rabbi Jitschak zegt dat de reden dat we de sjofar blazen zowel vóór als tijdens moessaf, is om de Satan te verwarren. Rasji verklaart dit aldus: Satan probeert de Hemelse Rechtbank tegen Israël op te zetten. Dit wordt verstoord als hij ziet hoe zeer de Joden de mitswot lief hebben, dat zij zelfs tweemaal de sjofar blazen.

Tosafot baseert zijn verklaring op de Jeruzalemse Talmoed. Volgens hem wordt de Satan gealarmeerd bij het horen van de eerste geluiden van de sjofar. Maar wanneer hij de sjofar voor de tweede maal hoort, raakt hij zodanig in paniek bij de gedachte dat dit misschien het geluid van de „grote sjofar” (zie Jesjajahoe 27:17) is, die de tijd van de Masjiach inluidt en die het einde van zijn carrière betekent (ibid. 25:8) dat hij iedere poging van ophitsing laat varen.

De RaN geeft een veel eenvoudigere verklaring. Onze Geleerden vertellen ons dat de slechte neiging, Satan en de Doodsengel allen een en dezelfde zijn. Ophitsing leidt tot agitatie en heeft executie ten gevolge. In de samenhang van Rabbi Jitschaks verklaring is Satan de slechte neiging. „Wanneer een sjofar in een stad geblazen wordt,” zegt de Profeet Amos (3:6), „zullen dan niet haar inwoners beven van angst?” Het geluid van de sjofar verwart de Satan, doordat het in de Joden die het horen een angst en ontzag voor de hemel inboezemt, hetwelk hun zondige neigingen, die de Satan probeert op te wekken, onderdrukt. En daarmee wordt voor de Joden een goed jaar verkregen.


Ta’aniet 2a

De drie sleutels (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Drie sleutels behield Hasjem in eigen hand en waren niet aan een engel gegeven, vertelt Rabbi Jochanan. De steutel van de regen, van de geboorte en van de wederopstanding van de doden.

Tosafot werpt tegen, dat de sleutel van de regen aan de Profeet Eliahoe was gegeven, waardoor hij (I Koningen 17:1) kon uitroepen dat er voortaan geen regen meer zou neerdalen. Dus kennelijk had Eliahoe de macht over de regen gekregen van Hasjem, om een koning die afgoden aanbad, te straffen en inderdaad verdroogde het land.

Onmiddellijk daarna geeft Hasjem Eliahoe opdracht om naar het huis van een weduwe te gaan, waar hij al spoedig wordt geconftonteerd met het weer tot leven brengen van haar dode zoon (I Koningen 17:7-22).

Er bestaat verband, zeggen onze Geleerden, tussen deze twee gebeurtenissen. Toen Hasjem besloot dat het volk genoeg geleden had van de door Eliahoe veroorzaakte droogte, arrangeerde Hij dat Eliahoe geplaatst zou worden in een situatie dat hij het kind van de weduwe weer tot leven kon brengen. Eliahoe bad tot G-d dat Die hem de sleutel van de werderopstanding van de doden zou geven, zodat hij het kind van de weduwe weer tot leven kon brengen. Hasjem antwoordde hem dat Hij alleen de controle had over de drie sleutels en dat Eliahoe al tijdelijk de sleutel van de regen had gekregen. Als hij nu ook nog de sleutel tot de wederopstanding zou krijgen, dan zou de dienaar twee sleutels in handen hebben, terwijl de Meester er maar één overhield. Daarom moest Eliahoe de sleutel van de regen aan Hasjem teruggeven en het volgende hoofd­stuk begint met dat Hasjem de regens herstelt.


Ta’aniet 4a

Het gevaar van misleiding

Toen Eliëzer, de vertrouwde dienaar van onze Aartsvader Awraham er op uit ging om een vrouw te vinden voor Jitschak, de zoon van zijn meester, stelde hij een test op, waarmee hij zou kunnen vaststellen welke jonge vrouw geschikt zou zijn voor de door de Hemel voorbestemde rol. Hij zou haar vragen hem wat te drinken te geven van het water dat zij geput had en als zij dan vervolgens zou aanbieden om ook zijn kamelen te drinken te geven, dan zou dat het teken zijn dat hij nodig had van de Hemel dat zij de juiste partner voor Jitschak zou zijn.

In onze Gemara wordt kritiek geleverd op Eliëzer, dat hij deze test bedacht had. Wat zou er zijn gebeurd wanneer de jonge dame die hij benaderde bijvoorbeeld een been zou missen, of op een andere manier fysiek onvolmaakt was, maar wel het juiste antwoord zou geven? Zou dat een geschikte sjidoech zijn voor de zoon van zijn meester?

Oppervlakkig gezien schijnt er geen basis te zijn voor een dergelijke kritiek. Eliëzer zou ongetwijfeld zelf kunnen zien als het meisje dat hij water zag putten, zou mank lopen en dan zou hij haar als niet geschikt disqualificeren. Wat was er dan verkeerd aan zijn test?

Tosafot gaat op dit probleem in en suggereert dat het heel goed mogelijk is dat een meisje een bedekt vals been heeft, en er perfect uitziet, en dat Eliëzer dat dan niet zou kunnen zien en dan zou hij in de fout zijn gegaan. Dat was de kritiek op zijn test.

Eén van de grote halachische autoriteiten van de vorige eeuw refereerde hieraan in antwoord op een hala­chi­sche vraag die aan hem was voorgelegd. Nadat hij ontdekt had dat de vrouw, die hij beloofd had te trouwen, een houten been had, besloot een man een eind aan hun relatie te maken op grond van het feit dat zij hem be­drogen had. De vrouw beweerde dat hij ongetwijfeld van haar handicap op de hoogte moest zijn geweest, om­dat zij samen gewandeld hadden. Het gevaar vande mis leiding, zoals die door Tosafot beschreven wordt, pleit­te echter tegen haar argument.


Rawa zei : „Wanneer een jonge Tora-student verhit [kwaad] wordt, dan komt dat door de Tora die in hem brandt.” [Zijn hart wordt gevoelig door Tora-leren, en daardoor trekt hij zich de dingen meer aan dan andere mensen en daarom moet men dat niet te zwaar van hem opnemen (Rasji)].