Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   5 Adar 5767

Traktaat Megilla 10-16 Nr. 133

 

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Megilla 12a

Het geheim van het standbeeld

W

at hadden de Joden gedaan dat zij de dreigende uitroeiing door Haman verdiend hadden?” Deze vraag stelden de leerlingen van Rabbi Sjim’on ben Jochai en hij antwoordde hen dat dit was omdat zij voor het standbeeld van Newoechadnetsar gebogen hadden, dat hij in de vallei van Dura vele jaren daarvoor had neergezet (zie Daniël 7:1-6). Maar daar de Joden hier niet vrijwillig voor gebogen hadden als een uiting van afgodendienst, maar dat daarmee alleen maar hadden voorgewend, om niet in de brandende oven gegooid te worden, betaalde Hasjem hen terug door ook alleen maar een uitroeiing voor te wenden.

Buigen voor een afgodsbeeld is een van de drie hoofdzonden die een Jood moet vermijden, zelfs ten koste van zijn leven. Hoe kan dan een heel volk schuldig geweest zijn aan een verboden show van afgoderij – met uitzondering van Chananja, Misjaël en Azarja, die op wonderlijke wijze niet gekwetst werden door de vlammen van de oven, waarin zij gegooid waren omdat zij geweigerd hadden te buigen voor het afgodsbeeld? Waarom waren er niet meer, die kozen voor het martelaarschap, zoals Tora van hen eist [en zoals vele tienduizende Joden na hen door alle eeuwen heen wel gedaan hebben]?

Deze vraag is een van de bewijzen die Rabbeinoe Tam aanhaalt voor zijn veronderstelling dat het beeld van Newoechadnetsar helemaal geen afgodsbeeld was, maar een middel om eer te bewijzen aan de koning. Vele mensen uit die tijd veronderstelden echter dat het wel een afgodsbeeld was, dus het zou een heiliging van G-ds Naam geweest zijn als alle Joden geweigerd hadden ervoor te buigen en het feit dat zij dat niet geweigerd hadden, bracht hen in moeilijkheden met Haman.

Een interessante steun voor deze benadering is te vinden in de uitdagende verklaring van deze drie Joodse bannelingen, die hoge posities bekleedden aan het hof van het Babylonische koninkrijk: „De koning moet weten,” zeiden deze trotse Joden, wier namen de koning veranderd had in Sjadrach, Meisjach en Avad Nego, „dat wij uw afgoden niet zullen dienen en niet zullen buigen voor uw gouden standbeeld” (Daniël 3:18). Deze verklaring maakt duidelijk onderscheid tussen afgodendienst en het buigen voor het standbeeld.

De Gemara zegt elders (Pesachiem 53b) dat deze helden hun argumenten ontleenden aan de kik-vorsen in Egypte, die de ovens in gingen op bevel van Hasjem tijdens de tweede plaag, ondanks dat zij dat volgens de wet niet verplicht waren.

¯ ¯ ¯

Megilla 13a

Wie is een Jood?

De vraag Wie is een Jood” kan dan een halachisch onderwerp zijn van onze tijd, maar Wie verdient het om een Jehoedi te worden genoemd” is een vraag die teruggaat tot Megilla Ester en Mesèchet Megilla.

Mordechai wordt in de Megilla geïntroduceert als een Jehoedi en wanneer zijn afstamming opgesomd wordt, wordt hij geïdentificeerd als een Binjaminiet. Van welke stam is hij een afstammeling, vraagt de Gemara, van Jehoeda of van Binjamin?

Hij was van de stam Binjamin, legt Rabbi Jochanan uit, maar hij wordt Jehoedi genoemd omdat hij afgodendienst weigerde. De naam Jehoeda is niet alleen de naam van een stam van Israël, het is de titel die gegeven werd aan Chananja, Misjael en Azarja, toen over hen aan Newoechadnetsar gerapporteerd werd dat zij zijn bevel om voor het standbeeld te buigen, genegeerd hadden, ondanks dat dit betekende dat zij dan in een vurige oven gegooid zouden worden. Mordechai verdiende deze titel ook voor het riskeren van zijn leven om te weigeren te gehoorzamen aan het koninklijke bevel om voor Haman te buigen, die zichzelf tot afgod benoemd had.

Rabbi Jehosjoe’a ben Levi geeft een andere verklaring. De vader van Mordechai was een afstammeling van de stam van Bin­jamin en zijn moeder was van de stam van Jehoeda. Zo erfde hij het vereiste talent om de dreiging van Haman te weerstaan.

Rabbijn Jonatan Eibeschitz merkt in zijn Ja’arot Devasj op, dat terwijl Hamans vader een Amalkiet was, zijn moeder tot een ander volk behoorde. Deze geneologie voorzag hem van de dubbele capaciteit om het Joodse volk kwaad te doen en hij moest daarom worden tegengehouden door iemand wiens eigen voorouders hem de kracht gaven om deze krachten te weerstaan.

Mordechai’s vader was van de stam Binjamin en net zoals de nakomelingen van Rachel voorbetemd waren om Esav te vernietigen, zo waren de nakomelingen van Binjamin bestemd om de nakomelingen van Amalek te verslaan. Maar het was Jehoeda die gezegend was door zijn vader met de kracht om alle andere vijanden van Israël te verslaan. Het was deze kracht, die Mordechai van zijn moeder geërfd had, die hem in staat stelde te slagen tegenover de macht van Haman, die van diens moeders kant afkomstig was.

¯ ¯ ¯

Megilla 14a

De heuvel en de kuil

Toen Haman Achasjverosj 10.000 talenten zilver aanbood om toestemming te krijgen om zijn moordzuchtige plannen tegen de Joden uit te voeren, antwoordde de koning: Het zilver is aan jou gegeven en aan het volk, om er mee te doen als jou goed lijkt” (Ester 3:11). Daarop geeft hij aan Haman zijn koninklijke ring als bewijs voor diens bevoegdheid tot de endlösung.”

