Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   4 Niesan 5767

Traktaat Mo'eed Katan 2 - 8 Nr.136 

 Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 407 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Inleiding tot Traktaat Mo’eed Katan

Vorige week is de Daf Jomi-cyclus begonnen met Traktaat Mo’eed Katan, dat hoofdzakelijk gaat over de wetten van Chol HaMo’eed, maar dat ook, in het derde hoofdstuk, uitgebreid ingaat op de wetten van de rouw.

De titel Chol HaMo’eed” beschrijft  de unieke periode die zowel kenmerken bevat van chol – een werkdag, waarin bepaalde melachot zijn toegestaan, als van mo’eed – een Jom Tov, waarin de meeste melachot zijn verboden. De Misjna Beroera (530:1) noemt vijf categorieën van melachot op, die zijn toegestaan op Chol HaMo’eed:

1. Bereiding van voedsel voor gebruik op Chol HaMo’eed of Jom Tov. Voor dit doel mag men zelfs geschoolde arbeid gebruiken (ma’asé oeman). 2. Ter voorkoming van een verlies. Bijvoorbeeld, men mag zijn veld bevloeien (onder bepaalde omstandigheden), wanneer anders de planten zouden verdorren. 3. Men mag werken om geld te verdienen om voedsel te kopen voor Chol HaMo’eed of Jom Tov, als men zonder dat niets te eten zou hebben. 4. Men mag zorgen voor de noden van de gemeenschap. Bijvoorbeeld reparaties aan wegen. 5. Ongeschoolde arbeid (ma’asé hèdiot) voor Jom Tov voor andere dingen dan voedsel.

Chol HaMo’eed: Chol HaMo’eed wordt beschouwd als een mikra’ei kodesj – een heilig feest, net als Sjabbat en Jom Tov. De Rambam (Hilchot Jom Tov 7:1) schrijft: Men moet deze dagen eerbiedigen met voedsel, drank en schone kleren, ten einde ze niet te behandelen als werkdagen.”

De Talmoed Jeroesjalmi vertelt ons dat als R. Abba bar Mamel daartoe in staat was geweest, hij melacha op Chol HaMo’eed zou hebben toegestaan. Hasjem gaf ons Chol HaMo’eed opdat we vrij zouden zijn van arbeid, en in staat zouden zijn om te eten, te drinken en Tora te studeren. In plaats daarvan eten en drinken de mensen en gedragen zich frivool. De Kol Bo leert hieruit dat frivoliteit op Chol HaMo’eed een ernstigere overtreding is dan het doen van melacha. Het doel van Jom Tov en Chol HaMo’eed is om dichter bij Hasjem te komen in liefde en ontzag en om Zijn Heilige Tora te leren (Misjna Beroera 530:2).

De Titel van dit traktaat: De Gaoniem en Risjoniem hadden vele namen voor dit traktaat. Sommigen noemden het Mesechet Masjkien, gebaseerd op het eerste woord van dit traktaat (zoals traktaat Beitsa genoemd is naar het eerste woord in dat traktaat). Onbewust hiervan verving een uitgever eens het woord Masjkien” in een zin van de Ran op traktaat Beitsa (9a s.v. Mihoe) door het word Mo’eed Katan.” De uitgever veronderstelde dat het een misdruk was in de vroegere uitgaven van de Ran.

In de loop van de jaren raakte de titel Masjkien in onbruik en werd vervangen door Mo’eed Katan”, hetgeen Klein feest” betekent. Deze naam werd gekozen, omdat Mo’eed Katan Chol HaMo’eed bespreekt, hetgeen minder zwaar is in zijn wetten en voorschriften dan andere Jamiem Toviem. Sommigen gebruiken de titel Mesechet Aweel” – Rouw-trataak – omdat dit traktaat veel wetten betreffende de rouw bevat.

