Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

  14 Sjewat 5767

Traktaat Ta'aniet 19-25 Nr. 131

Ta’aniet 19a

Choni de Cirkeltrekker

Het gebeurde eens dat het grootste deel van de maand Adar voorbij was, zonder dat het geregend had. Choni de Cirkeltrekker, een groot tsaddiek, werd gevraagd om voor regen te bidden. Hij zei tegen de mensen: breng jullie ovens voor Pesach naar binnen, opdat zij niet verweken door de regen. (De ovens waren in die tijd van klei gemaakt en stonden buiten te drogen). Het was vlak voor Pesach en het had nog niet geregend, maar Choni was zeker dat het nu zou gaan regenen.  Hij bad, maar er viel geen regen. Hij trok een cirkel en ging erin staan en hij verklaarde voor Hem: „Heer der Wereld, de kinderen kijken naar mij, omdat ik als een bevoorrechte dienaar voor u ben. Ik zweer bij Uw grote Naam dat ik hier niet vandaan ga, voordat U genade heeft getoond met Uw kinderen.”

Daarop begon het te druppelen. „Meester,” zeiden zijn leerlingen tegen hem, het lijkt ons dat deze regen alleen komt om u te bevrijden van uw eed.”

Daarop zei Choni: „Ik heb niet om zulke regen gevraagd maar om regen die de waterreservoirs, sloten en grotten vult.” Het begon nu te stortregenen.

Meester,” zeiden zijn leerlingen weer, het lijkt ons, dat de regen de wereld komt vernietigen.”

Choni zei nu: „Ik heb niet om zulke regen gevraagd, maar om een milde, zegenende regen heb ik gevraagd.” Daarop viel de regen normaal, totdat de Joden voor de regen moesten schuilen op de Tempelberg in Jeruzalem.

Meester,” vroeg nu het volk, zoals u gebeden hebt voor regen, bidt zo ook dat de regen stopt.”

Ik heb een traditie,” antwoordde hij, dat men niet moet bidden om de overvloed van het goede te doen stoppen. Breng mij echter een stier om als dankoffer te offeren.”

Zo gebeurde het en hij legde beide zijn handen op de stier en bad tot G-d:

Heer der Wereld, het volk Israël is noch in staat om te veel goeds, nocht te veel slechts te verdragen. Toen U kwaad was, konden zij dat niet verdragen. Wanneer U hen te veel van het goede geeft, is het ook niet goed voor hen. Moge het Uw wil zijn, dat de regen stopt en dat er verademing is in de wereld.”

Onmiddellijk begon de wind te blazen, de wolken werden verspreid, de zon begon te schijnen en het volk ging naar de velden.

De Misjna vertelt hoe Sjim’on ben Sjètach zich verbaasde over de brutaliteit van Choni, die van Hasjem tweemaal regen eiste. Eigenlijk zou hij Choni in de ban moeten doen omdat hij zo onbeleefd en blasfemisch gesproken had. Maar ja, nu had Hasjem hem desalniettemin beloond, als een vader die zijn veeleisende zoon toch liefheeft en hem toegeeft. Dus wat kon Sjim’on ben Sjètach dan nog doen?

(Sjim’on ben Sjètach was één van de twee hoofden van het Sanhedrin en de broer van Koningin Alexandra Salomé, de echtgenote van Koning Jannai, en leefde in de laatste eeuw V.G.J.)

Ta’aniet 20a-b

Een klacht tegen de Schepper (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Rabbi Elazar ben Sjim’on kwam eens van zijn leraar in Migdal Gedor, van wie hij veel geleerd had en hij voelde zich daarom erg blij.

Hij kwam op zijn weg een uitermate lelijk pesoon tegen, die tegen de rabbi zei: „Vrede zij met u, mijn leraar,” maar de rabbi beantwoordde de groet niet, maar zei: „Wat ben je lelijk! Zijn alle mensen uit jouw stad zo lelijk?” 

De man antwoordde: „Dat weet ik niet, maar doe uw beklag bij de ambachtsman die dit lelijke voorwerp gemaakt heeft.” 