Onze Geleerden vergelijken deze scene met een dialoog tussen een man die een heuvel in zijn veld heeft, hetgeen de bewer­king van zijn land verhindert, en een ander, die een soortgelijk probleem heeft, omdat hij een kuil in zijn veld heeft. Elk van hen zou graag hebben wat zijn buurman in zijn veld heeft, als oplossing voor zijn eigen probleem. Op een dag benadert de eigenaar van de kuil de eigenaar van de heuvel met het aanbod om diens heuvel te kopen, zodat die heuvel het gat in de grond kan opvullen. De heuvel-eigenaar bedankt voor het gulle aanbod, veel te blij dat zijn buurman de heuvel gratis wil weghalen. Zo hebben beiden profijt van deze handel.

Achasjverosj en Haman haatten allebei de joden, maar om tegengestelde redenen. Voor deze hooghartige koning vormde dit wijze en edele volk een berg die zijn eigen positie bedreigde. Voor Haman waren het lage, verachtelijke schepselen, waarop hij neerkeek als iemand die in een kuil in de grond kijkt.

In een andere zin vertegenwoordigen deze twee symbolen twee klassieke benaderingen om het antisemitisme door de eeuwen heen te overkomen. De Joden die denken dat zij gehaat zijn omdat zij anders zijn, hebben ontdekt dat assimilatie hen alleen maar verachting oplevert van degenen die zij trachten te imiteren, en die nu nog meer op hen neerkijken dan te voren – de kuil. Anderen proberen de waardering van niet-Joden te winnen door hen eraan te herinneren hoeveel zij aan de Joden te danken hebben, die hen rijk gemaakt hebben met hun handel, wetenschap en kunsten, om daar alleen maar nog meer irritatie bij onze vijanden mee te creëren en die nog blijer zullen zijn om van de Joden (de berg in hun ogen) af te komen.

De enige reële oplossing voor het probleem wordt gesuggereerd in de volgende regels van de Gemara in het commentaar op de overhandiging van de koninklijke ring: De overhandiging van de ring bereikte meer dan al de 48 profeten en 7 profetessen bereikt hebben, die er niet in slaagden om de Joden tot inkeer te brengen, terwijl deze overdracht van macht dat wel bewerk­stelligde.”

¯ ¯ ¯

Megilla 16b

Het belang van Tora-studie

De studie van Tora, zegt Rav Joséf, is belangrijker dan het redden van levens. Als bewijs van zijn stelling vraagt hij aandacht voor twee Bijbel-passages, die de terugkeer van Mordechai naar Erets Jisraël beschrijven. In de eerste (Ezra 2:2) wordt Mordechai genoemd na vier anderen, die samen met Zeroebavel kwamen, nadat de Perzische heerser Cyrus toestemming gegeven had om terug te keren. In de tweede (Nechemja 7:7) wordt hij opgenoemd na vijf anderen, die Zeroebavel 22 jaar later begeleiden, wanneer hij een tweede keer terugkeert na de bouw van het Tweede Beit HaMikdasj.

Waarom werd Mordechai op die manier gedegradeerd? vraagt Rav Joséf. Het antwoord is dat in die tussentijd het Poeriem-wonder plaatsvond en Mordechai de Perzische Eerste Minister werd. Hoewel hij daarmee in staat was Joodse levens te redden, daalde hij in de achting van de Geleerden, omdat hij zich daarna niet meer met dezelfde intensieit wijdde aan Tora-studie.

Deze uitspraak van Rav Joséf wordt genoemd door Maharsjal als een uitdaging aan een halacha in de Sjoelchan Aroech, Joree Dea 251:14. Daar staat dat als een gemeenschap geld heeft ingezameld met het doel om daarmee Tora-studie te steunen, dan mag het die gelden aanwenden om een belasting te betalen die een niet-Joodse heerser op hen gelegd heeft. Hoewel de algemene regel is, dat goederen of geld dat opzij gezet is voor een bepaald heilig doel niet gebruikt mag worden voor een ander heilig doel, tenzij dat van een hoger gehalte is, is het in dit geval toegestaan, omdat er gevaar bestaat voor het leven van arme mensen in de gemeenschap, die niet in staat zijn de belasting te betalen en die zich daarmee gewelddadige acties van de despoot op de hals halen.

Maar als de studie van Tora belangrijker is dat het redden van levens, vraagt de Maharsjal, hoe is het dan mogelijk dat fondsen die verzameld zijn voor dit verhevener doel, worden aangewend voor iets minder belangrijks?

De Toerei Zahav (ib. 6) geeft hier een interessant antwoord op:

Er bestaat geen twijfel over, dat als iemand verdiept is in zijn Tora-studie en er doet zich een situatie voor waarin een leven gered moet worden, dat hij dan zijn Tora-studie moet onderbreken om dat leven de redden, omdat niets in de weg mag staan van het redden van een leven,” zeggen onze Geleerden. Het is dus duidelijk dat de studie van Tora hiervoor onderbroken moet worden en gelden die ingezameld zijn voor Tora-studie moeten dus gebruikt worden om de levens te redden van de potentiële slachtoffers van de belastinginner.

Wanneer Rav Joséf Tora-studie vergelijkt met het redden van levens, meet hij alleen maar de verdienste van iemand die in staat is Tora te leren zonder onderbreking van noodsituaties, met de verdienste van iemand wiens studie onderbroken werd door omstandigheden, die hem dwongen, zoals Mordechai, om zijn tijd en energie te gebruiken om levens te redden.

¯ ¯ ¯