Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
25 Ijar 5763 Traktaat Avoda Zara 66-72 Nr. 13

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 208 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Parels

67b Iets dat een bedorven smaak afgeeft, is toegestaan

Een korte beschrijving van een treife gebruiksvoorwerp

De dapiem die wij nu leren gaan over eetgerei waarin iets gekookt is dat verboden is en hoe men dat weer kosjer kan maken. In dit nummer zullen wij een globaal overzicht van dat onderwerp behandelen en op een aantal details dieper ingaan.

[In het hierna volgende zal steeds sprake zijn van een klie. Een klie is het Hebreeuwse woord voor gebruiks­voorwerp. Hier wordt met een klie (meervoud: keliem) steeds bedoeld een pan, pot of schaal, waarin voedsel gezeten heeft, of eetgerei zoals messen, vorken en lepels e.d. Daar er in het Nederlands geen goede vertaling bestaat die al deze voorwerpen dekt, zullen wij hierna dat woord klie verder niet vertalen. Voorts is het zo, dat wat voor koken geldt, geldt ook voor bakken en braden.]

Keliem die tijdens het laatste etmaal gebruikt zijn [ben jomo]: Voedsel dat in een klie gekookt is, geeft zijn smaak af  aan de wanden van de klie en indien er daarna ander voedsel in die klie gekookt wordt, absor­beert dat de smaak van het verboden voedsel. De Tora verbiedt om te koken in een klie waarin verboden voedsel gekookt werd, wanneer dat minder dan 24 uur geleden gebeurd is. Tijdens die 24 uur wordt de klie een ben jomo [een klie van een dag oud] genoemd. Na die 24 uur vervliegt de smaak en wordt zwakker en wordt volgens sommige Risjoniem absoluut inferieur. De klie wordt dan een eino ben jomo genoemd. Niettemin hebben de rabbijnen beslist dat het verboden is ook een klie dat eino ben jomo is, te gebruiken.

Wat is haĝ’ala? Of het een ben jomo is of niet, een klie kan kosjer gemaakt worden door haĝ’ala. Haĝ’ala betekent „purgeren om af te scheiden”. Dat wordt gedaan door het voorwerp in kokend water onder te dompelen [zie Rema, O.Ch. 451:3], waardoor de smaak uit het voorwerp getrokken wordt [Meïri en Kolbo]. Daarom moet de hoeveelheid water die gebruikt wordt om een ben jomo in te koken, 60 maal de hoeveel­heid van de verboden smaak zijn, die in de wanden van de klie getrokken is. Wanneer het minder is, wordt de smaak niet bateel [geneutraliseerd] en kan zelfs de grote pan waarin de klie gekookt werd, verboden maken [Tevoeot Sjemesj 6].

Een klie ben jomo mag men niet kosjer maken: Wat de halacha betreft, zeggen de Toer en de Rema [J.D. 121] dat „men moet geen haĝ’ala doen met welke klie dan ook, zolang als het een ben jomo is”, opdat niet de hoeveelheid water die gebruikt wordt niet genoeg zou zijn [Misjna Beroera 452:20]. Voor Pesach zijn wij zelfs nog strenger: de grote ketel die gebruikt wordt voor haĝ’ala moet eerst gekookt worden, wanneer we die willen gebruiken met Pesach, tenzij hij een hoeveelheid water bevatte van 60 maal of meer dan de inhoud van al de voorwerpen bij elkaar die er in zijn uitgekookt [zie Haĝ’ala Keliem, p.225].

Is haĝ’ala een mitswa? Tora beschrijft  haĝ’ala in Bamidbar 31:22-23 en de Semak [195] en Rabeinoe Tam [Sefer Hajasjar, Tesjoevot 56] rekenen het als een mitswa [echter niet als een verplichting, het is meer zoals slachten, verplicht voor wie vlees wil eten en we zeggen een beracha over het slachten]. Desondanks  rekenen de meeste Risjoniem  het niet als een mitswa, en zij verklaren, dat Tora alleen maar de technische assistentie verleent om keliem kosjer te maken. Haĝ’ala Keliem [hoofdstuk 11:10] vermeldt de gewoonte van Indische Joden om een beracha te zeggen over haĝ’ala maar dat doen wij niet, want wij beschouwen het niet als een mitswa en we zeggen geen beracha voor het vermijden van een overtreding [Isoer Weheter, klal 58, § 104].

