Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   26 Adar 5767

Traktaat Megilla 23-32 Nr. 135

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Megilla 23a/24b

Respect voor de gemeenschap

Men mag, zo zeggen onze Geleerden, een vrouw geen alia voor de Tora geven uit respect voor de gemeenschap. Dit idee verschijnt ook in onze Gemara als een verklaring waarom iemand met gescheurde kleren, die zijn armen en benen onthullen, niet als voorlezer van Tora kan fungeren, of de dienst mag leiden of, als hij een Kohen is, de gemeente mag zegenen.

Wat wordt er bedoeld met „respect voor de gemeenschap?”

Men verstaat hier in het algemeen onder dat een individu respect moet tonen voor de gemeenschap. Daar een vrouw niet verplicht is Tora te leren, zoals een man, is het een teken van gebrek aan respect voor de verplichting van de mannen als iemand, die is vrijgesteld van die verplichting, voor hen de Tora leest in het openbaar. Iemand die niet behoorlijk is aangekleed, zou dan ook schuldig zijn aan gebrek aan respect voor de gemeenschap, wanneer hij die leidt bij het Tora-lezen, of voorgaat bij de tefilla of de gemeenschap zegent.

Tiferet Jisraël heeft echter een andere kijk op dat wat onze geleerden bedoelden met gebrek aan respect voor de gemeenschap. Het is niet de eer van de gemeenschap, waar de Geleerden zich zorgen over maakten, meent hij, want dan heeft de gemeenschap de keuze om af te zien van de eer die haar toekomt. Daar we in de halacha geen toestemming vinden voor een dergelijk gebaar door de gemeenschap, moeten we concluderen dat met „respect voor de gemeenschap” „respect van de gemeenschap” bedoeld wordt, die zij moet tonen voor de Hemel. Een gemeenschap heeft een grotere verantwoordelijkheid  voor haar dienst voor de Hemel dan een individu en zij moet daarom op een meer gepaste manier dat respect tonen.

Deze benadering voor „respect voor de gemeenschap” past bij de gevallen die onze Gemara noemt en bij een ander geval in Gittin (60a), hetgeen het lezen in het openbaar uit een rol, waarin slechts één van de vijf boeken van Tora staat, verbiedt. Er is echter een probleem als men dit toepast op nog twee andere geval-len, namelijk in Joma 70a en Sota 39b. Daar wordt deze uitdrukking gebruikt in verband met een situatie waarin men de gemeenschap nodeloos ijdel laat wachten, terwijl intussen bepaalde handelingen gedaan worden (zoals het oprollen van het sefer Tora naar de juiste plaats vanwaar gelezen moet worden). Dit lijkt erop, dat het hier inderdaad gaat om respect voor de gemeenschap. Het is echter mogelijk om te zeg-gen, dat ook als een hele gemeenschap ijdel zit te wachten in de synagoge, zonder te bidden en zonder Tora te leren, dit een gebrek aan respect van die gemeenschap voor de Hemel toont.

&

Megilla 27b

Zegeningen en wederdienst

„Wat is er met je riem gebeurd?” vroeg Rav aan zijn leerling Rav Hoena, toen hij zag dat hij een zelfgemaakte riem van planten droeg, in plaats van zijn gewone riem.

„Ik heb mijn riem in onderpand gegeven voor een lening om wijn te kopen voor de kiddoesj op Sjabbat,” was het antwoord.

Rav was zo onder de indruk dat zijn leerling zijn eigen kleren had opgeofferd voor een mitswa, dat hij hem zegende dat hij als beloning zou worden „bedekt met kleren.”

Enige tijd later was Rav Hoena de gastheer bij het huwelijk van zijn zoon Rabba. Rav Hoena, die erg klein van stuk was, lag op een bed te rusten, terwijl zijn familie zich verzamelde voor het feest. Zijn dochters en schoondochters merkten zijn aanwezigheid in het bed niet op en legden hun jassen op het bed, zodat Rav Hoena volledig bedekt was met kleren, overeenkomstig de zegen van Rav.

Toen Rav hoorde dat zijn zegen vervuld was, klaagde hij tegen Rav Hoena:

„Waarom zei je niet, toen ik je zegende: ‘Hetzelfde voor mijn meester’?” (Rasji – Het was wellicht een moment van G-ddelijke goedgunstigheid en de zegen zou dan misschien ook voor Rav zijn uitgekomen.)

