Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

  7 Sjewat 5767

Traktaat Ta'aniet 5-18 Nr. 130

 

We zijn vorige week een nieuw traktaat begonnen: Ta’aniet. De volgende inleiding had in het nummer van vorige week moeten staan, maar het is er helaas uitgevallen. Voor de volledigheid volgt het hier alsnog.

(De genen die dagelijks de samenvatting van de Daf Hajomi krijgen toegestuurd, hebben dit reeds ontvangen.)

Inleiding tot traktaat Ta’aniet

Traktaat Ta’aniet heet naar het Hebreeuwse woord voor ‘vastendag’.

Rambam (Maimonides) schrijft in Hilchot Ta’aniot (1:1-4):

1. Het is een positief Tora-gebod om het uit te schreeuwen en om de trompetten te doen schallen bij iedere akelige gebeurtenis die de gemeenschap overvalt, zoals er geschreven staat [Bamidbar 10:9]: „[Wanneer jullie ten strijde trekken… tegen de verdrukker die jullie onderdrukt, en jullie blazen de alarm op trom­petten…” [Dit gebod geldt echter niet alleen voor het geval van oorlog, maar] dit wil zeggen: bij alles wat jullie ellende bezorgt, zoals hongersnood, pest, sprinkhanen en dergelijke, schreeuw het daarom  dan uit [tegen G-d] en laat de trompetten klinken.

2. Dit is een van de manieren van berouw en inkeer, want wanneer er moeilijke tijden aanbreken en het volk schreeuwt het uit tegen G-d en blaast de trompetten, dan zal iedereen zich realizeren dat de ellende gekomen is ten gevolge van hun slecht gedrag, zoals er staat geschreven [Jeremiahoe 5:25]: „Jullie zonden hebben [de regens en het oogst-klimaat] tegengehouden.” Dit zal de narigheid van hen terugdringen.

 3. Maar als men niet [tegen G-d] schreeuwt en niet de trompetten blaast, maar als men zegt: „Wat ons is overkomen is een natuurlijk verschijnsel en deze narigheid is een toevalligheid,” dat is iets wreeds en dat veroorzaakt dat zij aan hun slechte gewoonten gehecht blijven. Daardoor zal deze tijd van narigheid tot nieuwe narigheid leiden. Dat is de betekenis van wat er staat in Tora [Wajjikra 26:27-28]: „Wanneer je onver­schillig voor Mij bent, dan zal Ik onverschillig voor jou zijn in Mijn boosheid.” Dit betekent: wanneer Ik ellende over jullie breng, opdat jullie tot inkeer komen, en jullie zeggen dan dat het maar toeval is, dan zal Mijn boosheid op jullie nog toenemen wegens die onverschilligheid voor Mij.

4. Het is een Rabbijnse verordening om te vasten bij iedere ramp die de gemeenschap treft, totdat de Hemel erbarmen toont.

Op deze vastendagen schreeuwen we het uit in onze gebeden en smeken wij en blazen we alleen op trompetten. In de Tempel werd er behalve op de trompetten ook op de sjofar geblazen. Op de sjofar werd een korte toon geblazen en op de trompetten werd lang geblazen, want op deze dag is het een mitswa om de trompet te doen klinken. En er wordt alleen in de Tempel tegelijk op trompetten en op de sjofar geblazen, zoals er gezegd is [Tehilliem 98:6]: „Laat de sjofar en de trompet schallen voor Hasjem, de Koning.”

Zoals de Rambam schrijft, is het een Tora-gebod om op moeilijke tijden G-d om vergeving van onze zonden te smeken en onze Geleerden hebben daartoe vastendagen ingesteld.

In Talmoedische tijden werden vastendagen waar­schijnlijk voornamelijk uitgeroepen als de regentijd uitbleef.

De regen in het Land Israël valt niet het hele jaar door. Zoals in zovele andere gebieden in de wereld valt de regen er uitsluitend in een bepaald regenseizoen, dat overeenkomt met het tweede deel van de herfst en de winter. Als dat seizoen voorbij gaat zonder regen, dan is er praktisch geen kans meer op regen tot het volgende jaar. De consequentie hiervan – droogte en hongersnood – is catastrofaal. Daarom wordt iedere vertraging van de aanvang van het regen­seizoen met grote zorg beschouwd.

Het onderwerp van dit traktaat is daarom tweevoudig: vastendagen en regen, omdat deze twee onderwerpen nauw aan elkaar verwant zijn door het feit dat de meest algemene reden waarom in Talmoedische tijden vastendagen werden uitgeroepen, waarschijnlijk het uitblijven van het regenseizoen was.

