Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   27 Niesan 5767

Traktaat Mo'eed Katan 9-16 Nr.137 

Moe’eed Katan 9b

Eén dag uit de gevangenis

Wanneer een Jood in een niet-Joodse gevangenis één dag per jaar eruit mag, om zijn godsdienstige verplichtingen te vervullen, welke dag moet hij dan kiezen?

Een van de vroege commentatoren, Rabbijn David ben Zimra (RaDvaZ) stelt deze vraag in één van zijn responsa en suggereert enkele mogelijke zeer belangrijke mitswot.

Een latere commentator, Rabbijn Zwi Asjkenazi suggereert in zijn Responsa Chacham Zwi (106) dat het antwoord in onze Gemara te vinden is. In een poging om een klaarblijkelijk conflict tussen twee verzen in Misjlee (4:26 en 5:6) op te lossen, betreffende de noodzaak om de relatieve waarde van mitswot te wegen, concluderen de Geleerden: Als de minder belangrijke mitswa door iemand anders gedaan kan worden, dan moet je de belangrijkere mitswa kiezen. Maar als beide mitswot alleen door jou gedaan kunnen worden, dan moet je de eerste mitswa die je tegen komt, vervullen, zelfs al is dat de minst belangrijke.

Gebaseerd op deze verklaring moet de gevangene de eerste de beste dag vrij vragen waarop hij een mitswa kan doen, die hij niet in de gevangenis kan doen, ook al is dat een minder belangrijke mitswa dan een andere mitswa, die hij een dag later zou kunnen doen.

Een andere bron voor dezelfde conclusie wordt geboden door Rabbijn Zwi Hirsch Chayes, in zijn commentaar op onze Gemara. In traktaat Soeka (25b) verklaart Rasji iets aldus in de Gemara: Wij zien dus dat wanneer een mitswa jouw kant op komt, je die niet opzij mag schuiven ten gunste van een belangrijkere mitswa die je later kunt doen.”

&

Mo’eed Katan 12b-13a

De erfenis van een straf

In verscheidene situaties hebben de Geleerden iemand, die een Tora- of Rabbijns gebod heeft overtreden, gestraft, door hem het product van zijn overtreding te verbieden. Eén zo’n situatie wordt in onze Misjna genoemd: wanneer iemand bepaalde werkzaamheden doelbewust uitstelt tot Chol HaMo’eed, werk dat hij ook eerder had kunnen doen, dan is het hem verboden om enig profijt van dat werk te hebben.

Wat gebeurt er als de overtreder overlijdt; mogen dan zijn erfgenamen van het resultaat van zijn werk profiteren? Was de straf tegen de overtreder gericht of tegen het product van de overtreding?

Wanneer Rav Jeremiahoe deze vraag stelt, merkt hij op dat hoewel in andere gevallen de Rabbijnse straffen ook voor de erfgenamen gelden, dat hier misschien niet het geval is. Wanneer iemand opzettelijk een stukje van het oor van een eerstgeboren dier afsnijdt, in een poging om het ongeschikt te maken voor een offer, en dus geschikt voor persoonlijk gebruik door de Kohen, dan kan het zijn dat ook de erfgenamen gestraft worden door hen het gebruik van het dier te verbieden, want door een offerdier te verminken, overtreden zij een Tora-verbod. Als iemand een slaaf aan een niet-Jood verkoopt, dan geldt de boete om de slaaf terug te kopen mogelijk ook de erfgenamen, want een slaaf verkopen aan een niet-Jood is een ernstige overtreding omdat dan de slaaf niet meer in staat is de mitswot te doen, die hij verplicht is. En het is dus belangrijk dat hij wordt vrijgekocht. Geen van deze overwegingen zijn echter van toepassing op iemand die bepaalde werkzaamheden plant voor Chol HaMo’eed.

In zijn antwoord op deze vraag vergelijkt Rav Zera deze situatie met de straf die opgelegd wordt als iemand het Rabbijnse verbod van het sjemitta-jaar [het zevende jaar] overtreedt en zijn veld bemest. Zoals in dat geval de straf alleen voor hemzelf geldt en niet voor zijn erfgenamen, zo ook in ons geval geldt de straf voor de overtreding van de Rabbijnse wet betreffende Chol HaMo’eed alleen de overtreder en niet zijn erfgenamen.

Waarom, zo vraagt de grote 18e eeuwse Geleerde Rav Jechezkel Landau (Responsa Noda BeJehoeda, dl. 1, Orach Chaim 20), noemt de Gemara niet de straf die de Geleerden hebben opgelegd op iemand die zijn chameets bewaarde gedurende Pesach en passen zij deze straf hier niet toe?

Zijn verklaring is dat in alle gevallen die de Gemara noemt, de Geleerden het desbetreffende voorwerp nimmer voor iedereen verboden verklaard hebben. De straf gold de overtreder en daarom is het logisch dat het zijn erfgenamen niet treft. In het geval van chameets geldt er voor iedere Jood een verbod om profijt te hebben van chameets dat een Jood gedurende Pesach in bezit had en wanneer dat chameets dus verboden wordt, wordt het verboden voor iedereen. Het blijft verboden, zelfs na de dood van de overtreder.

