Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
4 Sivan 5763 Traktaat Horajot Nr. 14

 

Traktaat Horajot

Traktaat Horajot gaat over het verzoeningsproces voor overtredingen die ontstaan ten gevolge van bij vergissing verkeerd gegeven regelingen. äåÉøÈéåÉú horajot (meervoud van äåÉøÈàÈä) betekent „regelingen”. Het traktaat concentreert zich op de wetten van de offers voor sjeĝaĝot – onopzettelijk begane overtredingen. Hoewel het misschien meer logisch lijkt wanneer het haar gestasan in Seder Kedosjien, is het opgenomen in Seder Nezekien omdat het gaat over regelingen van het Sanhedrin.

Voor een goed begrip van het traktaat is kennis van de diverse offers voor overtredingen nodig. Hier volgt een kort overzicht van de diverse offers.

Persoonlijke overtredingen

In het algemeen moet iemand, die een overtreding begaat een korban chataat – een zondoffer – brengen wanneer het een onopzettelijke overtreding van een negatief verbod betreft en de opzettelijke overtreding gestraf zou worden met kareet – uitroeiing. Er zijn verschillenden soorten chataat-offers, afhankelijk van de aard van de overtreding. Het volgende is een korte omschrijving van de diverse zondoffers.

Chataat kavoe’a – Het vaste zondoffer

Dit is het meest gangbare zondoffer en wordt door Tora voorgeschreven voor onopzettelijke overtreding van een negatief verbod waarvoor met kareet gestraft wordt wanneer het opzettelijk gebeurt.  Rambam (Hil. Sjeĝaĝot 1:4) noemt 43 overtredingen op, die onder deze categorie vallen. Dit offer is òf een vrouwtjesgeit of een vrouwtjes schaap (Wajjikra 4:28,32) maar het is vast, in die zin dat het niet afhankelijk is van de draagkracht van de overtreder die het offer moet brengen, zoals in de volgende categorie.

Korban ’olee wejoreed – Het variabele [zond-] offer

Dit offer [letterlijk: „het op en neergaande offer] is geen vast offer in die zin dat het afhankelijk is van de bestaansmiddelen van de overtreder die het offer moet brengen. Voor de welvarende is het een geit of schaap. Voor de arme een paar vogels, tortelduiven of jonge duiven, waarvan de één als brandoffer en de ander als zondoffer gebracht wordt. En voor wie ook dat niet kan betalen, die brengt een mincha [meel] offer (Wajj. 5:6-13). Dit offer wordt slechts voor drie gevallen voorgeschreven, die in hoofdstuk 3 behandeld worden.

Se’ierat ’avodat  kochaviem – De geit voor afgoderij

Wanneer een individu per ongeluk het verbod van afgoderij overtreden heeft, moet hij een vrouwtjes geit, van jonger dan een jaar offeren (Bamidbar 15:27:31).

Asjam taloei – Een twijfelachtig schuld-offer

Een chataat-offer moet alleen gebracht worden als het zeker is dat er een overtreding begaan is. Bijvoorbeeld wanneer iemand ontdekt dat hij per ongeluk, zonder dat hij dat wist chelev – verboden vet – gegeten heeft. Wanneer er echter twijfel bestaat of hij de overtreding begaan heeft, dan brengt hij een asjam taloei. Dit kan voorkomen wanneer iemand bijvoorbeeld vet gegeten heeft, en achteraf blijkt dat het mogelijk chelev geweest is, maar dat is niet zeker, het kan ook geoorloofd vet geweest zijn. Het asjam taloei bestaat uit een ram die minstens twee selaim waard is (Wajjikra 5:17-19). Dit schuldoffer beschermt de mogelijke overtreder tegen Hemelse straf, totdat duidelijk wordt wat er precies gebeurd is. Wanneer later blijkt dat hij de overtreding begaan heeft, brengt hij alsnog het vaste chataat-offer. Het asjam taloei wordt alleen gebracht in die gevallen waarbij als de overtreding zeker zou zijn geweest, een korban chataat kavoe’a gebracht had moeten worden, maar niet als het offer een ’olé wejoreed zou zijn geweest.

Gemeenschappelijke of publieke overtredingen

Par hè’eleem davar sjel tsiboer – De stier voor een gemeenschappelijke vergissing

Wanneer het Beit din, dat wil zeggen het Grote Sanhedrin, per vergissing een verkeerde beslissing neemt, en iets toestaat dat in feite verboden is en met kareet strafbaar is wanneer een individu dat met opzet zou overtreden, en ten gevolge daarvan begaat de meerderheid van de bevolking een overtreding, dan moet er een speciaal gemeenschappelijk chaat offer gebracht worden: een stier [in plaats van de geit of het schaap].

Par Kohen Masjiach – De stier van de gezalfde Kohen

Met de gezalfde Kohen wordt de Kohen Gadol – de Hoge Priester bedoeld, die op zijn hoge post is aangesteld doordat hij met de sjémen hamisjcha – de zalvingsolie – gezalfd is. Deze stier wordt geofferd op dezelfde manier als de stier voor een gemeenschappelijke vergissing: het bloed wordt in het heiligdom gesprenkeld en het vlees ervan wordt buiten het kamp verbrand. Dit offerwordt gebracht als de Kohen een overtreding maakt als gevolg van een foute beslissing van het Beit din. Het wordt behandeld in hoofdstuk twee en drie.