Twee vragen rijzen op uit dit verhaal. Waarom was het nodig om de niet complimenteuze opmerking te maken over de afmetingen van Rav Hoena? Maar nog moeilijker is de teleurstelling van Rav te begrijpen, dat hij geen zegen terugkreeg, toen bleek dat zijn zegen was uitgekomen. Welk voordeel zou Rav hebben gehad om tijdelijk te worden bedekt met kleren, zoals zijn leerling?

Het eenvoudige antwoord op de eerste vraag is, dat het nodig was om de geringe afmetingen van Rav Hoena te vermelden, om te begrijpen hoe het kwam dat zijn familie hem niet opmerkte, toen zij hun jassen op het bed legden. Met betrekking tot het tweede probleem wordt een interessante verklaring geboden in de voetnoten van de Bach (Rabbijn Joël Sirkis):

Rav was van zijn stuk gebracht omdat de vervulling van zijn zegen een aanwijzing was dat het een gunstig moment was van Hemelse goedgunstigheid. Wanneer hij een „tegen-zegen” had ontvangen op dat moment, dan was die, dankzij zijn grotere verdiensten, misschien op een andere manier uitgekomen, namelijk op de manier die Rav bedoeld had, te weten door te zijn gezegend met rijkdom, waardoor hij zichzelf had kunnen bedekken met kleren.

Rabbijn Ja’akov Embden geeft een heel ander antwoord op deze vragen. Rav was de langste Geleerde van zijn generatie en Rav Hoena was de kortste. Rav Hoena aarzelde daarom om Rav te zegenen met dezelfde zegen, omdat de kleren die zijn kleine gestalte zouden passen, Rav belachelijk zouden staan.

In ieder geval leren we hiervan een belangrijke les: wanneer je door iemand gezegend wordt, zegen die ander dan terug.

&

Megilla 29a

Wanneer Tora-studie opzij gezet wordt

Het begraven van een dode is zo een belangrijke mitswa, dat men verplicht is om daarvoor zijn Tora-studie te onderbreken, om die mitswa te doen, en hetzelfde geldt om iemands huwelijk mogelijk te maken.

Deze regeling, die zowel hier op onze daf, als ook eerder in ons traktaat (3b) genoemd wordt, werpt een vraag op in verband met het volgende verhaal, dat voorkomt in een van de kleinere traktaten (traktaat Derech Zoeta, hfd. 8).

Rabbi Akiwa kreeg eens te maken met het lichaam van een overleden Jood, in een plaats waar niemand aanwezig was om hem te begraven, en waar in de omgeving geen begraafplaats was waar dat zou kunnen gebeuren. Hij vervoerde het lichaam daarom over een afstand van vier mil (ongeveer vier kilometer) naar een joodse begraafplaats.

Toen hij enige tijd daarna dit voorval vertelde aan zijn leraren, Rabbi Jehosjoe’a en Rabbi Eliëzer, bekritiseerden zij zijn daad, die hijzelf als verdienstelijk had beschouwd. „Iedere stap die je deed stond gelijk aan de verspilling van bloed!” zeiden zij.

Op het eerste gezicht lijkt het erop alsof hun kritiek gericht was op het feit dat hij zoveel tijd van Tora-studie had verzuimd bij de uitvoering van de begrafenis van deze dode. Maar dat klopt niet met wat wij hierboven uit onze Gemara hebben aangehaald.

Tosafot lost het probleem op, door erop te wijzen dat Tora-studie weliswaar opzij gezet mag worden om een belangrijke bijdrage te geven aan de begrafenis van een dode Jood, zelfs wanneer het sterfgeval plaatsvond in een bevolkte omgeving, maar dat er een speciaal voorschrift is met betrekking tot een meet mitswa, een dode die gevonden wordt in een onbevolkt gebied. Dat lichaam hoeft niet vervoerd te worden naar een veraf gelegen begraafplaats, maar het moet begraven worden op de plaats waar het werd gevonden.

Rabbi Akiwa werd dus niet berispt omdat hij Tora-studietijd verloren had, maar omdat hij het lichaam niet de eer had gegeven om het te begraven op de plaats waar het was gevonden.

&

Megilla 29a

Wat de Geleerden zeggen

„De Gebedshuizen [synagogen] en Tora-studiehuizen in Babylonië [en overal elders (Maharsjal)] zullen uiteindelijk in Erets Jisraël geplaatst worden.”

Rabbi Eliëzer Hakapar

 

Megilla 31a

Een Simchat Tora mysterie

De Gemara vertelt ons dat op Simchat Tora wij de laatste afdeling van Tora lezen, parasjat Zot Haberacha, en als Haftara I Koningen 8:22, dat gaat over Koning Salomo’s gebed bij de inwijding van de Tempel, die hij gebouwd had.

