Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   9 Ijar 5767

Traktaat Mo'eed Katan 24-eind Nr.139 

Uit Daf Yomi Digest van het Chigago Center for Torah Chesed

Mo’eed Katan 24a

De kria voor een Geleerde

Onze Gemara behandelt het probleem van het maken van een inscheuring – kria – in de kleding bij het overlijden van een naast familielid. De Geleerde Sjmoeël heeft daarover gezegd dat die kria gemaakt moet worden op het moment van het meest intensieve verdriet. Voor wie aanwezig was bij het moment van overlijden, is dat het tijdstip waarop hij de kria moet maken. Wie daarbij niet aanwezig was, maakt de kria op het moment dat hij van het overlijden hoort.

Voorts leert de Gemara ons wie die naaste familieleden zijn, voor wie men een kira maakt: een vader, moeder, broer of ongetrouwde zuster, zoon, ongetrouwde dochter en echtgenoot (-note). Maar men maakt ook een kria wanneer men hoort van het overlijden van een groot Tora-Geleeerde.

De Gemara op onze daf vertelt hoe de Geleerde Sjmoeël bij het overlijden van zijn collega, de Geleerde Rav, in zijn rouw daarover in twaalf kledingstukken een kria maakte en dat hij daarbij jammerde: Heen gegaan is de man voor wie ik vreesde.”

De Gemara merkt op dat het onwaarschijnlijk is dat Sjmoeël die kleren tegelijk over elkaar droeg op het moment dat hij van het overlijden hoorde en dat het ook ook onwaarschijnlijk is dat hij op diezelfde dag twaalf maal van  kleren verwisselde. De Gemara concludeert dat hij die verschillende kleren op eenvolgende dagen droeg en dus alle dagen achtereenvolgens een kria maakte. Echter, hierboven heeft Sjmoeël gezegd dat men alleen een kria maakt op het moment van het meest intensieve verdriet; dat wil zeggen, niet op twaalf dagen achter elkaar! Hoe zit dat?

De Gemara concludeert dat het verdriet over het verlies een Tora-Geleerde niet te vergelijken is met het verdriet over een gewoon familielid. Het verlies van een Tora-Geleerde betekent het verlies van Tora en dat verlies blijft men voelen, iedere dag.

Maar waarom was Sjmoeël bang voor Rav?

Tosafot HaRosj citeert de Ra’awad, die schrijft dat wegens het grote ontzag dat Sjmoeël had voor de enorme kennis van Rav, die nog rechtstreeks van de Tanna Rabbi Jehoeda HaNasi geleerd had, (Sjmoeël zelf trouwens ook), en ook van Rabbi Chia, dat dit ervoor zorgde dat Sjmoeël uiterst voorzichtig was in zijn uitspraken en geen soepele beslissingen nam. Maar nu Rav overleden was, was er niemand meer voor wie hij bang hoefde te zijn, dat hij op zijn vingers getikt zou worden, hetgeen zou kunnen veroorzaken dat hij niet voldoende doordachte beslissingen zou nemen en fouten zou maken en daarmee het publiek zou veroorzaken overtredingen te maken.

Dat was waar Sjmoeël hij nu bang voor was.

Uit Insights to the Daf, van Kollel Iyun Hadaf, Jerusalem

Mo’eed Katan 24b

Wanneer één dag voor veertien dagen telt

De Gemara leert ons dat als iemand een aweel – rouwende – wordt op de dag voor Sjawoe’ot, dat het dan, met het voorbijgaan van Sjawoe’ot is, alsof veertien dagen van aweloet – rouw – voorbij zijn en de aweel hoeft nog maar 16 dagen te tellen om zijn sjelosjiem aan te vullen. Dit is omdat Sjawoe’ot de sjiwa opheft (zoals de Misjna op 19a zegt), en dus is het alsof de zeven dagen van de sjiwa, die meetellen voor de sjelosjiem,  al voorbij zijn. Wanneer Sjawoe’ot voorbij is, wordt het beschouwd alsof er nog eens zeven dagen voorbij zijn, want Sjawoe’ot is een Jom Tov met dezelfde status als Pesach en Soekot, die zeven dagen duren [Sjemini Atsèret (Simchat Tora) hoort niet meer bij Soekot].