Se’ier  Nasie – De stier van de Nasie

Met de Nasie wordt hier de koning bedoeld. In Tora is het Stamhoofd. Wanneer de koning een overtreding begaat, waarvoor een gewone burger een chataat-offer zou moeten brengen, dan moet hij een geitebok als chataat offer brengen. Verder is er geen verschil met het individuele zondoffer.

Relevante Tora-passages:

o        Par Kohen Masjiach – De stier van de gezalfde Kohen: Wajjikra 4:1-12

o        Par hè’eleem davar sjel tsiboer – De stier voor een gemeenschappelijke vergissing: Wajjikra 4:13-21

o        Se’ier Nasie – De stier van de Nasie: Wajjikra 4:22-26

o        Chataat kavoe’a – Het vaste zondoffer: Wajjikra 4:27-32

o        Korban ’olee wejoreed – Het variabele offer: Wajjikra 5:1-12

o        Asjam taloei – Een twijfelachtig schuld-offer: Wajjikra 5:17-19

o        Par oese’ier ’avoda zara sjel tsiboer – Gemeenschappelijk offer voor afgoderij: Bamidbar 15:22-26

o        Se’ier ’avodat zara sjel jachied – Individueel offer voor afgoderij: Bamidbar 15:27-31

 

Hoofdstuk Een

MISJNA: Wanneer het beit din een regeling geeft om één  van alle geboden die in Tora staan, te overtreden [d.w.z. wanneer het ten onrecht iets toestaat, dat strafbaar is met kareet] en een individu deed dat onopzettelijk, afgaande op hun woord, dan [geldt dat] als hij dat deed samen met hen [d.w.z. het beit din deed de overtreding zelf ook], of  dat zij [het beit din] het eerst deden en hij deed het hun na, of dat zij [het beit din] het niet deden, maar hij deed het wel, dan is hij vrijgesteld [van het brengen van een chataat], want hij vertrouwde op het beit din.

Wanneer het beit din een [foutieve] regeling maakte en één van hen wist dat het verkeerd was, of een leerling die bevoegd was op te beslissen, en hij ging heen en deed zoals zij gezegd hadden [ondanks dat hij wist dat het verkeerd was] dan [geldt dat] of hij gehandeld heeft samen met het beit din, of dat het beit din het ’t eerst deed en hij volgde hen,of dat het beit din deed niets, maar hij deed het alleen, [in al deze gevallen] is hij ver­plicht [om een chataat te brengen] want hij vertrouwde niet op het beit din [want hij had beter moeten weten en hoefde nietop het beit din af te gaan].

Dit is de algemene regel: Wieop zichzelfvertrouwt [en een overtreing begaat] is verplicht [een chataat te brengen]; maar wie op het beit din vertrouwt, is vrijgesteld.

Gemara 2b: Maar hij vergiste zich met de mitswa: „men moet de woorden van de geleerden volgen.”

De mitswa om de geleerden te gehoorzamen

Onzesoegia legt uit, dat als een chacham due zelf bevoegd is om beslissingen te nemen, een beslissing hoort van het Sanhedrin, die strijdig is met Tora, dan moet hij die niet gehoorzamen. Wanner hij dat wel zou doen, dan vergist hij zich in het Tora-gebod om de geleerden te gehoorzamen, want dat gebod wasniet gegeven met de bedoeling dat men daarmee Tora kan overtreden. De Commentatoren echter komen met de interpretatie van Sifrei van het vers: „Je zult niet afwijken van de dingen die zij je leren, niet naar rechts, noch naar links.” – „Zelfs als hij je vertelt dat rechts links is of links rechts is.” Het lijkt erop dat men het Sanhedrin moet gehoorzamen, zelfs wanneer men ervan overtrtuigd is dat zij zich volledig vergist hebben.

Deauteur van Beër Sjeva’ maakt ondescheid tussen het geval dat onze soegia behandelt en dat van Sifrei. Onze soegia heeft het over iemand die een beslisisng hoort, die duidelijk een bestaande halacha tegenspreekt. Sifrei heeft het over een talmid chacham die het niet met het Sanhedrin eens is, omdat de beslissing hem nietlogisch toeschijnt. In dat geval moet hij hen gehoorzamen.

Maar toch is er volgens de Risjoniem geen tegenstelling tussen onze soegia en Sifrei. Ramban [Sefer Hamitswot, sjoresj 1] en de Ran [op Sanhedrin 99a] zeggen dat onze gemara het heeft over een chacham die een regeling hoorde in naam van het Sanhedrin, die foutiefschijnt. Dan moet hij naar Jeroesjalajim gaan en zijn argumenten aan hen voorleggen.Zolang hij dat doet, moet hij hun regeling negeren,voor het geval zij zich blijken vegist te hebben. Maar wanneer hij zijn argumenten aan hen voorgelegd heeft en zijn mening wordt niet geaccepteerd,dan moet hij het Sanhedrin volgen. Dit is het geval waarover Sifrei het heeft: „Zelfs als hij je vertelt dat rechts is links of dat links rechts is.”