Rabbeinoe Nissiem (Ran) verklaart de keuze van deze twee afdelingen. Simchat Tora is de climax van de feesten, en het is passend om op deze dag de berachot – zegeningen – te lezen, die Mosjé aan heel Israël gaf. Daar een Haftara het onderwerp van de Tora-afdeling moet volgen, past de zegen van Salomo voor heel zijn volk bij de zegeningen van Mosjé.

Tosafot vraagt aandacht voor de minhag – gewoonte – die wij volgen, om de Haftara te lezen uit het eerste hoofdstuk van Jehosjoe’a. Rabbeinoe Nissiem verklaart, dat aangezien wij de Tora afsluiten met het overlijden van Mosjé Rabbeinoe, het passend is om als Haftara te lezen wat Hasjem Mosjé’s leerling, Jehoesjoe’a, onmiddellijk daarna opdroeg.

Deze verklaringen zijn perfect. Maar het blijft een raadsel waarom wij het voorschrift van onze Gemara, namelijk om de zegeningen van Salomo als Haftara te lezen, verlaten hebben. Tosafot citeert een bron die zegt dat Rav Hai Gaon deze minhag heeft ingevoerd, maar Tosafot vraagt zich verbaasd af was de reden kan zijn van deze afwijking van wat de Gemara voorschrijft.

Rabbeinoe Asjer (Rosj) haalt de Jeroesjalmi aan als bron voor deze minhag, maar Korban Netanel schrijft dat hij dat daar niet heeft kunnen vinden.

Wat de bron ook mag zijn, dit is de algemene Joodse mihag, net zoals de hele viering van het beëindigen van de hele Tora een minhag is. De bron voor deze viering echter, is geen mysterie. De Midrasj haalt het feestelijk banquet aan dat Sjlomo HaMelech aanrichtte voor al zijn bedienden, toen hij zich realiseerde dat de Hemel zijn verzoek om wijsheid ingewilligd had (I Melachiem 3:15), waarbij hij dit als de bron van de minhag verklaart om feest te vieren als we de hele Tora uitgelezen hebben.

Net als Sjlomo de noodzaak voelde om het geschenk van wijsheid te vieren, zo voelen alle Joden de noodzaak om op Simchat Tora feest te vieren wegens de wijsheid die zij verkregen hebben in het afgelopen jaar door de hele Tora uit te lezen.

&

Megilla 32a

Iedere dag een feestdag

De mitswa om op iedere feestdag de Tora-afdeling te lezen die op die feestdag betrekking heeft, zegt de Misjna, vindt een aanwijzing in het vers dat de afdeling over de feestdagen in Tora afsluit: „En Mosjé noemde deze feestdagen van Hasjem op voor de Israëlieten.” (Leviticus 23:44).

Rasji verklaart dat het overbodig lijkt dat Tora ons informeert dat Mosjé de feestdagen leerde aan de Israëlieten, want we weten al dat hij hen alle mitswot leerde. Er moet hier dus een verborgen boodschap zijn, namelijk dat hij hen instrueerde dat zij op de feestdagen de Tora-afdeling die op die feestdag betrekking heeft, moeten lezen. Overeen­komstig hiermee suggereert Maharsja dat we nu een eerder vers in een ander perspectief kunnen zien, een vers waarin de feestdagen worden geïntroduceerd met een gebod „om ze op hun tijd uit te roepen” (ib. vs. 4). Het woord tikreoe – roep uit – in dit vers kan nu ook letterlijk geïnterpreteerd worden als: „Je moet lezen,” want er is een mitswa om de Tora-afdelingen die betrekking hebben op de feestdagen „op hun tijd” te lezen, d.w.z. op die feestdagen zelf.

Traktaat Megilla eindigt met een Baraita die ons  informeert dat Mosjé instelde dat de Joden de wetten van Pesach op Pesach en van Sjawoe’ot op Sjawoe’ot en van Soekot op Soekot moeten lezen. Dit was geen onderdeel van het G‑ddelijke gebod, maar een initiatief van Mosjé zelf om een groter bewustzijn bij de Joden voor die dagen te creëren.

Maar waarom alleen voor deze drie dagen en niet ook voor Rosj Hasjana en Jom Kippoer?

Het antwoord, zegt Maharsja, is dat Mosjé aanvoelde dat de Joden een aansporing nodig hadden voor deze drie feestdagen die op een bepaalde tijd van het jaar komen, maar de essentie van Rosj Hasjana en Jom Kippoer is tesjoewa, en dat is iets wat iedere dag van het jaar relevant is.

&