De rabbi begreep zijn fout, en smeekte de man om vergiffenis, maar die antwoordde: „Ik vergeef je niet, ga naar mijn Maker en doe daar je beklag.”

De rabbi volgde de man tot zij aankwamen in zijn stad, en onderweg probeerde hij de man te overtuigen om hem te vergeven, maar tevergeefs.

In de stad aangekomen werd de rabbi vol respect begroet door de bevolking met Sjalom aleichem, onze meester en leraar.”

Nu was het de beurt van de vreemdeling om de rabbi te beledigen.

„Waarom tonen jullie zoveel respect voor deze man,” vroeg hij, en hij vertelde wat er gebeurd was.

Men zei tegen hem: „Vergeef de rabbi want hij is een groot geleerde.”

De man antwoordde: „Ik zal hem vergeven, op voorwaarde dat hij nooit meer zulke dingen zegt.” 

De Rabbi ging daarop het leerhuis binnen en zei: „ Men moet altijd zo zacht zijn als riet en niet zo hard als een ceder.” En om deze reden verdiende het riet dat er pennen van gemaakt werden om Tora-rollen mee te schrijven. [Tegenwoordig gebruikt men hiervoor geen riet meer, maar ganzeveren.]

De commentatoren verklaren dat de mysterieuze vreemdeling de Profeet Eliahoe was in vermomming en dat hij op deze manier aan de Geleerde verscheen, om hem een lesje te leren. Maharsja wijst erop dat Rabbi Elazar verondersteld had dat er iets moreel mis was met die man en dat dit weerspiegeld werd in zijn uiterlijk, net zoals wijsheid weerspiegeld wordt in de ogen van een wijs man. Een dergelijke veronderstelling gaf hem echter niet het recht om zich zou onbehoorlijk te gedragen en het antwoord van Eliahoe genas hem hiervan.

Ta’aniet 22a

Burgers van de Komende Wereld

Is er iemand op deze markt van Beilaft, die recht heeft op een plaats in de Komende Wereld?” vroeg Rabbi Beroka uit Chozai aan iemand die als geen ander op die vraag een antwoord kon geven, de Profeet Eliahoe.

Na enig aarzelen wees Eliahoe hem twee broers aan, die daar voorbij kwamen en identificeerde hen als burgers van de Komende Wereld. De Geleerde was nieuwsgierig om te weten wat deze twee mannen, die er gewoon uitzagen, voor bijzonders deden dat zij een dergelijke titel verdienden dus hij vroeg hen waarmee zij zich bezighielden.

Wij hebben er plezier in om andere mensen gelukkig te maken,” was het antwoord. Wanneer wij iemand zien die ter neergeslagen is, vrolijken wij hem op en als we twee mensen zien die ruzie met elkaar hebben, dan maken wij gekheid met hun situatie totdat zij samen vrede sluiten.”

Rasji verklaart dat hun vrede stichten de reden is waarom zij naar de Komende Wereld mochten, en dat dit geba­seerd is op wat onze Geleerden leren, namelijk dat wie vrede brengt tussen de ene mens en de andere, zowel in deze wereld als in de Komende Wereld beloond wordt .

Het verband tussen het iemand opbeuren die ter neergeslagen is enerzijds en de Komende Wereld anderzijds, schrijft de Maharsja, kan worden begrepen met behulp van wat onze Geleerden zeggen over Hasjem, Die meeleeft met het lijden van een zondaar die geëxecuteerd wordt voor zijn misdaad, als Hij verklaart: Hoe zwaar is Mijn hoofd, hoe zwaar is Mijn arm.”

Iedere Jood, zeggen onze Geleerden, heeft een aandeel in de Komende Weeld. Maar zijn relatie daarmee is alleen in het hiernamaals. Rabbi Beroka zocht naar een burger” van die wereld, wiens leven de waarden van die andere wereld weerspiegelde en die alleen een toerist” was in deze wereld. Deze twee entertainers hadden die levensbeschouwing van die andere weeld, waar Hasjem ongelukkig is als Zijn schepselen ongelukkig zijn. Hun gevoeligheid voor Hasjems gevoelens van verdriet, die hen motiveerden om verdrietige mensen op te vrolijken, bewezen dat zij inderdaad burgers” van de Komende Weeld waren, zelfs terwijl zij hier op aarde waren.