&

Mo’eed Katan 16-22

De kracht van het gesproken woord

Een woord is veel meer dan alleen maar een woord”, zeggen onze Geleerden.

In onze Gemara vinden we dat de Geleerde Sjmoeël een condoleance bezoek brengt aan zijn broer Pinchas, die een kind verloren heeft. Hij vraagt hem waarom hij zijn vingernagels laat groeien, hoewel het toegestaan is die te knippen. Pinchas antwoordt: Wanneer jou zo’n tragedie was overvallen, zou je dan ook zo onverschillig reageren?” Deze reactie noemt de Gemara een voorbeeld van een vergissing van de machthebber” (Kohelet 10:5).  Het resultaat van deze kennelijke verspreking was dat Sjmoeël zelf spoedig daarna zijn zoon verloor omdat er een verbond van de lippen” bestaat – een gesproken woord heeft de macht om in vervulling te gaan. Als bewijs van deze kracht citeert Rav Jochanan een uitspraak van Awraham Awinoe tegen de twee jongemannen, die hem begeleidden, toen hij op weg was om zijn zoon Jitschak te offeren. Blijf hier,” zei hij tegen hen, en ik en de jongen zullen bij jullie terugkomen” (Beeisjiet 22:5). En inderdaad, zij beiden kwamen terug.

Tosafot vraagt waarom Rav Jochanan een voorbeeld van een gesproken woord geeft, dat een gunstig resultaat heeft, als bewijs dat zulk een kracht ook een negatief resultaat kan hebben, zoals in het geval van Sjmoeël. Zou het niet logischer zijn om een andere Gemara (Berachot 19a) als bewijs aan te halen, „dat men nooit de mond van Satan moet openen” – dat wil zeggen, dat men nooit iets schadelijks moet zeggen over zichzelf, zoals wanneer men verklaart dat men nog niet genoeg geleden heeft voor zijn zonden?

Maharsja verklaart het verschil tussen deze twee soorten krachten van het gesproken woord. In het geval van traktaat Berachot heeft de persoon het over zichzelf, waarmee hij positie van de aanklagende engel – Satan – sterk maakt door zijn zelf-beschuldiging, waardoor de G-ddelijke Attribuut van de Genade verzwakt wordt. In het geval van Sjmoeël, zowel als in het geval van Awraham wordt de uitspraak over iemand anders gedaan, ten goede of ten slechte, en dat wordt beschouwd als een onbewuste profetie, die in vervulling gaat.

&

Mo’eed Katan 16b

Beloning voor het onderwijzen van Tora

De grootheid van een tsaddiek wordt door Rav Sjmoeël bar Nachmeini op basis van een vers in het boek Sjmoeël (II , 23:3), beschreven als de mate waarin hij in staat is om een decreet van Hasjem te annuleren.

In zijn voetnoten verwijst Rabbijn Jesjajahoe Piek Berlin van Breslau ons naar een Gemara (Bawa Metsia 85a) met een gelijksoortig idee. Daar treffen we dezelfde Geleerde aan, die Rabbi Jonatan citeert, als die zegt dat iemand die de zoon van een ongeletterde Jood Tora leert, de kracht heeft om G-ddelijke decreten te annuleren.

Er is echter een verschil tussen beide verklaringen. In zijn commentaar op Ein Ja’akov wijst Rabbijn Jesjajahoe Pinto erop dat het vermogen van een tsaddiek om een hard G-ddelijk decreet te annuleren, afhankelijk is van de kracht van zijn gebeden en in hoeverrre die Hasjem bereiken, om genade te verkrijgen. Maar iemand, die een Jood die is opgegroeid in een huis waar hij niet de gelegenheid heeft gehad om Tora te leren, Tora leert, diens beloning is zo groot, dat er geen noodzaak voor hem is om zo’n beroep op Hasjem te doen, want de verdienste van zijn werk is zo groot dat het de harde decreten neutraliseert.

Deze benadering brengt Rabbijn Pinto tot een nieuwe interpretatie van het vers, dat de Gemara aanhaalt als bron voor de grote beloning die iemand krijgt als hij de zoon van een ongeletterde Jood Tora onderwijst: „Wanneer je grote waarde kunt halen uit iemand die zo ruw is, dan zul je zijn als Mijn mond” (Jeremia 15:19). Op het eerste gezicht duidt dit vers op een G‑ddelijke beloning om de leraar een kracht te geven die gelijk is aan die van Hasjem. Maar dat bewijst nog niet dat zijn kracht groter is, zodat hij het G-ddelijke decreet kan annuleren. Daarom suggereert Rabbijn Pinto dat het vers als volgt moet worden opgevat: „Je zult zijn als Mijn mond” is een verwijzing naar de mond van de tsaddiek, waarvan onze Gemara reeds zegt, dat die de kracht heeft om te annuleren.

Wat de Profeet Jeremiahoe dan aan de Jood, die de ongeletterde onderwijst, belooft, is dat de kracht van zijn werk even groot zal zijn als „de mond van de tsaddiek,” en dat hij, zelfs zonder Hasjem daartoe te smeken, hetgeen de tsaddiek wel moet, het G‑ddelijke decreet kan annuleren.