De gecompliceerdheid van de wetten van Chol HaMo’eed: Eén van de meest gecompliceerde aspecten van Chol HaMo’eed is, dat iedere regel een wereld op zichzelf lijkt. Het is erg moeilijk om een algemeen principe op te stellen van wat is toegestaan en wat verboden is. Zelden vinden we een onderwerp van Halacha met zoveel radicaal tegengestelde meningen van de Poskiem. Zoals de Gemara zelf zegt (12a): De wetten van Chol HaMo’eed zijn steriel en kunnen niet van andere wetten geleerd worden.” Rasji legt uit, dat zij te vergelijken zijn met een vrouw die onvruchtbaar is en geen kinderen kan krijgen. Zo ook kan de ene halacha niet uit de andere worden afgeleid.

Door alle generaties heen hebben de Poskiem de nadruk op deze moeilijkheid gelegd, ieder in zijn eigen woorden. De Joséf Omets schrijft: Chol HaMo’eed heeft vele halachot, die alleen maar kunnen worden begrepen bij intensieve studie. Een haarbreed verschil in redenering kan onderscheid maken tussen wat is toegestaan en wat verboden is.” De Ma’adanei Jom Tov schrijft in zijn inleiding tot de wetten van Chol HaMo’eed: Slechts weinigen zijn goed thuis in deze wetten.” De Pele Joëets schrijft: Velen overtreden de Chol HaMo’eed-wetten onbewust. Daar sommige verboden voor Jom Tov versoepeld zijn, veronderstelt men dat alles is toegestaan. Een gewetensvol mens zal daarom uitzoeken wat is toegestaan en wat verboden is, door de boeken en Tora-Geleerden te raad­plegen.”

& 

Uit Daf Yomi Digest van het Ruben Shas Kolel

Mo’eed Katan 4b

De extra inspanning van een extra amma

De Misjna zegt dat het toegestaan is om een irrigatiekanaal dat is beschadigd, te herstellen op Chol HaMo’eed.

De Gemara vraagt: Wat voor schade wordt er hier bedoeld?

R. Abba antwoordt: Wanneer een irrigatiekanaal oorspronkelijk 6 tefachiem diep was en het is dichtgeslibt totdat het nog slechts 1 tefach diep is dan mag men 5 tefachiem uitbaggeren.

De Gemara vraagt: Het is duidelijk dat men een kanaal van 3 tefachiem diep, dat tot een ½ tefach is dichtgeslibt, niet mag uitbaggeren, want het water kan niet behoorlijk stromen door een kanaal van slechts 3 tefachiem diep [dus dat is nutteloze inspanning]. En het is ook duidelijk dat men een kanaal van 12 tefachiem diep, dat is dichtgeslibt tot twee tefachiem ook niet mag uitbaggeren, want het vergt te veel inspanning om 10 tefachiem uit te baggeren. Maar hoe zit dat met een kanaal van 7 tefachiem diep, dat is dichtgeslibt tot 2 tefachiem diep. Mag men die 5 tefachiem uitbaggeren, zoals in het voorbeeld van R. Abba, of is dat in dit geval te veel inspanning omdat hij zich nu één tefach dieper moet buigen [n.l. tot 7 tefachiem) en is dat daarom verboden?

De Gemara heeft er geen antwoord op.

Iemand huurde eens arbeiders om een irrigatiekanaal rond zijn land te graven, 50 ammot in het vierkant en 11/3 amma [= 8 tefachiem – handbreedtes] diep. Aan de westkant van zijn veld hadden de werkers slechts één amma diep gegraven over de hele lengte van het veld, in plaats van de vereiste 11/3 amma. De eigenaar betaalde de werkers wat hen toekwam, nadat hij het nodige voor het incomplete werk had afgetrokken en huurde twee andere arbeiders voor het resterende werk, zodat het veld overal gelijkmatig bevloeid zou worden.

De eerste arbeider ging aan het werk en groef over de hele lengte het kanaal 1/6 amma dieper uit, de helft dus van de vereiste 1/3 amma, en liet de resterende 1/3 amma voor zijn collega over.