 Ta’aniet 23b

Gebeden die gesteund worden door goede daden

Abba Chilkia was de kleinzoon van Choni de Cirkeltrekker en ook hij had, net als zijn beroemde grootvader, de gave om regen te brengen door middel van zijn gebeden en als de wereld regen nodig had, zonden de rabbijnen hem een verzoek of hij om regen wilde bidden en dan kwam de regen. Eens gebeurde het dat de wereld regen nodig had en de rabbijnen gingen naar zijn huis om hem te vragen om regen te bidden. Maar hij was niet thuis. Zij vonden hem op het veld waar hij was aan het hooien. Zij groetten hem, maar hij groette niet terug.

In de avond ging hij naar huis met hout en hooi op zijn schouder en zijn mantel op zijn andere schouder, op blote voeten, behalve toen hij een stroom moest doorwaden, toen deed hij schoenen aan. Wanneer hij door een distelveld moest lopen, trok hij zijn kleed omhoog, zodat de doorns niet zijn kleren zouden scheuren [want het is verboden iets nodeloos kapot te maken en daarom droeg hij ook geen schoenen, opdat zij niet nodeloos zouden slijten]. Thuisgekomen werd hij door zijn vrouw, beladen met sieraden, begroet. Zij gingen naar binnen en hij nodigde de rabbijnen uit binnen te komen. Hij at brood, gaf zijn kinderen brood en zijn kleine kinderen gaf hij een dubbele portie. Maar hij bood de rabbijnen geen brood aan. Hij zei zachtjes tegen zijn vrouw: ik weet dat ze mij komen vragen of ik om regen wil bidden. Laten we naar het dak gaan en om regen bidden, zonder dat zij het weten, dan hoeven ze mij daarvoor niet te bedanken.

Abba en zijn vrouw gingen samen het dak op en baden om regen. Het begon eerder te regenen waar zijn vrouw stond, dan waar Abba stond.

Daarna ging hij naar beneden en vroeg aan de rabbijnen waarvoor ze gekomen waren. Ze vertelden het hem. Hij antwoordde: „Gezegend is Hasjem die het heeft laten regenen voordat jullie het konden vragen.”

De rabbijnen begrepen wel de hele comedie, maar wilden een verklaring voor zijn gedrag.

– Waarom had hij hun groet niet beantwoord? Abba antwoordde dat hij als dagloner werkte en hij wilde zijn werk niet onderbreken door hen te groeten [want daarmee zou hij zijn werkgever schaden].

– Waarom droeg hij de jas op zijn schouder en het hout op zijn andere schouder, waardoor zijn schouder beschadigde, in plaats van het hout op de jas te leggen? Hij antwoordde dat het een geleende jas was, die hij niet wilde beschadigen.

– Waarom droeg hij op de weg geen schoenen maar in het water wel? Hij antwoordde dat hij op de weg kon zien waar hij liep maar in het water niet.

– Waarom kwam zijn vrouw hem tegemoet met haar sieraden om? Opdat hij niet naar andere vrouwen zou kijken.

– Waarom ging zijn vrouw eerst het huis in, daarna hij en pas daarna de rabbijnen? Omdat hij zijn vrouw niet alleen met de twee vreemde mannen wilde laten.

– Waarom had hij hun niet voor de maaltijd uitgenodigd? Omdat er duidelijk niet genoeg brood was voor iedereen en de rabbijnen dus zouden bedankt hebben voor de uitnodiging en hij dan eer zou hebben gekregen voor niets.

– Waarom gaf hij zijn jonge kinderen een dubbele portie brood? Omdat zij de hele dag op school leerden en hongerig thuis kwamen, terwijl de grote kinderen de hele dag thuis waren en daar konden eten.

– Waarom werden de gebeden van Abba’s vrouw eerder verhoord dan zijn gebeden? Zijn vrouw gaf brood aan de armen vanuit haar huis, dat stilde onmiddelijk de honger. Hij gaf alleen maar geld, daarvoor moesten de armen eerst brood kopen. Haar gebeden werden daarom eerder verhoord want haar tsaddaka was eerder voor de armen beschikbaar.