Wat is de basis voor het tweede deel van de regeling van de Gemara, dat één dag van Sjawoe’ot beschouwd wordt als zeven dagen? Als Sjawoe’ot  beschouwd wordt als zeven dagen, omdat het zes dagen tasjloemiem heeft voor zijn korbanot (Chagiga 17a), waarom telt de dag van Sjawoe’ot zelf dan als zeven dagen, en tellen de volgende zes dagen mee voor de sjelosjiem? Deze dagen worden tweemaal geteld!

Voorts, als om een of andere reden Jom Tov beschouwd wordt als zeven dagen, dat zou Soekot voor 27 dagen moeten tellen (de eerste zeven dagen van de sjiwa worden geannuleerd door de eerste dag Jom Tov, de eerste dag Jom Tov telt vervolgens mee voor zeven dagen van de sjelosjiem, dan zijn er zes dagen Chol HaMo’eed, en tenslotte is er de Jom Tov van Sjemini Atsèret, die ook voor zeven dagen telt, totaal dus 27), en niet 21 dagen, zoals de Gemara zegt! Waarom tellen de zes dagen van Chol HaMo’eed niet voor zichzelf mee voor de dertig dagen van de sjelosjiem, zoals de zes dagen van tasjloemiem die volgen na Sjawoe’ot? De Gemara zegt expliciet (20a) dat het hele feest, met inbegrip van Chol HaMo’eed, is inbegrepen in de dertig dagen van de sjelosjiem!

De Tifèret LeMosjé (J.D. 399) suggereert een ingenieuze oplossing. Hij verklaart dat gedurende de tijd van het Beit HaMikdasj, Sjawoe’ot beschouwd werd als een feest van zeven dagen, wegens de zes dagen van tasjloemiem die op de Jom Tov volgen [dat wil zeggen, dat iemand die niet in de gelegenheid was om zijn offers op Sjawoe’ot te brengen, daar nog zes dagen gelegenheid voor had, net als bij de andere pelgrimfeesten]. Deze zes dagen telden mee voor de dertig dagen van de sjelosjiem (zoals de Gemara op 20a zegt, met betrekking tot Chol HaMo’eed). Aan de andere kant, tijdens deze dagen van tasjloemiem hield een aweel geen van de voorschriften van de sjelosjiem, omdat de wetten dan opgeschort zijn tijdens het feest. (Dit is gebaseerd op de woorden  van de Toer (J.D. 399) in naam van de Rosj, die schrijft dat een aweel zijn haar niet mag knippen of zijn kleren mag strijken tijdens Chol HaMo’eed – niet vanwege de wetten van de sjelosjiem, maar vanwege de voorschirften van Chol HaMo’eed, zoals de Gemara zegt op daf 19b. De andere wetten van de sjelosjiem, zoals het dragen van schone, pas gestreken kleren, gelden helemaal niet op Chol HaMo’eed. De Ramban (in Torat haAdam) schrijft echter dat al de voorschriften voor de sjelosjiem van toepassing zijn gedurende het feest, en dat men geen nieuw gestreken kleren mag dragen op Chol HaMo’eed. De Tifèret LeMosjé suggereerd dat zelfs de Ramban deze regeling alleen van toepassing verklaart in een geval waarbij het overlijden plaatsvond op het feest zelf, in welk geval het feest de sjiwa niet opheft. In zo’n geval zijn de beperkingen van de sjelosjiem van toepassing, niet omdat deze dagen dan een onderdeel vormen van de sjelosjiem, maar omdat zij een onderdeel vormen van de sjiwa. Maar wanneer de dood vóór het feest plaatsvond, en het feest de sjiwa dus opheft, dan is zelfs de Ramban het ermee eens dat de voorschriften voor de sjelosjiem niet gelden tijdens het feest.)

Dus in de tijd van het Beit HaMikdasj won een aweel zeven dagen, gedurende welke hij niet de wetten van de sjelosjiem in acht hoefde te nemen, terwijl die dagen toch meetelden voor zijn sjelosjiem. De zeven dagen die meetelden voor zijn sjelosjiem waren samengesteld uit één dag Sjawoe’ot en de zes dagen van de tasjloemiem die daarop volgden. Toen het Beit HaMikdasj verwoest was, wilden de Geleerden niet dat de aweel deze dagen zou verliezen wegens de Verwoesting en daarom beslisten zij dat ook vandaag nog de aweel zeven dagen aftrekt van de telling van dertig, wanneer Sjawoe’ot voorbij is en hij telt zeven dagen minder sjelosjiem. Dit is de betekenis van de Gemara hier, wanneer die zegt dat Sjawoe’ot voor zeven dagen telt.

