Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   12 Adar 5767

Traktaat Megilla 17-23 Nr. 134

 Megilla 18a

Veeg Amalek de deur uit  [Uit Daf Yomi Digest (aangepast)]

De Misjna op daf 17a zegt: Als men het seroegien  leest, heeft men zijn plicht gedaan.

De Rabbijnen, de leerlingen van Rebbi,  wisten niet wat seroegien betekent, totdat, toen zij het huis van Rebbi voor de zoveelste keer die dag binnengingen, zij de dienstmeid van Rebbi tegen hen hoorden zeggen: „Hoe lang zijn jullie nog van plan seroegien seroegien binnen te gaan?” Toen begrepen zij dat het betekende „met tussenpozen.”

Een soortgelijk incident: De Rabbijnen wisten niet wat haloglogot betekende, totdat zij van de dienstmeid van Rebbi begrepen dat het postelein is.

Zij begrepen ook niet de betekenis van het vers (Spreuken 4:8): „Slaseleha en het zal je verheffen.” Ze leerden van de dienstmeid van Rebbi dat salseleha omdraaien betekent.

De Rabbijnen wisten ook niet van het woord jahav betekende in Psalmen 55:23: „Werp je jahav op Hasjem.” Van Rabba bar bar Channa leerden zij dat jahav ‘last’ betekent.

En van de dienstmeid leerden zij de betekenis van het vers [Jesjajahoe 14:23]: „En Ik zal tetatia met een mateatee van vernietiging”. Zij wisten niet wat tetatia met een mateatee was. Totdat zij hoorden hoe de meid tegen iemand zei: Neem deze mateatee [bezem] en tetatia [veeg op] deze rommel van de vloer. Toen begrepen zij dat het vers betekende: „Ik zal het wegvegen met een bezem van vernietiging.”

Het jaar 1915 was een turbulent jaar voor oost Europa en de Jodsen en voor de hele wereld: de Eerste Wereldoorlog was op zijn hoogtepunt. In Polen was zelfs een eenvoudig reisje levensgevaarlijk. Daarom, toen de Lev Simcha zt”l ging trouwen, verklaarde zijn vader, de Imrei Emet zt”l dat niemand er ook maar aan mocht denken om te reizen, om het huwelijk bij te wonen. Hij zei: „Ieder van hen die anders zouden komen, moet in plaats daarvan maar met ons in gedachten feest vieren in de veiligheid van zijn eigen huis. Niemand mag zichzelf in gevaar brengen in deze gevaarlijke tijden.

Op de avond van het huwelijk, Rosj Chodesj Eloel, was er voor al de aanwezigen een grote verrassing. De vroegere melamed – onderwijzer – van de Imrei Emet, Rav Hirsch Ber Bronspiegel, zt”l, had werkelijk een grote afstand gereisd om het feest van de familie mee te mogen maken, ondanks zijn vergevorderde leeftijd. Hij was toen al over de negentig jaar. Hoewel de Rebbe blij was toen hij zijn oude mentor zag, was hij niettemin verstoord dat Rav Bronspiegel de lange en gevaarlijke reis gemaakt had.

De Rebbe gaf zijn dagelijkse sji’oer en Rav Hirsch voegde zich bij de groep om de sji’oer mee te horen. Toen de Rebbe begon te discussiëren over het eind van daf 18a van traktaat Megilla, vroeg Rav Hirsch: „We zien dat de amoed [bladzijde] eindigt met twee verzen, die woorden bevatten, waarvan de geleerden de betekenis niet begrepen, maar die zij later leerden toen zij hoorden hoe de dienstmeid van Rebbi die woorden gebruikte in hun juiste context. Het eerste vers was (Psalmen 55:23): „Werp je jahav op Hasjem.” hetgeen betekent: „Werp je last op Hasjem,” en het tweede was: [Jesjajahoe 14:23]: „En Ik zal tetatia met een mateatee van vernietiging – Ik zal het met de bezem der vernietiging wegvegen.”

In Rosj Hasjana 26 vinden we dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, maar de volgorde ervan is omgekeerd. Waarom?

De Rebbe wachtte geduldig tot Rav Hirsch het antwoord zou geven op zijn eigen vraag.

„De Isjbitzer Rebb, zt”l, leert dat de Gemara eindigt met de meest relevante vraag voor ons. In traktaat Rosj Hasjana is het thema de rechtspraak en hartstochtelijk gebed is dan het voornaamste. Daarom eindig-den Chazal daar met het advies dat men zijn lasten aan Hasjem moet toevertrouwen. Maar in traktaat Megilla is het thema Poeriem. Daarom eindigden zei met het vers dat zinspeelt op de mitswa van de dag: om Amalek weg te vegen!”

&

Daf 19a

Het schrijven en lezen van een Megilla [Uit Daf Yomi Digest (aangepast)]

Het moet geschreven zijn in Assyrisch [= het huidige Hebreeuwse] schrift, op perkament met zwarte inkt. Dat leren we van een gezera sjawa van [Ester 9:29]: En Koningin Ester schreef, en van [Jeremiahoe 36:18]: Uit zijn mond dicteerde hij mij al deze woorden en ik schreef ze op perkament met inkt. In beide verzen komt het woord schreef voor, dus geldt voor beide dat het geschreven werd op perkament met zwarte inkt.”