Toen de tweede arbeider zag wat er gebeurd was, werd hij kwaad, omdat hij nu het diepere deel van het kanaal moest graven, hetgeen meer inspanning vergde. Waarom had die niet de halve lengte tot 1/3 amma uitgegraven, om voor hem de andere helft over te laten? Hij eisde van de eerste arbeider compensatie.

De zaak kwam voor de Ben Iesj Chai zt”l. Na beiden gehoord te hebben, gaf de Ben Iesj Chai zijn mening: De juiste benadering hier is te vinden in Mo’eed Katan 4b, waar de vraag wordt opgeworpen of het graven van een extra tefach diep op Chol HaMo’eed is toegestaan om een verlies te voorkomen, of verboden is omdat dit te veel inspanning vergt. Hoewel de Gemara de vraag of dit is toegestaan op Chol HaMo’eed onbeantwoord laat, is het duidelijk dat de Gemara dit dieper graven daar als extra inspanning vergt. In een financiëel geschil moeten we dit zeker in beschouwing nemen. Een expert moet de extra inspanning berekenen die nodig is om deze extra 1/6 amma graven in geldwaarde uit te drukken en de arbeider die het diepere gedeelte van het kanaal moest graven, moet dat verschil uitbetaald krijgen!

&

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Mo’eed Katan 5a

Wanneer

Rav Jannai had een leerling die hem constant moeilijke vragen stelde tijdens zijn Talmoed-lessen. Maar wanneer het Sjabbat of Jom Tov was, stelde deze leerling zijn vragen niet. Rav Jannai prees hem daarvoor en citeerde daartoe Tehilliem (50:23), waar beloofd wordt dat wie zijn levensweg zorgvuldig inricht, de G-ddelijke Verlossing mag aanschouwen.

Rasji legt uit dat de reden waarom de leerling op die speciale dagen zijn moeilijke vragen niet stelde, was omdat hij bang was dat Rav Jannai er misschien geen antwoord op zou kunnen geven, hetgeen beschamend voor hem zou zijn en daar er op die dagen altijd een groot publiek kwam luisteren naar de voordrachten van Rav Jannai, wilde hij hem deze vernedering besparen. Het onderscheid dat deze leerling maakte tussen de juiste tijd om moeilijke vragen te stellen en wanneer hij zijn mond moest houden, beschouwde R. Jannai als een vervulling van wat de Tehilliem noemt een zorgvuldig gedrag.”

Maharsja heeft problemen met Rasji’s benadering, omdat het onacceptabel is dat R. Jannai het gevaar liep vernederd te worden, omdat hij een vraag niet zou kunnen beantwoorden, en bovendien is het beschreven gedrag van de leerling niet precies een voorbeeld van iemand die zijn levensweg zorgvuldig inricht.”

De verklaring die hij biedt is gebaseerd op een fascinerende analyse van mogelijke uitdagingen die iedere Tora-student ondervindt:

De problemen die wij tegenkomen in Tora zijn te splitsen in twee categorieën. Eén is de uitdaging van een klaarblijkelijke tegenstelling tussen een bewering in de Gemara en een andere bron, zoals een Misjna of Baraita. De ander is de uitdaging tot de noodzaak om zo’n bewering te maken, daar de informatie die erin is weergegeven, al aan ons bekend is, hetzij, omdat het al gestaan heeft in een van de daarvoor genoemde bronnen, of omdat het volgt uit eenvoudige logica.

Dit waren de soort vragen die de Talmoed-student van R. Jannai hem dagelijks stelde. Op de Sjabbatot en feestdagen, wanneer hij zijn lezingen hield voor een groot publiek, was het onderwerp daarvan zo eenvoudig van aard, dat er geen uitdagende tegenstellingen waren. Hij zou ook absurd zijn voor welke van zijn geleerde studenten dan ook om hem op die dag uit te dagen over de noodzaak om dingen te onderwijzen, die reeds algemeen bekend waren, omdat die kennis niet aanwezig was bij het gewone volk dat daar aanwezig was om de lezing op die dagen aan te horen.