De Tifèret LeMosjé wijst erop dat dit ook verklaart waarom de dagen van Chol HaMo’eed van Soekot en Pesach niet meetellen voor de sjelosjiem zelf. Alleen de eerste dag van Jom Tov telt mee als zeven dagen, omdat de enige reden waarom een feestdag voor zeven dagen telt, is omdat het zes dagen Chol HaMo’eed heeft die daarop volgen. Dus alleen als een Jom Tov niet werkelijk Chol HaMo’eed-dagen heeft (zoals Sjawoe’ot), hebben de Geleerden het een status van zeven dagen gegeven.

Waarom echter tellen elk van de eendags-feesten, zoals Sjemini Atsèret, Rosj Hasjana en Jom Kippoer als zeven dagen voor de sjelosjiem volgens Rabban Gamliël (en zijn mening is halacha)? Die dagen zijn geen feesten van zeven dagen, en in de tijd van het Beit HaMikdasj werden ze ook niet gevolgd door zes dagen van tasjloemiem. De Ramban verklaart dat zij niettemin als zeven dagen geteld worden, omdat de Tora alle feesten aan elkaar gelijk stelt (traktaat Sjawoe’ot 10a), en daar Sjawoe’ot voor zeven dagen telt, ondanks dat het een een-dags-feest is, tellen ook de andere een-dags-feesten als zeven dagen, ook als werden zij nimmer gevolgd door dagen van tasjloemiem.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Mo’eed Katan 25a

Profetie buiten Erets Jisraël

Bestaat er profetie buiten Erets Jisraël?

Deze vraag komt op in onze Gemara als resultaat van een grafrede die Rabbi Abba hield bij het overlijden van Rav Hoena.

Onze leraar,” zo verklaarde hij, was het waardig dat de G-ddelijke aanwezigheid op hem rustte [om profetie te krijgen], maar het feit dat hij in Babylonië woonde, verhinderde dat.”

Toen Rav Nachman bar Rav Chisda deze uitlating hoorde, dat profetie beperkt is tot Erets Jisraël, wees hij op de inleidende verzen van het Boek Jechezkel (Ezechiël), waar staat: „Het gebeurde dat het woord van G-d kwam tot Jechezkel ben Boezi HaKohen in het land van de Chaldeeën” (Jechezkel 1:3). Met andere woorden, hieruit zou blijken dat er wel degelijk profetie is buiten het Land Israël!

Deze uitdaging vond echter geen gunst in de ogen van zijn vader, Rav Chisda, die hem een reprimande gaf voor het stellen van te veel vragen. De woorden ‘Het gebeurde’ aan het begin van dat vers worden nogmaals herhaald, en dat wijst erop dat dit een uitzondering op de regel was.

Rasji biedt twee verklaringen voor deze uitzondering. Eén is dat dit een eenmalige profetie was, die niet meer terugkwam. Zijn andere verklaring is dat ‘Het gebeurde’ de eerste keer dat het woord van G-d tot Jechezkel kwam in Erets Jisraël en daarom gebeurde dat nogmaals buiten Erets Jisraël.

Jehoeda Halevi geeft in zijn klassieke boek De Koezarie” nog een derde verklaring. Omdat Jechezkel profeteerde over Erets Jisraël, verkreeg hij de profetie buiten het Land.

Het best bekende voorbeeld van profetie die berperkt was tot Erets Jisraël, is te vinden in het boek Jona, dat wij als Haftara lezen bij Mincha op Jom Kippoer. Toen hem door G-d geboden werd om naar de Ninevé te gaan, om haar bewoners aan te sporen om tot inkeer te komen, trachtte hij per schip uit Erets Jisraël te vluchten, zodat hij geen profetie meer zou krijgen en hij verlost zou worden van de verantwoordelijkheid.