¯ ¯ ¯

HaRav Sjlomo Morgenstern wijst erop dat de vloeken in parasjat Ki Tawo een waarschuwing bevatten dat iemands zonen en dochters in moeilijkheden zullen verkeren en dat de ouders niet in staat zullen zijn daar iets aan te doen. Hoe kan iemand machteloos zijn? In zijn vertaling en verklaring op Dewariem 28:32 legt Jonatan ben Uziël uit dat de ouders goede daden missen en dat ten gevolge daarvan hun gebeden geen uit­werking hebben. Dat is wat het vers bedoelt, als het zegt: Je handen zullen niet in staat zijn om G-d te bereiken.”

In het algemeen kan een mens zichzelf lijden sparen door tot Hasjem te dawwenen. De Joden in Egypte schreeuwden het uit van pijn. Het is duidelijk dat Hasjem wist dat zij pijn hadden, maar Hij redde hen niet, totdat Hij hen het hoorde uitschreeuwen in gebeden tot Hasjem. Het is duidelijk dat een ouder die zijn kinderen ziet lijden, tot Hasjem zal bidden om redding. Als dat zo is, waarom wordt de man, die in parasjat Kie Tawo beschreven wordt, niet beantwoord?

Het kan zijn dat iemand ondanks dat hij dawwent, niet verhoord wordt, omdat hij geen verdiensten heeft. Dit vers heeft het over iemand die onvoldoende of op onjuiste manier liefdadigheid bedreven heeft. Gebed alleen kan niet zijn doel bereiken, als de persoon in kwestie deficiënt is in zijn handelingen. De Targum leert ons een nieuw inzicht in het geheim van het gebed. Gebed alleen, zonder verdiensten, werkt niet. Verdienste alleen, zonder gebed, werkt ook niet. Mitswot en goede daden, dat is de grondslag waarop een effectief gebed gebouwd kan worden, dat ons in staat stelt HaKadosj Baroech Hoe te bereiken.

Gebeden zijn effectief wanneer zij worden uitgesproken door iemand met goede daden. En in feite speelt ook de kwaliteit van de goede daden een rol, bij de mate waarin een gebed tot in de Hemel kan door-dringen, zoals blijkt uit het geval met Abba Chilkia. Berouw, gebed en goede daden kunnen een negatief vonnis opzij duwen. Wanneer onze gebeden omringd zijn door goede daden, zullen we resultaten zien. (Uit Daf Yomi Digest)

Ta'aniet 24b

De reiziger in de regen (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Rabbi Chananja ben Dosa was aan het wandelen, toen het begon te regenen. Hij wendde zich tot G-d en zei: „De hele wereld heeft het comfortabel, behalve ik.”

De  regen stopte onmiddellijk.

Toen hij thuis kwam, wendde hij zich opnieuw tot G-d en zei: „Nu is de hele wereld bedroefd en ik heb het comfortabel.”

Daarop begon het weer te regenen.

Welke kracht heeft het gebed van de Kohen Gadol vergeleken met dat van Rabbi Chanina ben Dosa,” vroeg Rabbi Joséf.

Hij had het over het gebed dat op Jom Kippoer door de Kohen Gadol gezegd wordt als hij het Heilige der Heiligen verlaat. Dat gebed bevatte niet alleen een verzoek om adequate regen, maar ook een verzoek aan Hasjem om de gebeden van reizigers, die Hasjem vragen dat het niet zal regenen, te negeren (zie Joma 53b).

Dit conflict tussen de behoeften van de gemeenschap en het comfort van de enkeling op de weg wordt opgelost ten gunste van de gemeenschap in de gebeden van de Kohen Gadol. Dit schijnt in tegenstelling te staan  tot de oplossing van hetzelfde conflict dat eerder in ons traktaat (10a) vermeld stond. Daar leerden we dat in het Land Israël het verzoek om regen niet wordt opgenomen in de dagelijkse gebeden tot vijftien dagen na Soekot. Dit stelt de pelgrimgangers, die naar Jeruzalem waren gekomen om de mitswa van de alia lerègel te doen, in de gelegenheid droog weer thuis te komen, voordat de regens zouden beginnen, zelfs wanneer zij ver weg woonden en lang onderweg zouden zijn.

