Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   28 Sjewat 5767

Traktaat Ta'aniet/Megilla Nr. 132

 

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Ta’aniet 29a

Het verband tussen twee maanden

Welk verband kan er mogelijk bestaan tussen de de maand Av, waarin wij vasten wegens de verwoesting van het Beit HaMikdasj en andere tragedies die op de negende Av plaatsvonden, en de blijde maand Adar, waarin wij de wonderlijke redding van het Joodse volk op Poeriem vieren?

Een antwoord op deze vraag wordt geleverd door een van de Geleerden in naam van de grote Geleerde Rav: „Net zoals wij onze vreugdevolle activiteiten verminderen als de maand Av aanbreekt, zo verhogen we onze vreugde met de komst van de maand Adar.”

Een dieper begrip van de vergelijking die in deze uitspraak weerspiegeld wordt, kan worden verkregen wanneer wij ons een scene in herinnering brengen, die bijna iedereen heeft waargenomen of meegemaakt.

Een vader neemt zijn kind mee uit winkelen. Wanneer hij ergens komt waar kinderen niet welkom zijn, vraagt hij het kind enkele minuten buiten te wachten, terwijl hij binnen zijn boodschap doet. De minuten lopen wat uit en het kind begint hysterisch te huilen. Psychologen zeggen dat er geen grote trauma bestaat dan een kind dat het gevoel heeft dat hij door zijn ouder in de steek gelaten werd, en dit kind demonstreert overduidelijk de waarheid van deze waarneming. Dan komt de vader naar buiten en het kind rent overgelukkig in zijn armen. Als de vrees om in de steek te worden gelaten dé grote tragedie in het kinderleven is, dan is de hereniging met zijn vader de grote vreugde.

De herdenking van de verwoesting van het Beit HaMikdasj in de maand Av roept in ons het gevoel op dat wij door onze Hemelse Vader in de steek gelaten zijn, terwijl Hij alleen maar „Zijn gezicht voor ons verborgen heeft,” om onze vijanden de gelegenheid te geven ons kwaad te doen, ten einde ons te stimuleren dat wij onze eigen gang moeten gaan. De maand Adar, aan de andere kant, gedenkt onze blijde hereniging met onze Hemelse Vader, Die ons redde van de verwoesting van ons volk met het wonder van Poeriem.

Nu is de vergelijking duidelijk. Alleen de herbeleving van het intense drama van het verlies van Av kan ons de uiteindelijke vreugde van de hereniging van Adar doen appreciëren.

Ta’aniet 31

De dag van de gebroken bijl

„Er was geen blijdere dag voor Israël dan Jom Kippoer en de 15de Av,” zegt de Misjna. Jim Kippoer, zo begint de Gemara, is begrijpelijk een heel speciale dag, want het was de dag dat Hasjem de Joden hun zonde van het gouden kalf vergaf. Daarmee werd voor altijd de Dag van de Verzoening vastgesteld, en de dag waarop de tweede Stenen Tabletten met de Tien Geboden werden gegeven aan ons volk. Maar wat is er zo speciaal aan de 15de Av?

De laatste van een half dozijn verklaringen hiervoor is die van de Geleerden Rabba en Rav Joseef:

Op deze dag ieder jaar, werd het werk van het houthakken voor het altaar in het Beit HaMikdasj gestopt. De warmte van de zon was na die datum niet meer intens genoeg om het hout te drogen. De vocht van het hout veroorzaakte dan niet alleen extra veel rookontwikkeling wanneer het verbrand werd, maar trok ook houtworm aan, hetgeen het hout ongeschikt maakte voor gebruik op het altaar. Om die reden stond die dag ook wel bekend als „de dag van de gebroken bijl.”

De commentatoren bieden twee verklaringen voor de reden waarom die dag als een feestdag gevierd werd.

Nimoekei Joseef ziet dit als een uitdrukking van de gewoonte om zich te verheugen bij de voltooiing van een mitswa en om dat te vieren met een feestdag. Deze verklaring wordt genoemd door Rama [Joré Dea 246:26] als bron voor de gewoonte om de afsluiting van een traktaat van de Talmoed feestelijk te vieren.

Rabbeinoe Gersjon werpt een andere blik op deze mitswa van het houthakken voor het altaar. Ongeacht hoe belangrijk het was, het ging ten koste van Tora-studie. Met de beëindiging van dit houthakkersseizoen konden degenen die zich daarmee hadden bezig gehouden weer al hun tijd besteden aan de studie van Tora. En dat was inderdaad een rede om feest te vieren.