Mo’eed Katan 26a

De paradox van een overlijden

Het overlijden van tsaddikiem wordt vergeleken met de rode koe, waarvan de as gebruikt wordt om reiniging te verkrijgen voor die Joden, die spiritueel onrein zijn geworden door contact met een dode.

Als bron voor deze vergelijking noemt Rav Ami het feit dat het hoofdstuk over de wetten voor de rode koe (Bamidbar 19) gevolgd wordt door het verslag van het overlijden van Miriam (Bamidbar 20:1). Dat is om ons te leren dat net zoals de rode koe dient voor verzoening (het wordt in Bamidbar 20:9 als een zondoffer genoemd – Marhasja), zo werkt ook de dood van een tsaddiek als een verzoening.

Een interessante verklaring voor deze vergelijking wordt gegeven door Rabbijn Jonatan Eibeschitz in zijn klassieke werk Ja’arot Devasj, tegen de achtergrond van de paradox die zweeft boven de kracht van de rode koe om reiniging te verkrijgen: terwijl het sprenkelen van de as daarvan op een verontreinigd persoon, op de manier zoals Tora voorschrijft, hem rein maakt, worden degenen die zich met dit sprenkeling-proces bezig houden, er onrein van.

Deze paradox van het reinigen van de onreine, dat de reine onrein maakt” gaat ieder menselijk begrip te boven en wordt daarom een chok genoemd. Een soortgelijke paradox bestaat er betreffende het gevolg van de dood van een tsaddiek. Net zoals de as van de rode koe reiniging verkrijgt voor de onreine op een of andere mystieke manier, zo ook verkrijgt de dood van de tsaddiek op een of andere mystieke manier verzoening voor de zonden van de generatie van de tsaddiek. Maar voor de leerlingen van de tsaddiek en hen die hem nabij waren en die profiteerden van zijn leiding, is zijn dood een enorm gemis, want zij hebben de bron van hun kennis en inspiratie verloren. Over hen kan gezegd wordem dat  de reine onrein geworden is” ten gevolge van het verlies.

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 410 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Mo’eed Katan 27a

Lijkkleding

Ongeveer negentig jaar geleden werd aan Rabbijn Jehoeda Leib Friedman, die verbonden was aan het plaatselijke Beit Din van Pressburg, Hongarije, een sombere vraag voorgelegd. Tot op dat moment was het de gewoonte om de doden te begraven in lijkkleding die gemaakt was van leinwand,” een hoge kwaliteit linnen. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nam de armoede toe en de last van het begraven van talloze oorlogslachtoffers viel op de chewra kadisja. Zij konden zich niet langer meer permitteren om de doden in de leinwand te begraven en zij vroegen daarom of zij in plaats daarvan ‘papierleinwand’ mochten gebruiken, een mindere kwaliteit, die zo genoemd werd omdat het op dun papier leek. De vraag was gebaseerd op de waarschuwing van de Be’er Heteev (J.D. 352:1): Wijk niet af van de geaccepteerde gewoonte van de kleding van de doden. De dode maakt bezwaar tegen deze aanslag op zijn eer.”

Het precedent van Rabban Gamliël – R. Friedman stond het gebruik van papierleinwand toe voor lijkkleding (Tesjoewot Riwad 64). Als bewijs citeerde hij onze Gemara, dat het eens de gewoonte was om de doden in buitengewoon dure kleding te begraven. Dit werd zulk een zware last voor de overlevende familie, dat zij soms het lichaam in de steek lieten en er vandoor gingen, liever dan de hoge kosten van de lijkkleding te betalen.

Rabban Gamliël zag de benarde toestand van de gemeenschap en gaf opdracht dat wanneer hij zou overlijden, hij begraven moest worden in simpele linnen kleren. Rabban Gamliël was toen de Nasi, de leider van de Geleerden. Het volk realiseerde zich dat als hij afzag van de eer van een extravagante begrafenis, zij dat ook konden doen. (Ter waardering van de grote verlichting die hij voor het Joodse volk bracht, werd het de gewoonte om een beker wijn te drinken als men de rouwenden ging troosten – Ketoebot 8b.) Later werd het de gewoonte om de doden in kleren van  nog simpelere stof te begraven.

R. Friedman concludeerde dat hoewel dit hem  correct leek te zijn, men niet op zijn beslissing mocht afgaan, voordat Tora-geleerden hiermee zouden instemmen.