Het eenvoudige antwoord is dat we onderscheid moeten maken tussen een gewone reiziger, wiens comfort moet worden opgeofferd voor de belangen van de gemeenschap, en dat van een Jood die de hele weg naar Jeruzalem gereisd heeft, om daar Hasjem in het Beit HaMikdasj te dienen op Soekot. We zijn bereid om het gemeenschapsbe­lang voor hem op te offeren, opdat hij niet ontmoedigd wordt om die dienst te komen doen.

Wat Rabbi Chanina ben Dosa betreft, misschien werd zijn gebed geaccepteerd door de Hemel, tegen dat van de Kohen Gadol in, omdat zijn gebed ook geaccepteerd werd toen hij vroeg dat de regen weer zou beginnen, toen hij thuis kwam.

Ta’aniet 25a

Schemertijd (Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach)

Vele wonderen worden veteld in onze Gemara over de heilige Rabbi Chanina ben Dosa. Eén daarvan vond plaats tijdens de bein hasjemasjot – schemering [de periode tussen het verdwijnen van de zon van de horizon en het intrede van de duisternis, een periode waarvan het halachisch niet duidelijk is of die nog bij de vorige dag, of al bij de volgende avond hoort]. Rasji definiëert ‘bein hasjemasjot’ als een term van de Talmoed voor de periode vóór het begin van Sjabbat. Het volgende verhaal begint wanneer Rabbi Chanina’s dochter zucht van verdriet. Haar vader vraagt haar waarom zij zo verdrietig is.

Toen ik de Sjabbat-lichten klaarzette,” antwoordde zij, heb ik per ongeluk azijn in de lampen gedaan, in plaats van olie. Sjabbat is al begonnen en het kleine beetje olie dat nog in de lampen zat, zal nu wel spoedig zijn opgebrand, terwijl de azijn niet als brandstof kan dienen.”

Maak je geen zorgen,” antwoordde de Geleerde. Hij die de olie bevolen heeft om te branden, kan ook de azijn bevelen om te branden.”

Niet alleen brandde de azijn op wonderbaarlijke wijze, maar het licht ervan duurde de gehele Sjabbat en kon zelfs gebruikt worden voor Havdala.

Hoewel Rasji hier zegt dat hij geen verklaring heeft voor het gebruik hier van het woord ‘bein hasjemasjot’ met betrekking tot erev Sjabbat, geeft hij elders wel een verklaring. In traktaat Ketoebot (103a) beschrijft Rabbi Jehoeda Hanasi een bezoek aan huis na zijn dood in de schemertijd. Rasji verklaart dat bein hasjemasjot het tijdsbestek vóór Sjabbat is. Waarom? Omdat dit de tijd van de week is, wanneer Joden zich het meest bekommeren om de vraag wat de juiste tijd is dat de schemering begint, omdat op dat moment alle werk van de week al gestopt moet zijn.

Maharsja biedt hier een ander perspectief. Daar een Jood verplicht is iets van de werkdag aan de Sjabbat toe te voegen (tosèfet Sjabbat – d.w.z. dat hij al Sjabbat moet in acht nemen nog voordat de Sjabbat ingaat), is de uitdrukking bein hasjemasjot hier van toepassing als een indicatie dat deze tijd de overgang vormt van vrijdag naar Sjabbat. Om dezelfde reden, merkt hij op, noemen wij deze periode erev Sjabbat”, omdat het gedeelte van de namiddag, dat in het Hebreeuws met het woord erev wordt aangeduid, is omgezet in Sjabbat wegens onze noodzaak om deze heilge dag eerder in te luiden. [Het Hebreeuwse woord erev heeft dezelfde letters als het werkwoord arav dat ‘mengen’ betekent. Dus erev is dan een aanduiding voor de tijd waarom dag en nacht met elkaar vermengd worden. Bein hasjemasjot betekent letterlijk: ‘tussen de zonnen’, dat wil zeggen de tijd tussen dat de grote zon” ondergaat en de kleine zonnen” – de maan en de sterren – opkomen.]