D

e Risjoniem (Rasjba, Riva en Ramban) vragen waarom het nodig was voor de Gemara om de wetten voor het schrijven van de Megilla van een speciale gezera sjawa van ‘schreef-schreef’ af te leiden, wanneer de Megilla zelf een sefer genoemd wordt (zoals we later in onze Gemara zullen zien (we nichtav basefer), en een Sefer Tora moet met zwarte inkt op perkament geschreven worden, om kosjer te zijn (Sjabbat 103b)?

De algemene benadering is dat de Megilla beschouwd wordt als een sefer – een boek, maar dat het ook een igèret – een brief – genoemd wordt. Dit leert ons dat in bepaalde opzichten  de Megilla behandeld moet worden als een formele tekst, net als een Sefer Tora, maar dat in andere opzichten de wetten ervoor soepeler zijn. Ritva legt uit, in naam van zijn Rebbe, dat de grondtekst is als een Sefer Tora. Het perka-ment moet bereid worden als dat van een Sefer Tora, er moeten lijnen in gegroefd worden op het opper-vlak van het perkament (sirtoet), en het moet geschreven zijn met zwarte inkt. Deze halachot worden geleerd van aparte derasjot, en zonder die lessen zouden we niet geweten hebben of we de Megilla moeten behandelen als een sefer of als een brief. Echter het wordt gelezen als een brief. De voorlezer mag erbij staan of zitten, en we breken de voorlezing niet op in verschillende aliot.

De Griz Halevi merkt in zijn Chidoesjiem op de Megilla op dat nu wij weten dat een Megilla een van de boeken van Tanach is (zie 7a), het duidelijk moet zijn dat het geschreven moet zijn op perkament met inkt. Niettemin, zo  ver­klaart hij, zijn er twee aspecten aan de Megilla. De ene is, dat het inderdaad een van de boeken van Tanach is. Een ander aspect is dat we eisen dat een Megilla geschikt is om in het openbaar te lezen en de gemeenschap in staat te stellen om hun verplichting, van de bekendmaking van het wonder, door te luisten naar het verhaal, te voldoen. Zon­der de les, zoals die vertelt wordt in onze Gemara, zouden we kunnen denken, dat een Megilla, die geschreven is zon­der al de details van het perkament en inkt, ook geschikt zou zijn voor de mitswa van het lezen ervan. We zouden dan hebben kunnen denken dat het alleen maar een igèret – brief – hoeft te zijn. Daarom hebben we de speciale les nodig die ons leert dat een Megilla geschreven moet worden op de juiste manier, om er uit te kunnen lezen voor de mitswa.

&

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 405 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 20a

Mitswot vóór zonsopgang

De Sdei Chemed haalt een incident aan dat eens in zijn eigen stad gebeurde op Hosjana Rabba. Ze hadden de hele nacht Tora geleerd, zoals in sommige gemeenschappen de gewoonte is om een Tikkoen Leil Hosjana Rabba te houden. Kort voor het aanbreken van de dag begonnen ze sjacharit te dawwenen. Toen zij daarmee klaar waren en zich voorbereidden om de beracha over de loelav  en etrog te zeggen voor Hallel, realiseerden zij zich dat het nog geen tijd voor neets hachama (zonsopkomst) was. In onze Misjna leren we dat mitswot die overdag gedaan moeten worden, zoals het lezen van de Megilla en Brit Mila, na neets hachama gedaan moeten worden. Hoewel de Misjna slechts vier “dag-mitswot” opnoemt, zijn de poskiem het er over eens, dat de regel ook geldt voor de sjofar, de loelav en alle andere dag-mitswot. Ze moeten allemaal na neets hachama worden gedaan (Sj.A. O.Ch. 588:652).

Gebaseerd hierop besliste de Sdei Chemed dat zij moesten wachten tot neets hachama voordat ze met de loelav konden schudden. Een Tora-geleerde tussen de aanwezigen bestreed de beslissing , maar in de tijd dat het debat duurde, was de zon al opgekomen en was het debat niet langer relevant (Sdei Chemed IV, Ma’arechet Lamed, 141:11).

De tijd voor de mitswot – Rasji verklaart dat volgens Tora-wetten de dag begint met het eerste ochtend-licht, dus bij alot hasjachar. Echter, daar de mensen misschien dat tijdstip verkeerd inschatten zouden ze misschien de mitswot vóór alot hasjachar al doen en daarom hebben onze Geleerden beslist dat men ermee moet wachten tot na zons­opkomst.

De Levoesj (652) heeft een andere verklaring. Hij schrijft dat dag-mitswot gedaan moeten worden gedu-rende het “voornaamste deel” van de dag, hetgeen begint met zonsopkomst.

Het lezen van de Megilla vóór zonsopkomst – De Sjoelchan Aroech Gawo’a schrijft dat het in sommige ge­meenten de gewoonte was om de loelav te schudden en de Megilla te lezen vóór zonsopkomst. Hij verklaart deze minhag op basis van wat Rasji schrijft. Onze Geleerden hebben de dag-mitswot tot na zonsopkomst verschoven, om te voorkomen dat de mensen ze zouden doen terwijl het nog nacht is. Maar in plaatsen waar men exact de tijd weet, daar mag men het doen vanaf alot hasjachar.

De Sdei Chemed maakt bezwaar tegen deze conclusie. Hij schrijft dat de Geleerden een algemeen verbod hebben uitgevaardigd voor het doen van dag-mitswot vóór neets hachama, om diegenen die de juiste tijd niet weten, te beschermen. En sinds de beslissing eenmaal is ingesteld, geldt hij voor iedereen, ongeacht of men de juiste tijd weet of niet.