Regen, en het gebrek daar aan, zijn de onderwerpen van twee Rabbijnse verordeningen. De eerste stelt gebeden voor regen vast in de dagelijkse dienst vóór en tijdens het regenseizoen. De tweede verordening is de instelling van een serie vastendagen die worden uitgeroepen als de regens uitblijven. De discussie van deze onderwerpen introduceert vele aggadische passages betreffende de zegeningen van de regen en de spirituele oorzaken van droogte. In het derde hoofd­stuk wordt dit uitgebreid toegelicht met vele van de meest bekende en inspirerende verhalen van heilige mensen die leefden in de tijd van de Talmoed – grote leiders zowel als gewone mensen.

Publieke vastendagen worden niet alleen uitgeroepen bij gebrek aan regen, maar ook ter afwending van op handen zijn de rampen, die de hele gemeenschap bedreigen. Ook die worden besproken in dit traktaat.

In het Joodse antwoord op tegenslag en gevaar moeten altijd berouw en gebeden tot G-d om genade zijn inbegrepen. Dit is het geloof waarop het instituut van vasten gebaseerd is.


 

Ta’aniet 8a

De menselijke slang (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Wat is de verklaring van Prediker 10:11: „Als de slang bijt omdat hij niet bezworen was, dan heeft de bezweerder geen nut meer [lett.: dan heeft de meester van de spraak geen voordeel]”?

Reisj Lakisj verklaart: Het vers is een toespeling op de toekomst, wanneer alle dieren zich zullen verzamelen rondom de slang en hem zullen vragen waarom hij andere dieren bijt, terwijl hij ze niet eet, zoals leeuwen en wolven, die hun prooi doden en vervolgens opeten. De slang zal dan antwoorden: wat heeft de ‘meester van de spraak’ die anderen belastert, voordeel van zijn kwaadsprekerij? [Op de dag des oordeels zullen de kwaadsprekers en de slang samen veroordeeld worden zegt Rasji.]

Deze dialoog van de toekomst kan worden opgevat als meer dan het beantwoorden van de ene vraag met de andere. Totdat de eerste slang de misdaad beging om de eerste man en vrouw te verleiden tot het eten van de verboden vrucht van de Boom van de Kennis, liep hij rond op twee benen, net als een mens. Als straf voor zijn misdaad werd hij veroordeeld om op zijn buik te kruipen en om eeuwig ruzie te hebben met de mens. Dit conflict tussen slang en mens wordt beschreven in de Tora als de poging van de mens om op de kop van de slang te gaan staan en de poging van de slang om de mens in zijn hiel aan te vallen (Gen. 3:15).

Sedert die val benijdt de slang de staande houding van de mens, omdat hij ooit ook het genoegen had die te bezitten. Bewust van het feit dat hij die houding nimmer meer kan terugkrijgen ten gevolge van de G‑ddelijke vloek, probeert de slang zijn best te doen om de mens omlaag te brengen door hem zijn venijn in zijn lichaam te spuiten.

Wanneer de slang van de toekomst – die zijn frustratie van alle slangen vanaf het begin der tijden uit – zijn uitdaging richt op de kwade tong van de roddelaar, biedt hij hen een voorbeeld van zijn eigen gedrag op menselijk niveau. Een mens die het karakter van een ander, waarop hij jaloers is, vernielt door zijn boze tong, wordt gemotiveerd door de behoefte om zijn slachtoffer in de ogen van zijn toehoorders tot zijn eigen niveau omlaag te brengen.


Ta’aniet 10a

Tot de laatste Jood thuis is

In Erets Jisraël beginnen de Joden voor regen te bidden door te zeggen: Weteen tal oematar liwracha in de negende beracha van de Sjemoné Esré op de zevende dag van de maand Marchesjwan [of kortweg Chesjwan genoemd].

Waarom op deze dag en niet met Soekot, wanneer regen al voor de landbouw nodig is?

Op Soekot zelf vragen we niet om regen, want als zo’n gebed beantwoord zou worden, zouden we niet in onze soeka kunnen zitten en dat zou dan geïnterpreteerd kunnen worden als een teken dat Hasjem onze pogingen om Hem te dienen door de mitswa uit te voeren, verwerpt. Maar waarom beginnen we dan niet zodra Soekot voorbij is?

Rabban Gamliël legt uit dat wij ons gebed voor regen uitstellen, omdat we rekening willen houden met de Joden die niet naar Jeruzalem komen van de meest ver verwijderde plaatsen in Erets Jisraël, om hun mitswa te doen van een pelgrimstocht naar het Beit HaMikdasj. Wij zijn bezorgd dat zij niet op tijd terug thuis zouden kunnen zijn, zonder onderweg te worden overvallen door de regen. Daar zo’n tocht naar een plaats nabij de rivier de Eufraat wel tot vijftien dagen kan duren, wachten we zo lang met om regen te bidden.