69b Toegegeven, zij zijn overmees­terd door de zucht tot zondigen, maar door de zucht naar jajin nesech zijn zij niet overmeesterd.

Een Sjoelchan Aroech voor dieven

Een Jood in Brisk stond bekend als het hoofd van de dieven van de stad en hij was van plan om bij zich thuis gasten uit te nodigen. Mensen kwamen bij de Gaon Rav Chaim van Brisk zt’l en vroe­gen hem  of het hen was toe­ge­staan aan de maaltijd mee te doen. Hij ver­telde hen dat hij hen de volgende dag zou antwoorden.

Hij liet de dief naar zijn huis komen en vertelde hem: „Je weet dat ik geheimen bewaar. Ik wil je een paar vragen stel­len en jij moet me de waarheid zeg­gen.” De man knik­te toestemmend met zijn hoofd.

„Wat doen jullie, wanneer jullie de kans hebben om op Sjabbat te stelen?”
„Dan stelen wij.”
„En wanneer jullie voordat doel licht moeten maken?”
„Dan maken wij licht.”
„En wanneer jullie een slot moet open­breken?”
„Dan breken wij dat open.”
„En jullie steen van niet-Joden?”
„En is het geld van een goi geen geld”
„En wanneer jullie varkensvlees vin­ den of treife?”
„Dan nemen we dat.”
„En want doen jullie daarmee?”
„Wij verkopen dat aan een niet-Jood.”
„Waarom eten jullie dat zelf niet?”
De dief was diep beledigd. „Ben ik geen Jood?” riep hij uit. „G-d ver­hoede dat ik varkensvlees of treife zou eten!”
„Ik begrijp het niet,” zei de Rav, „jul­lie stelen, maken licht en breken slo­ten open op Sjabbat, maar jullie eten geen varkensvlees of treife?”
„Wat heeft het een met het ander te maken,” vroeg de dief. „Stelen is onze parnasa [levensonderhoud].
Wan­ neer wij op Sjabbat moeten stelen, wat kunnen wij anders doen. Zo is nu eenmaal parnasa. Maar var­kens­vlees of treife eten? Zij wij dan geen Joden meer?”
De volgende dag vertelde Rav Chaim de mensen die hem ge­vraagd hadden: „Als het voedsel niet gestolen is, mogen jullie er eten…”

67b Volgens Tora is alleen een pan van een dag oud verboden

Voedsel dat doelbewust gekookt is in een klie dat niet ben jomo is

In bovenstaand artikel hebben wij de halacha vermeld [Sjoelchan Aroech, J.D. 122], zoals die door Chazal werden ingesteld, namelijk dat men ook niet mag koken in een klie dat niet ben jomo is, dat wil zeggen, waarin verboden voedsel meer dan 24 uur geleden gekookt was. Gewoonlijk, wanneer Chazal een bepaalde vorm van koken verbieden, mag menhet voedsel dat toch op die manier gekookt is, niet eten, maar in feite discussiëren de poskiem [Prie Meĝadiem, J.D. 99:7] over de vraag of wij voedsel dat door een Jood moedwillig in een dergelijke klie gekookt is, mogen eten. Wij zullen de oorsprong van de verschillenden meningen onderzoeken en daarbij ontdekken wat de redenen zijn voor het decreet.

Onze soegia legt uit dat „de Tora alleen een klie verbiedt dat ben jomo is.” Met andere woorden, de Tora verbiedt het koken van kosjer voedsel in een klie ben jomo omdat de smaak van het verboden voedsel geabsorbeerd wordt door de wanden van de klie en afgescheiden wordt in het voedsel dat er later in gekookt wordt. De verboden smaak wordt niet geneutraliseerd [bateel] bij een verhouding van 1:60, omdat de wanden van de klie beschouwd worden vol te zitten met de verboden smaak en de inhoud van de klie is minder dan 60 maal de inhoud van zijn wanden. De halacha beschouwt de smaak als het voedsel zelf. Deze regel heet: ta’am ke’ikar – de smaak is als het voedsel zelf.