Waarom nam de leereling dan de moeite om naar die lezing toe te komen, als hij daar niets te horen kreeg, wat hij nog niet wist? Het antwoord is dat hij een evaluatie maakte van de G-ddelijke beloning die hij zou krijgen voor de weg die hij bewandelde” van zijn huis  naar het Beit Hamidrasj om de lezing bij te wonen. Rav Jannai verklaarde dat het vers in Tehilliem dit beschrijft als iets dat de beloning verdient om de G-ddelijke Verlossing te mogen aanschouwen,” G-ddelijke assistentie bij het ontdekken van nieuwe inzichten in de simpele onderwerpen van de lezing, welke inzichten hij niet zou krijgen op basis van zijn eigen intellectuele capaciteiten.

&

Mo'eed Katan 8b-9a

Geen vermenging van vreugdes

Op Chol HaMo’eed – de tussendagen van Pesach en Soekot – wordt niet getrouwd. De reden hiervoor, zegt de Misjna, is dat trouwen een rede van vreugde is.

Deze reden wordt met verwondering begroet in de Gemara. Ons traktaat is gevuld met voorschriften die regelen welke soorten werkzaamheden gedaan mogen worden op deze dagen, omdat, zoals Rasji uitlegt, Tora ons meedeelde dat sommige werkzaamheden verboden zijn op Chol HaMo’eed en dat Tora het aan de Geleerden heeft overgelaten om te bepalen welke dat zijn. Maar waarom zou een chatoena – huwelijksvoltrekking – verboden zijn, speciaal omdat het iets vreugdevols is?

De Geleerden van de Talmoed noemen verschillende redenen. Een daarvan is, dat het onjuist is om het ene feest met het andere te vermengen.” De simcha die men heeft van de chatoena maakt het onmogelijk om zich nog op de simcha van het feest te concentreren.

Een tweede verklaring gaat een stapje verder: de simcha van de chatoena zal ertoe leiden dat men de simcha van het feest verwaarloost en dat gaat tegen het Tora-gebod (Dewariem 16:14) in, dat je je moet verheugen in je feest”, hetgeen de vreugde voor je nieuwe vrouw” uitsluit.

Terwijl deze twee verklaringen draaien rondom de competitie tussen de simcha van de trouwerij en die van het feest, keert Oela terug naar de basis van de beperkingen op het werken op Chol HaMo’eed. Daar een Jood bezorgd zal zijn voor de behoorlijke voorbereiding van de grote simcha van zijn huwelijksfeest, zal hij daar veel werk in steken en zoveel extra inspanning is verboden op Chol HaMo’eed.

R. Jitschak vult de lijst met verklaringen aan door erop te wijzen dat trouwen zulk een grote gelegenheid is voor simcha, dat een Jood de neiging zou hebben om het huwelijksfeest uit te stellen tot het feest, wanneer dat zou zijn toegestaan, want dan is hij vrij van zijn werk en toch al in een feestelijke stemming. Een dergelijk uitstel, hetgeen soms kan oplopen tot een half jaar, stelt ook de belangrijke mitswa van het kinderen voortbrengen uit.

Deze verklaring is de eerste die het niet heeft over het vermengen van simcha’s.

De Gemara geeft ons de bron van de regel dat men geen simcha met simcha vermengt:

Toen Sjlomo HaMelech het Beit HaMikdasj inwijdde, liet hij het hele volk zeven dagen lang vóór Soekot feestvieren (I Melachiem 8:65). Waarom stelde hij de inauguratie-ceremonie niet uit tot Soekot, zodat het volk beide feesten tegelijk kon vieren en minder werktijd hoefde te verliezen? Het antwoord is dat dit een vermenging van simcha’s zou zijn. Dat is de reden waarom het hiervoor genoemde vers het heeft over twee aparte feestvieringen van zeven dagen, om ons te leren dat men een dergelijke vermenging niet doet.