Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   2 Ijar 5767

Traktaat Mo'eed Katan 17-23 Nr. 138

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Mo’eed Katan 18b

Zelfs op Tisja BeAv!

Hoewel het verboden is te trouwen op Chol HaMo’eed, is het toegestaan om een eroesien te maken. [Een eroesien is een formele verloving, waardoor het paar officiëel aan elkaar gebonden is, welke band alleen door een get – een echtscheiding – kan worden verbroken, maar die het paar nog niet veroorlooft samen te leven, voordat de nesoeïen – de choepa, het huwelijk – heeft plaats gevonden.] De Geleerde Sjmoeël legt uit dat de reden, waarom de Geleerden deze transactie hebben toegestaan, ondanks hun verbod op andere transacties, is dat er een haast bij betrokken is: iemand anders zou de vrouw kunnen trouwen, voor dat deze man dat doet.

Hetzelfde idee noemt de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 551:3) voor het maken van eroesien op Tisja Be’Av, ondanks de rouw die voor die dag geldt.

Echter, hoe kan Sjmoeël deze bezorgdheid uiten, wanneer hij zelf elders in de Gemara gezegd heeft dat iedere dag een Hemelse stem aankondigt welke vrouw voor welke man bestemd is?

Het antwoord dat de Gemara geeft, is dat Sjmoeël niet bezorgd is dat een concurrent de bruidegom in spé op een natuurlijke manier verslaat, maar dat de mededinger door de kracht van het gebed die speciale vrouw voor zich wint.

Een illustratie van een dergelijke dreiging is een incident waarin de Geleerde Rawa hoorde hoe een man bad om de hand van een speciale vrouw te krijgen. Rawa vermaande hem voor dat gebed, want als zij voor hem bestemd was, was er geen noodzaak voor zijn gebed, en als zij voor een ander bestemd was, zou zijn onvervuld gebed hem wellicht leiden tot verlies van vertrouwen in Hasjem. Rawa hoorde vervolgens hoe deze man, die kennelijk nu had berust in de gedachte dat hij die vrouw niet zou krijgen, bad, dat wanneer hij haar inderdaad niet zou krijgen, zij zou sterven voordat die andere man haar zou kunnen trouwen. Rawa vermaande hem voor dit gebed eveneens.

Dit incident dient als bewijs dat er een gevaar bestaat dat het gebed van een mededinger kan leiden tot het verlies van de voor hem bestemde bruid. Daarom is de urgentie van het maken van eroesien op Chol HaMo’eed van belang, om te voorkomen dat de vrouw het slachtoffer wordt van een dergelijk gebed.

Dit is de verklaring van de Gemara volgens Rasji, en dat lijkt te draaien rondom de veronderstelling dat een gebed niet een vrouw voor een man kan winnen, als zij voor een ander bestemd is, maar dat het gebed wel kan verhinderen dat zij met die ander trouwt.

Maharsja wijst erop dat dit strijdig is met de letterlijke betekenis van de woorden van Sjmoeël, die erop duiden, dat een gebed zelfs tot gevolg kan hebben dat een mededinger een vrouw krijgt, die niet voor hem bestemd was.

Ritwa heeft een andere benadering. Gebed, zo beweert hij, heeft de kracht om te veranderen wat reeds voorbestemd was en dat is de reden waarom de Geleerden eroesien toestonden op Chol HaMo’eed. Waarom vermaande Rawa dan die man die alleen maar de kracht van zijn gebed uitprobeerde? Omdat de wijsheid van Rawa hem vertelde dat deze vrouw niet geschikt was voor deze biddende figuur en dat hij er uiteindelijk spijt van zou krijgen als hij wel met haar zou trouwen. Daarom zei hij tegen de man dat hij niet om die vrouw moest bidden, want dat was niet voor zijn bestwil.

Mo’eed Katan 20b

Leren van de voorvaderen

Kunnen we een halacha leren van een gebeurtenis in Tora, die plaats vond voordat Tora gegeven werd? We schijnen tegenstrijdige signalen te krijgen over dit onderwerp, van verklaringen in de Jeruzalemse Talmoed, die Tosafot in ons traktaat citeert. Voor de bron van een zeven dagen durende rouw, citeert een vers in de profetie van Amos (8:10), waar wordt aangekondigd dat een feestdag zal veranderen in een rouwdag. Waarom, vraagt Tosafot, leren we deze zeven dagen durende rouw niet van de rouw die Joséf voor zijn vader in acht nam (Bereisjiet 50:10)?

Rabbijn Zwi Hirsch Chajot, wiens commentaar achterin de Wilna Sjas staat, vraagt aandacht voor deze tegenstrijdigheid, betreffende het leren van gebeurtenissen die plaats vonden voordat de Tora was gegeven. Hij verwijst ons naar zijn Torat HaNeviïem”, waar hij dit onderwerp uitgebreid bespreekt. In zijn alomvattend overzicht van alle wetten die we al dan niet leren van gebeurtenissen vóór Tora, schrijft hij dat zijn uitgangspunt is, dat alleen wanneer er iets is, waarvan de logica zegt dat het een juist gedrag was, wij een bron uit de pre-Tora-periode citeren als een Bijbelse bron om dat te doen. Het niet vermengen van Simcha’s, zodat de juiste aandacht gegeven kan worden voor elk van de simcha’s, is logisch, zoals Tosafot zelf opmerkt. Daarom kunnen wij ons verlaten op het voorbeeld van Lawan en Ja’akov als steun. De lengte van de rouwtijd echter, is meer een kwestie van wet dan van logica en kan daarom niet afgeleid worden van wat Joséf deed voor zijn vader in pré-Tora-tijden.