Echter, wanneer een etmaal is verlopen, staat Tora ons toe te koken in de klie en er zijn verschillende meningen waarom dat zo is. Volgens de Ran wordt de smaak na 24 uur bedorven en wordt die niet meer beschouwd als ta’am ke’ikar. Niettemin hebben Chazal het gebruik van zo’n klie dat niet ben jomo is verboden, om te voorkomen dat de mensen per vergissing een ben jomo zouden gebruiken, zoals de Gemara in 76a getuigt [we moeten niet vergeten dat er vroeger geen klokken bestonden]. Sommige teksten laten de verklaring van de Gemara weg [zie Béoer haGra, J.D. 122] en die beweren dat de smaak na 24 uur nog niet volledig bedorven is. Het blijft nog een verboden smaak, maar die is zwakker geworden en hoeft niet meer met een hoeveelheid van 60 maal geneutraliseerd te worden, en het wordt geneutraliseerd door het andere voedsel waarin het geabsorbeerd wordt wanneer dat een groter volume heeft. Toch hebben Chazal verboden om in zo’n klie te koken omdat er een rabbijns decreet is [volgens de meeste Risjoniem] „dat men niet met opzet een issoer moet vermengen met een heter om het op die manier te neutraliseren” [Rasjba in Torat HaBajit Haäroch, bajit 4, eind van sja’ar 4].

Wij keren nu terug naar het voedsel dat met opzet gekookt is in een klie dat niet ben jomo is en dan ontdekken wij dat de halacha met betrekking tot het voedsel afhankelijk is van de bovengenoemde verschillende meningen. Als het decreet bedoeld is om vergissingen te voorkomen, dan rust er geen essentiëel issoer op het voedsel en het is dus toegestaan, hoewel degene die het gekookt heeft een decreet van de Rabbijnen overschreden heeft [Aroechot HaBossem]. Maar wanneer het decreet ingesteld is omdat wij niet met opzet verboden voedsel mogen neutraliseren, dan is het voedsel verboden, en dezelfde regel legt ook een knas – straf – op, namelijk het verbod om het resultaat van de overtreding, het verboden mengsel, te eten [Sjoelchan Aroech J.D. 99:5, en zie Teferet leMosjé, J.D. 94, en Responsa Igrot Mosjé,J.D. II,41].

68a: wat niet geschikt is voor een ger, wordt geen nevela genoemd

Is gelatine toegestaan?

OnzeTora wordt „de Leer van het leven” genoemd. Onze soegia geeft ons één van de talloze gelegenheden om ons te realiseren dat iedere regel van de Gemara van vitaal belang en actueel is, zelfs voor onze tijd, hetgeen in het dagelijkse leven tot uitdrukking komt. In dit artikel zullen wij ons concentreren  op de vraag hoe de geleerden van de Talmoed een bepaalde halacha in verband brachten met een bepaald vers en wat daarvan de halachische implicaties zijn voor vele voedselproducten die nu algemeen gebruikt worden.

De productie van gelatine poeder: In voedselfabrieken over de hele wereld wordt veel gebruik gemaakt van gelatine. Gelatine is een fenomenale substantie. Het kan dik worden en stollen, het kan waterige en vettige voedselproducten vastmaken, het geeft voedsel  een helder uiterlijk, enz. Gelatine wordt gemaakt van de huid en van de beenderen van dieren. De oorspronkelijke methode was om de huid en beenderen volledig te laten drogen, schoon te maken, te koken, opnieuw te drogen, en het dan fijn te malen tot gelatine poeder.