Deze overweging schijnt beperkt te zijn  tot de tijd dat wij nog een Beit HaMikdasj hadden, waarheen wij geboden werden een pelgrimstocht te maken op de drie feestdagen Pesach, Sjawoe’ot en Soekot. Echter, de Talmoed, noch de latere commentatoren maken onderscheid tussen toen en nu.

Eén van deze commentatoren, de Ran geeft hiervoor een interssante verklaring:

Deze gewoonte geldt ook voor de periode na de verwoesting van de Tempel omdat het de gewoonte van de Joden was om nog steeds naar Jeruzalem te komen op deze feesten. (Hij schrijft dat het in zijn tijd – ongeveer zeshonderd jaar geleden – nog steeds de gewoonte was om dat te doen.) Om rekening te kunnen houden met die Joden, die de geest van de Beit HaMikdasj-pelgrimstocht in stand hielden, werd het gebed om regen uitgesteld tot iedereen thuis was, zonder te worden overvallen door de regen.

Iedereen die leeft in Erets Jisraël, met name in Jeruzalem, kan getuigen dat deze gewoonte om Jeruzalem en de plaats waar het Beit HaMikdasj heeft gestaan, te bezoeken op deze feestdagen, nog steeds door velen in de praktijk wordt gebracht.


Taániet 9a

„Zaken doen” met de Hemel

De Midrasj vertelt het volgende, hoogst inspirerende verhaal over het zaken doen” met de Hemel.

Een rijke Jood werd ieder jaar gezegend met een overvloedige oogst van duizend kor [1 kor is ongeveer 250 liter], waarvan hij plichtsgetrouw 110 kor afscheidde, in overeenstemming met het Tora-voorschrift om de land­bouwopbrengst te vertienden en dat aan de Levieten te geven. Op zijn sterfbed riep hij zijn zoon bij zich en drong er bij hem aan om met deze gewoonte van vertienden trouw door te gaan.

De zoon deed dat het eerste jaar na het overlijden van zijn vader. Het volgende jaar bracht het veld weer zoveel op, maar deze keer kon de zoon zichzelf er niet toe brengen om tien procent daarvan weg te geven. Het resultaat was dat het veld slechts 100 kor produceerde. Zijn familie legde hem uit wat er gebeurd was:

Toen jij het veld erfde, was je de landeigenaar en G-d was de priesterlijke ontvanger, die kon bepalen aan wie het zou worden gegeven. Nu dat je gefaald hebt om te vertienden, is G-d de landeigenaar en jij bent de priesterlijke begunstigde die slechts tien procent krijgt van wat het veld gewoonlijk opbracht.”

Tosafot haalt deze Midrasj aan met betrekking tot wat Rabbi Jochanan zegt als een verklaring voor de dubbele taal die Tora gebruikt in Dewariem (14:22) wanneer het een Jood gebiedt te vertienden: Vertiend, je zult ieder jaar al je oogst welke je veld voortbrengt, vertienden.” De letters van het Hebreeuwse woord assaïer kunnen op twee manieren gelezen worden, namelijk als ‘vertiend’ maar ook als ‘word rijk’, zodat het bovengenoemde vers ook gelezen kan worden als: Vertiend, opdat je rijk zult worden.”

De G-ddelijke belofte om beloond te worden als men vertiendt, is niet beperkt tot het vertienden van landbouwproducten. Onze Geleerden zeggen dat het woord al in het vers een indicatie is dat de belofte ook geldt voor het vertienden van geld dat men uit bedrijf  of met ander inkomen verdiend heeft.


Ta’aniet 11a

Privé vasten

Sjmoeël heeft gezegd:Ieder die het op zich neemt om te vasten (terwijl dat niet van hem vereist wordt en wanneer hij daar fysiek niet sterk genoeg voor is) wordt beschouwd als een zondaar. Dit is gebaseerd op het feit dat de Tora een nazier, die zich van wijn onthoudt, een zondaar noemt. Hoeveel te meer dus geldt dit voor iemand die alle voedsel en drinken weigert.”


Ta’aniet 12b

Een teken van de Hemel

De vastendagen die door onze Geleerden werden ingesteld wanneer de regens niet op tijd waren, begonnen met de maand Chesjwan en duurden tot de maand Nissan. De reden dat men na Nissan niet vastte, zegt de Misjna, is dat de regen die in het Land Israël valt na de maand Nissan een teken is van een Hemelse vloek, omdat het na die datum schadelijk is.

Als bron hiervoor haalt de Misjna een confrontatie aan tussen Sjmoeël en de Israëlieten als deze laatsten een koning eisen om over hen te regeren in zijn plaats. Om hun te bewijzen dat de Hemel de manier waarop zij hun verzoek inkleedden afkeurt, verklaarde hij: Vandaag is het de tijd van de tarwe-oogst, maar ik zal naar Hasjem uitroepen en Hij zal donder en regen geven; zo zullen jullie zien en weten hoe groot het kwaad is in de ogen van Hasjem wat jullie gedaan hebben, om een koning te eisen” (I Sjmoeël 12:17).