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 409 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 21a

Twee aspecten van het omkeren van bedden

In ons traktaat noemt de Gemara herhaaldelijk de verplichting voor een rouwende om zijn bed onderste boven te keren. De Rambam schrijft (Hilchot Aweel 5:18) dat de rouwende op dat omgekeerde bed moet slapen en als hij dat niet doet, heeft hij aan zijn verplichtingen voor de rouw niet voldaan.

De Brisker Rav zt”l merkte een kennelijke tegenstrijdigheid op in deze Rambam. In Hilchot Aweel 4:9 schrijft hij namelijk dat deze verplichting om op een omgekeerd bed te zitten, alleen op de eerste dag van de sjiwa geldt. De overige dagen mag hij op de grond zitten. Maar in halacha 5:18 schrijft hij dat de bedden (alle bedden) gedurende zeven dagen omgekeerd moeten worden. Wat probeert de Rambam ons hier te leren? Wat zijn de twee aspecten van het omkeren van bedden in deze twee halachot?

Het verbod – De Brisker Rav haalt zijn vader R. Chaim aan, dat het bed van de rouwende niet rechtop mag blijven staan. Het is verboden om ze gewoon te laten staan gedurende alle zeven dagen van de sjiwa. Daar heeft de Rambam het over in hoofdstuk vijf. Daarom begint hij dat hoofdstuk met de woorden: De volgende dingen zijn verboden… het bed rechtop te laten staan.”

De verplichting – Bovendien is er het gebod om op een omgekeerd bed te zitten. Daarmee toont de rouwende wat het doel is van het omgekeerde bed. Dit is een actief vertoon van rouw. Maar het is voldoende als men daar zelfs maar eenmaal op zit. R. Jochanan bedoelt dit, wanneer hij zegt: Wanneer een rouwende ..... op de grond zit, .... vervult hij zijn plichten niet.” Hij moet minstens eenmaal op het omgekeerde bed zitten. Daarna mag hij op de grond zitten, als hij dat prefereert.

De eerste dag is van Tora – Waarom is de verplichting om op een omgekeerd bed te zitten alleen de eerste dag verplicht? De Rambam begint de wetten van de rouw met te verklaren, dat volgens Tora de rouw alleen de dag van het overlijden en de dag van de begrafenis is. De rest van de sjiwa is ingesteld door Mosjé Rabbeinoe. Om deze reden moet men alleen de eerste dag actief rouw tonen, door op een omgekeerd bed te zitten, om de Tora-vereiste van aweloet te vervullen. Wanneer dat eenmaal gebeurd is, hoeft men niet meer op een omgekeerd bed te zitten gedurende de rest van de sjiwa, omdat die dagen alleen mideRabbanan zijn.

Echter, wanneer de rouwende niet de eerste dag op een omgekeerd bed heeft gezeten, dan moet hij dat op zijn minst een keer doen gedurende de rest van de zeven dagen, ten einde de verplichting van de Rabbijnen te vervullen.

Het oog van de meester

Rav Ja’akov Ruderman zt”l (1900/1987), destijds Rosj Jesjiwa van Ner Jisrael in Baltimore, had slechte ogen. Op een zeker moment adviseerden de artsen hem om zich aan zijn ogen te laten opereren, in de hoop dat het gezichtsvermogen van de Rosj Jesjiwa zou verbeteren.

Na de operatie werd Rav Ruderman verteld dat hij niet eerder naar huis mocht, voordat zijn gezichtsvermogen volledig hersteld was. Rav Ruderman was daar zeer ongelukkig over. Hij verlangde vurig naar zijn boeken en de vier muren van zijn geliefde Beit Hamidrasj. Hij verlangde naar zijn studenten en het geluid van de discussies over Tora. De steriele atmosfeer van het ziekenhuis deprimeerde hem alleen maar.

Iedere keer als een dokter hem kwam bezoeken, vroeg hij of hij al naar huis mocht, maar dat hielp hem niet. Totdat zijn ogen volledig hersteld waren, wilden de artsen geen toestemming geven dat hij waarheen dan ook zou gaan.

Eén van de artsen die voor Rav Ruderman zorgde, was een ex-student van Rav Rudermans Jesjiwa. Hij was nu een bevoegde arts en hij zag het als zijn eer om zijn vroegere Rosj Jesjiwa goed te verzorgen.

Iedere keer als hij Rav Ruderman bezocht, probeerde deze hem ervan te overtuigen dat zijn ogen weer helemaal gezond waren en dat hij dus nu wel naar huis kon gaan.

Op zekere dag zei de arts-ex-Jesjiwa-student: Ik zal een Gemara voor u halen, als u daar een daf van kunt lezen, zal ik de andere artsen ervan proberen te overtuigen om u te laten gaan.

De dokter bracht een grote Gemara en zette die voor Rav Ruderman. Diens gezicht klaarde op. Hij sloeg de eerste bladzijde op en begon meteen met heldere stem de hele eerste daf te lezen, zonder een enkele hapering.

Triomfantelijk keek hij de dokter vol verwachting aan.

Het spijt mij,” zij de arts, u zult nog enige tijd hier moeten blijven.”

Maar ik heb zojuist de hele daf feilloos gelezen,” wierp de Rosj Jesjiwa tegen.

Dat klopt,” antwoorde de ex-Jesjiwa-student, de Rav heeft zojuist de eerste daf van traktaat Ketoebot feilloos geciteerd, alleen ik had traktaat Kedoesjien meegebracht!”