Onze soegia legt uit dat volgens Tora voedsel dat volledig bedorven is, toegestaan is om te eten, zoals ons verteld wordt: „Je zult geen nevela eten; geef het de vreemdeling [die bij je woont, de ger tosjav] binnen je poorten en hij zal het eten” [Dewariem 14:21] – alles wat geschikt is voor een ger wordt nevela genoemd; alles wat niet geschikt is voor een ger, wordt geen nevela genoemd,” en zo werd de halacha.

Desondanks verschillen de poskiem van mening over de vraag of voedsel dat ongeschikt is om te eten verboden is bij rabbijns decreet [miderabbanan] en volgens degenen die het verbieden, wat is de halacha met betrekking tot zulk voedsel wanneer het vermengd wordt met toegestaan voedsel. [Zie Sefer Ha­Chi­noech, mitswa 472; Bedek HaBajit, Re’ach, bajit 4, sja’ar 1; Prie Chadasj, J.D. 103:1; Minchat Kohan, Ta’arovot I:89; Prie Toar 103, e.a.]

Daar de productie van gelatine de huid en de beenderen ongeschikt maken voor consumptie, is het resulte­ren­de poeder kennelijk geoorloofd en zelfs volgens degenen die menen dat het miderabbanan verboden is, is het gelatinepoeder vermeng met geoorloofd voedsel. Alleen volgens de meest strenge mening, dat oneetbaar voedsel nog steeds verboden is wanneer het gemengd wordt met geoorloofd voedsel, is het mengsel verboden. Maar wij worden nog steeds met een probleem geconfronteerd, want wanneer wij de zaak nader bekijken, merken wij een nauwelijks te ondescheiden obstakel op, volgens welk gelatine verboden is door Tora volgens alle meningen! Tijdens de productie van gelatine worden de huid en de beenderen inderdaad ongeschikt voor consumpite. Maar op het einde van het productieproces is de gelatine eetbaar.  Met andere woorden, wat ongeschikt was, wordt weer geschikt voor consumptie.

Hiermee geconfronteerd, kunnen wij de onschatbare waarde waarderen van iedere interpretatie van de Talmoed. In zijn Chavot Da’at op Joré Dea [103:1] bewijst Rabbijn Ja’akov uit Lissa zt”l uit de interpretatie van onze soegia, dat zonder twijfel ieder voedsel dat oneetbaar wordt, voor altijd is toegestaan blijft, zelfs als het daarna weer geschikt wordt voor consumptie. Ten slotte, een basisregel die geldt voor alle verboden consumptie [behalve voor vlees met melk en kli’ei hakerem] stelt dat iedere ongewone vorm van consumptie niet beschouwd wordt als eten [Pesachiem 24b]. Waarom hadden Chazal  dan een vers nodig om daarvan te leren dat een nevela die ongeschikt voor consumptie is, gegeten mag worden? De enige reden daarvoor kan zijn, dat het voedsel altijd toegestaan blijft, zelfs als het naderhand geschikt wordt voor consumptie.

Wij blijven nu zitten met het verschil van mening of het verboden is miderabbanan. Gelatine heeft steeds de interesse gehad van vele poskiem in onze tijd maar het nieuwe in de redenering van Chavot Da’at, is dat hij leert dat onze soegia dient als een stevige basis in de halachot van verboden voedsel. [Wij wijzen erop dat we gelatine, dat van beenderen gemaakt is, mogelijk zouden kunnen toestaan, daar het mogelijk is dat beenderen niet beschouwd worden als verboden voedsel; zie Rambam, Hilchot Ma’achalot Assoerot, 4:18; Responsa  Achi’ezer II:11 en III:33; Responsa Misjnat Rabbi Aharon I:17; Responsa Tsiets Eli’ezer, die HaGaon Y. Avramsky citeert, enz.].

68b De muis die in het bier viel

Mag men water drinken uit een aquarium?

Mag men water drinken van een aquarium, waarin zich een krab of een ander verboden zeedier bevindt? Nee, we denken niet dat iemand uit vrije wil dat zal drinken, maar wij moeten vaststellen wat de halachische definitie is van zulk water en wat de implicaties daarvan zijn.