Megilla 2a

Het land gedenken

 Poeriem wordt niet overal op dezelfde dag gevierd. In ommuurde steden, zo wordt ons verteld in Megillat Ester, wordt het feest gevierd op de 15de Adar, terwijl het in de niet-ommuurde steden op de veertiende gevierd wordt.

De reden hiervoor is dat in de niet-ommuurde steden de Joden hun vijanden op de 13de Adar verslagen hadden, terwijl de strijd in de ommuurde stad Sjoesjan voortduurde tot de 14de Adar, zodat de Joden daar pas de volgende dag, de 15de hun overwinning konden vieren. Daarom vieren alle ommuurde steden Poeriem op de 15de Adar, wegens hun overeenkomst met Sjoesjan.

De definitie Ommuurde stad” is niet afhankelijk van de huidige toestand van de stad, maar hangt ervan af of die stad in de tijd van de verovering van het Land Israël door Jehosjoe’a bin Noen een muur had. Maar waarom is de tijd van Jehosjoe’a bepalend voor de vraag of een stad ommuurd is? Was het niet logischer om dit te baseren op de toestand in de tijd van het Poeriem-wonder?

Het antwoord wordt gevonden in de Jeruzalemse Talmoed, waar Rabbi Jehosjoe’a ben Levi verklaart dat dit gedaan was om eer te bewijzen aan het Land Israël dat in die tijd van Ballingschap verlaten en in ruïnes lag.

De Ran verklaart dit als volgt: in de tijd van het Poeriem-wonder waren er nauwelijk nog steden in het Land Israël, waarvan de muren nog intact waren. Als de definitie van een ommuurde stad afhankelijk geweest was van de toestand in die tijd, dan hadden alle steden in het Land Israël gevallen in de categorie niet-onmuurde steden.” Dat gold ook voor Jeruzalem en dan zou de stad Sjoesjan een hogere status hebben gehad dan Jeruzalem. Om Jeuzalem die schande te besparen, besloten de Geleerden van die generatie dat een stad de titel van onmuurde stad” alleen kreeg, als die stad in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen een muur had. Op die manier kwamen meer steden in Israël voor deze titel in aanmerking.

Rabbijn Joséf Karo (de Beit Joséf) heeft een andere benadering. Onze Geleerden wilden een aandenken aan Erets Jisraël in de viering van dit wonder, dat in het buitenland plaats vond. In de geest van zécher leMikdasj – ter nagedachtenis aan het Heiligdom – verbonden de Geleerden de definitie van ommuurde stad” aan Erets Jisraël, opdat de Joden die in het buitenland woonden het Heilige Land niet zouden vergeten.

Megilla 6b

Tora-studie

Een uitspraak van Rabbi Jitschak: Als iemand zegt dat hij in Tora gezwoegd heeft, maar niet geslaagd is, geloof hem dan niet, en als iemand zegt dat hij zonder zwoegen met Tora geslaagd is, geloof hem dan ook niet. Maar als iemand zegt dat hij in Tora gezwoegd heeft en daarin slaagde, dan mag je hem geloven. [Want alleen iemand die hard Tora stu­deert, slaagt erin dat meester te worden.] Dit betreft het begrijpen van Tora, maar om het te onthouden, moet men de hulp van de Hemel hebben, zoals ook in zaken: om succes in zaken te hebben heeft men hulp van de Hemel [mazal] nodig.

Megilla 7b

Drinken om te vergeten

Men moet zoveel drinken op Poeriem,” zegt de Geleerde Rawa, dat hij niet meer het verschil weet tussen ‘vervloekt is Haman’ en ‘gezegend is Mordechai.’

Het is altijd een traditie van de Joden geweest om het Poeriem-wonder te vieren met het zingen van deze woorden van lof voor de held van de megilla en veroordeling van de misdadiger. Is het drinken dan bedoeld om het verschil uit te wissen tussen waardering en afkeuring?

Misschien is de boodschap hier dat ieder die door de Hemel van een gevaar gered is, dankbaar moet zijn, niet alleen maar voor de redding, maar ook voor de ervaring die daaraan vooraf ging. Als de begunstigde van genade van de Voorzienigheid, hetwelk hem zijn leven schonk, heeft hij een hoger niveau van erkenning en appreciatie van de Hemelse krachten en genade bereikt.

Vreugde vol drinken op Poeriem moet daarom een Jood ertoe brengen dat hij nadenkt over datgene wat hij gewonnen heeft – niet alleen dat hij gered werd door Mordechai, maar ook hoe het kwam dat wij het dreigende gevaar van Haman moesten ervaren.

Het doel van het drinken is dan om na te denken en niet om dronken te worden.


Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 403 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Megilla 3a

De interruptie van Tora-studie

De Gemara zegt: „Tora-studie moet worden onderbroken, om te komen luisteren naar de Megilla.”

Megillat Ester is één van de vier-en-twintig boeken van Tanach [Bijbel]. Waarom wordt het luisteren naar de Megilla dan beschouwd als een interruptie van Tora-studie? Is het niet eveneens Tora-studie?

Bitoel Tora op de weg naar sjoel – De zoon van de Noda BeJehoeda, R. Ja’akov Landau, verklaart dat de tijd die men besteedt aan het horen van de Megilla in sjoel niet als bitoel Tora [interruptie van Tora] beschouwd wordt, maar dat het gaat om de tijd die men verdoet bij het gaan van zijn plaats waar men Tora leert, naar de sjoel. Dit antwoord past uitstekend bij de woorden van de Gemara: „Tora-studie moet worden onderbroken, om te komen luisteren naar de Megilla.” Het komen om te luisteren, dat wordt beschouwd als een interruptie van het Tora-leren [Tesjoewot Beit Efraim 60].

Pirsoemei nisaDeze vraag werd gesteld aan de Beit Efraim op de dag van Poeriem zelf, nadat hij al de nodige wijn gedronken had en zich niet in staat voelde om de vraag naar behoren te beantwoorden. De volgende ochtend, nadat hij weer nuchter was, antwoordde hij dat Megillat Ester niet geschreven was om daarmee de mitswa van Tora-studie te vervullen, maar om de mitswa van pirsoemei nisa – de publicatie van het wonder van Hasjem – te vervullen.

De Avnei Nezer (Tesjoewot O.Ch. 517) maakte bezwaar tegen deze bewering, dat de Megilla niet geschreven was om de mitswa van Tora-studie te vervullen, omdat dit impliceert dat de Megilla geen deel van Tora uit­maakt. Daar wij in ons traktaat uitgebreide drasjot op de Megilla vinden, waarvan onze Geleerden vele nieuwe halachot afleiden, moeten wij de Megilla zeker beschouwen als een deel van Tora. In werkelijkheid beschouwt de Beit Efraim de Megilla wel degelijk als een deel van Tora. Hij bedoelde alleen maar dat de Megilla op Poeriem gelezen wordt voor de publicatie van het grote wonder dat toen gebeurde. Wanneer iemand de Megilla hoort lezen, vervult hij de mitswa van pirsoemei nisa, niet talmoed Tora [Tora-studie]. Echter, als iemand de Megilla leert, om de diepte ervan te begrijpen, dan vervult hij zeker wel de mitswa van Tora-studie.

Bitoel Tora in kwaliteit – De Beit Efraim antwoordt ook dat het horen van de Megilla niet dezelfde diepte  van begrip vereist als nodig is wanneer men een soegia van de Sjas in diepte bestudeert. Daarom wordt het beschouwd al bitoel Tora in kwaliteit. Hij citeert uitgebreid bewijzen dat de kwaliteit van iemands Tora-studie niet alleen beoordeeld wordt naar de tijd die hij daaraan besteedt, maar ook naar de diepte en concentratie van zijn studie.

Het horen van de Megilla, of het alleen lezen – De Maharsjam (Da’at Tora 687) schrijft dat de algemene regel is, dat mitswot waarbij men iets zegt – zoals berachot – vervuld kunnen worden door te luisteren naar iemand anders die ze zegt. Echter, Tosafot (Berachot 21b) schrijft dat het beter is als men ze zelf zegt. Nu zou men kunnen denken dat hetzelfde geldt voor het horen van de Megilla, namelijk dat het beter is om het zelf te lezen, dan te luisteren naar de voorlezing van iemand anders. Echter, in strijd met deze veronderstelling legt de Gemara er de nadruk op dat we onze eigen Tora-studie moeten onderbreken, niet om zelf de Megilla te lezen, maar om die te horen lezen in sjoel door de chazan.

Een Tora-leraar – De Rasjbasj legt uit dat de Gemara het hier heeft over een Tora-leraar, wiens leerlingen de Megilla al gehoord hebben, maar dat hij het zelf nog niet gehoord heeft. Dan moet hij zijn Tora-les aan hen onder­breken, om de Megilla te horen.

Tora moet begrepen worden – De Maharil Diskin verklaart, gebaseerd op de woorden van de Gemara verderop (18a) dat wij de betekenis van de woorden „ha-achasjteraniem bnei harachamiem” niet begrijpen. Wanneer we deze woorden lezen, vervullen we niet de mitswa van Tora-studie, want de Magen Awraham (47:1,7) heeft beslist dat men begrijpen moet wat men leert, opdat het beschouwd kan worden als Tora-studie.