Hoewel de oppervlakkige lezer van onze misjna hieruit zou afleiden dat als er  na Nissan regen valt, dit te allen tijde een teken van een vloek is, citeren de commentatoren een opmerking in de Jeruzalemse Talmoed (1:8), waaruit blijkt dat dit alleen zo is wanneer er voor die tijd geen regen gevallen is; want anders is regen na Nissan eerder een zegen dan een vloek.

Dit onderscheid, zegt Tosafot Jom Jov in zijn commentaar op de misjna, blijkt duidelijk uit de tekst van onze misjna zoals die voorkomt in de standaard uitvoeringen van de misjnajot. In de standaard editie  van de Talmoed staat: Nissan is voorbij gegaan en de regen valt,” terwijl daarentegen in de Misjna 1:7 van standaard edities van de Misjnajot staat: „Is Nissan voorbij en het heeft nog niet geregend.” [In de Nederlandse vertaling van Hammelburg, uitgegeven door het NIK in Seder Mo’eed, is dit foutief weerge­geven en staat het ten onrechte gedrukt (en vertaald) zoals het in de Talmoed staat (Zwi).] Hoewel beide teksten betrekking hebben op de regen na Nissan, impliceert de tekst van de Misjnajot, net als de Jeruzalemse Talmoed, dat er alleen een probleem is wanneer er voorheen geen regen gevallen is. Als parallel citeert Tosafot Jom Tov de Misjna in traktaat Mo’eed Katan (3:3) [(? niet in mijn uitgaven van de Misjna. Het lijkt mij een drukfout in het commentaar op de Misjna, maar ik weet niet waar het wel staat (Zwi).], waar onderscheid gemaakt wordt tussen planten die vóór Pesach al water kregen en die welke dat niet kregen, in verband met het nut dat zij hebben als zij onmiddellijk na Pesach water krijgen.

We mogen suggereren dat er zelfs een aanwijzing is in de Bijbelse tekst voor dit onderscheidt. Na de verklaring van Sjmoeël staat er dat de profeet tot Hasjem riep: En Hasjem gaf donder en regen op die dag” (I Sjmoeël 12:8). De nadruk die hier gelegd wordt op die dag” lijkt een aanwijzing  dat er vóór die dag geen regen was gevallen en dat dit beschouwd werd als een teken van Hemelse afkeuring, hetgeen het niet geweest zou zijn als de regen ook al vóór die dag gevallen was.


Ta’aniet 16a

Gooi dat dooie beest weg!

Wat wordt beschouwd als een complete tesjoewa [berouw] voor een zonde?

Een wijsgerig inzicht wordt ons in onze Gemara geboden door Rabbi Adda bar Ahawa:

Iemand die gezondigd heeft en zijn zonde bekent maar zich niet ervan distantiëert, is te vergelijken met iemand die ritueel onrein geworden is doordat hij een dode sjèrets vasthoudt [één van de acht dieren die Tora noemt, en waarvan het lijk rituele onreinheid veroorzaak van degene die het aanraakt] en zichzelf onderdom­pelt in een mikwe om zich daarmee te reinigen, terwijl hij het dode beest nog steeds vasthoudt. Hij kan zich baden in alle wateren van de wereld, maar zij zullen hem niet reinigen. Maar zodra hij de sjèrets weggooit, zal ieder mikwe hem reinigen.”

Rambam (Hilchot Tesjoewa 2:3) gebruikt deze uitspraak als basis voor zijn voorschrift voor complete tesjoewa, maar hij gebruikt de woorden: die van plan is zich ervan te distantiëren” in plaats van die zich ervan distantiëert,” zoals het in de Gemara staat. Deze verandering kan opgevat worden in het licht van de voorafgaande paragraaf waar melding wordt gemaakt van de verschillende componenten waaruit de tesjoewa bestaat: spijt over het verleden, verbale bekentenis van de zonden en een besluit om de zonde niet meer te her­ha­len. Hij noemt het allemaal, maar hij voegt er nog aan toe dat men de zonde moet verlaten.”

Distantiëring en spijt zijn zeker vitaal voor het proces van tesjoewa, maar als men de wortel van de zonde die men begaan heeft niet analiseert – de onderliggende karakterzwakte die er de oorzaak van is dat hij in de fout ging – dan is hij inderdaad als iemand die tracht zich te reinigen met een dode sjèrets in zijn hand, zodat hij verontreinigd blijft.

Gooi de sjèrets weg, adviseert de Geleerde en zorg dat je de problemen kwijt raakt, alleen op die manier kan je volledig tot inkeer komen.