Smaak geabsorbeerd van ingemaakt voedsel: Onze soegia handelt over het kasjroet van bier, waarin een muis gevallen is. De Rosj vraagt wat het probleem is. Wij kennen tenslotte allemaal de claim van Haman op Achasjverosj, dat de Joden de koning inferieur aan een vlieg vonden. Als een vlieg in de wijn van een Jood valt, verwijdert hij de vlieg en drinkt de wijn. Maar als een niet-Jood, zelfs de koning, de wijn van een Jood alleen maar aanraakt, dan zal de Jood de wijn weggooien [Megilla 13b]. Dus klaarblijkelijk, wanneer een niet­kosjer beest valt in toegestaan voedsel, wordt daarmee het voedsel niet verboden. De Rosj veronderstelt daarom, dat onze soegia het heeft over een muis die een hele dag in het bier gedreven heeft, en daardoor nu „ingemaakt”, „gepekeld” is [iets dat 24 uur geweekt heeft, wordt halachisch gelijk gesteld aan ingemaakt in azijn, of als gepekeld]. Voedsel inmaken staat halachisch gelijk aan het koken van dat voedsel en daarmee wordt de smaak afgegeven; Tossafot is het er mee eens.

Leefde de „ingemaakte” muis nog of was hij dood? De Rosj komt geeft geen antwoord op die vraag, maar het veroorzaakte een enorm verschil van mening tussen de halachische autoriteiten. Sommigen beweren dat net zoals ingemaakt vlees zijn smaak afscheidt, er geen verschil is tussen een levende of een dode muis. Anderen menen dat een levend dier in het geheel geen smaak afscheidt, terwijl weer anderen beweren dat een levend dier wel een smaak afscheidt maar dat alleen de smaak van een dood dier het voedsel verboden maakt [Responsa Sjoëel OeMeisjiev, 3de editie, 43].

De kip die in de boter sprong: De geschriften van de poskiem staan vol voorbeelden van gebeurtenissen die halachische stormen hebben opgeroepen. In Frankfurt veroorzaakte eens een eenvoudige kip een geweldige discussie tussen de talmidei chachamiem toen het beestje in een pot met boter viel. De kip stierf binnen enkele seconden, maar haar aandenken leeft nog voort bij de poskiem. Eén rav beval dat de boter moest worden weg gegooid en zelfs niet aan niet-Joden mocht worden gegeven, daar de smaak van de poten van de kip door de boter geabsorbeerd was, toen het dier nog leefde en een lichaamsdeel van een levend dier is verboden, ook voor niet-Joden volgens een van de zeven Noachidische mitswot. De Chatam Sofer zt”l oordeelde over dit geval, en was geneigd het eens te zijn met deze beslissing en beweerde ook dat een levend dier een smaak afscheidt. Een zeer tragisch geval waarover de poskiem zich bogen [Prie Chadasj en Beit Hillel, aangehaald in Responsa Sjoëel Oemeisjiev, ibid], was toen een kind verdronk in een vat met honing en de poskiem moesten beslissen of de honing nog geschikt was voor consumptie.

Een kosjere vis met de smaak van een niet kosjere vis: Wij keren terug naar de vis. Als een levende muis die een hele dag in een biervat gedreven heeft, zijn smaak aan het bier heeft afgestaan, dan  scheidt klaarblijkelijk een niet-kosjere vis die lange tijd in een aquarium heeft rond gezwommen ook zijn smaak af aan het water. Dit onderwerp is zeer actueel, wanneer wij viswinkels in overweging nemen die gedreven worden door niet-Joden, waar levende kosjere en niet-kosjere vis wordt verkocht. De kosjere vis is „ingemaakt” samen met de niet-kosjere vis gedurende enkele dagen en klaarblijkelijk absorbeert de kosjere vis de smaak van de niet-kosjere vis en wordt zo verboden. Op dezelfde manier moeten wij de halacha vaststellen van een drank waarin water gevallen is uit een aquarium, waarin niet-kosjere vissen zwemmen.

Het verschil tussen landdieren en waterdieren: En inderdaad, Maharam Schick zt”l [J.D. 101], een leerling van de Chatam Sofer zegt dat het commentaar van zijn leraar landdieren betreft. Die absorberen het water waarin zij staan en scheiden hun smaak daarin af. Echter waterdieren zijn immuun voor water en scheiden hun smaak niet af.

69a

Honing als conserveermiddel en als oplosmiddel

Onze soegia leert dat kleine fragmenten van een sjeretz [kruipend ongedierte] het voedsel, waarin het gevallen is, verboden maakt. Als gevolg daarvan vragen Tossefot [b.w. hanoeimretoetei en andere Risjoniem]: „Wij moeten ons nu afvragen waarom wij bijenhoning mogen eten, daar de pootjes van de bijen vermengd zijn met de honing.” Andere Risjoniem hebben zich over deze vraag gebogen en zijn tot verbazingwekkende conclusies gekomen.

De productie van honing: Velen van ons zijn goed bekend met de productie van honing. De bijen scheiden de honing uit hun lichaam af in de kleine cellen van de honingraten en wanneer de cellen vol zijn, wordt de honing van de raten afgescheiden. Tegenwoordig wordt de honing verwijderd met centrifugale kracht in  een machine, maar in het verleden gebeurde dat met de hand. In ieder geval is de honing nog onzuiver, daar het dode bijen bevat die in de raat bleven vastzitten, en stukjes was van de raat, resten van poppen en andere substanties.

De poten en vleugels van bijen mogen worden gegeten: Na enige tijd komt al deze verontreiniging bovendrijven en wordt verwijderd, maar met name de bijenpootjes blijven achter in de honing, te identificeren als fijne donkere puntjes. Tossefot vragen daarom hoe het kan dat wij honing mogen eten en zij komen tot de conclusie dat, hoewel het lichaam van de bij niet gegeten mag worden omdat het een sjerets is, de poten zijn toegestaan! DeRosj beslist hetzelfde [hfdstk 5, §11]: „De poten van een vlieg of zijn vleugel worden niet beschouwd als een sjerets maar gewoon als stof.”

Honing conserveert en lost op:  Deze nieuwe gedachte werd echter niet geaccepteerd als halacha en de Risjoniem moesten naar een andere reden zoeken die het eten van honing toestaat. Zo bijvoorbeeld de Rajba [Responsa I:80] onthult dat honing kan geberuikt worden als een conserveringsmiddel van hele lichamen maar een afgerukt lichaamsdeel wordt door de honing opgelost. Deze vitale informatie werd herhaald door de leerlingen van Rabeinoe Jona [genoemd door de Rosj, Berachot hfdst. 6, §35]: „De aard van de honing is om alles wat erin valt, om te zetten in honing.” De bijenpootjes worden dus honing er er is dus geen reden om ze niet te eten.

De hongerige in de honing werd geconsumeerd: Tussen haakjes, Rabbijn Awraham Ibn Ezra werd gevraagd over een vlieg die in de honing was gevallen. Hij antwoordde: ôřůđĺ, řňáúď ůáăáů đúáňř ĺđůřó perasjnoe ra’avatan sjebadwasj nitbaëer venisraf [de hongerige in de honing is uitgewist en verbrand]. Met andere woorden, de vlieg is volledig opgelost. Zijn antwoord was zeer ingenieus want wanneer de zin zo­da­nig geschreven wordt, dat op iedere regel één woord staat, kan het in iedere richting gelezen worden: 1) van rechts naar links, te beginnen rechts-boven; 2) van boven naar beneden, eveneens te beginnen rechts-boven; 3) van beneden naar boven, te beginnen links-onder en 4) van links naar rechts, eveneens te be­gin­nen vanaf links-onder.

 

 

 

 

 

2

ê

 

 

ĺ

đ

ů

ř

ô

ç  1

 

đ

ú

á

ň

ř

 

 

ů

á

ă

á

ů

 

 

ř

ň

á

ú

đ

 

3 è

ô

ř

ů

đ

ĺ

 

 

é

4