Sommige Acheroniem suggereren dat deze verplichting om het Sanhedrin te gehoorzamen alleen verbiedt om meer soepelte zijn dan hun regeling, maariemand mag zich wel strenger gedragen dan hun regeling. Daarom beslist onze soegia dat een chacham die meent dat een soepele regeling van het Sanhedrin onjuist is, die beslissing moetnegeren en dat hij streng voor zichzelf moet zijn. Sifrei beslist dat een chacham  die meent dat een strenge beslissing van het Sanhedrin onjuist is, die beslissing moet gehoorzamen. Deze constructie echter wordt verworpen door de Risjoniem, die beweren dat men nietstrenger mag beslissen dan het Sanhedrin en, zoals Rambam zegt [Hilchot  Maächalot assoerot 17:22], iemand die de olie van niet-Joden verbiedt, welke Chazal  heeft toegestaan, zondigt, „want hij is ongehoorzaam aan het beit din dat het heeft toegestaan” [zie Responsa Jobia’ Omer VI: J.D. 7].

(Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 208 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak)


Gemara 3b: R. Jonatan heeft gezegd: Honderd [rechters] die samen zitten om regelingen te maken [en daarbij een vergissing maakten] zijn niet verplicht [een stier te offeren voor een gemeenschappelijke vergissing], tenzij allen [gezamelijk en eensgezind] de beslissing nemen. [Dus als één rechter stil blijft, is er geen verplichting.] Want er staat geschreven [in Wajjikra 4:13]: „En wanneer de gehele gemeenschap van Israël zich vergist,” [hetgeen betekent dat een stier voor een gemeenschappelijke vergissing niet gebracht hoeft te worden] tenzij allen [d.w.z. alle leden van het Beit din] zich vergissen.

 

Wanneer het meeste niet genoeg is

„Moge alle kwaad in zijn geheel verdwijnen als rook.”

„Hasjem, onze G-d, en G-d van onze voorvaderen, regeer over heel de wereld in zijn geheel  in  Uw glorie.”

Deze gebeden van onze Rosj Hasjana dienst schijnen een element van overbodigheid te hebben. De verklaring van de dubbele terminologie vindt zijn oorsprong in onze Gemara.

Twee passages worden in onze gemara genoemd, die de uitdrukking „geheel” gebruiken. Eén daarvan staat in verband met het centrale thema van dit deel van de Talmoed, dat gaat over het zoenoffer dat gebracht moet worden wanneer het Sanhedrin per vergissing een meerderheid van de bevolking misleidt in het begaan van een overtreding: „En wanneer de gehele gemeenschap van Israël zich vergist” (Wajjikra  4:13).

De andere passage (Malachi 3:9) is: „Met een vloek zijn jullie vervloekt, want jullie hebben Mij beroofd, dit gehele volk.” Het dient als de basis voor de regeling dat de geleerden geen decreet maken, tenzij zij er zeker van zijn dat een meerderheid van de bevolking in staat is het te gehoorzamen.

De conclusie van de Gemara is, dat voor beide gevallen geldt, dat wij een meerderheid gelijkwaardig beschouw­en aan het geheel. Opdat een stier als een gemeenschappelijk offer voor een gemeenschappelijk begane overtreding gebracht moet worden, is het voldoende als een meerderheid van de bevolking zich vergist heeft. Zo ook is het niet nodig dat de hele gemeenschap een bepaald decreet kan gehoorzamen, als de meerderheid dat maar kan.

Maharsja wijst erop, dat in het laatste geval de woorden „het gehele volk” gebruikt worden, terwijl alleen maar een meerderheid nodig is, om ons te leren dat die meerderheid gelijk staat aan het geheel, een principe dat bij vele halachische regelingen van toepassing is. Deze les was echter onnodig voor een regeling van het beit din, daar de regel van de meerderheid expliciet in Tora vermeld staat. Een alternatieve reden moest daarom gevonden worden  voor de uitdrukking „de gehele gemeenschap” in verband met het dwalende Sanhedrin. De veronderstelling die voorgesteld wordt door Rabbi Jonatan, dat een unaniem dwalend beit din vereist is om het zoenoffer noodzakelijk te maken werd verworpen en de conclusie was dat het hele Sanhedrin bij het overleg betrokken was, maar dat een zoenoffer vereist is als een meerderheid de vergissing maakt.

Nu we gezien hebben hoe universeel het principe is, dat een meerderheid gelijkwaardig is aan het geheel, kunnen wij de verklaring die de Toerei Zahav [Sjoelchan Aroech Orech Chaim 582 (3)] voor onze Rosj Hasjana gebeden geeft, waarderen. Wij zijn niet tevreden als slechts een meerderheid van het kwaad van de wereld verdwenen is [en zeker niet met de verdwijning van een kleine minderheid van al het kwaad, zoals sommige presidenten van zeer grote naties]. Wij willen dat alles in rook opgaat. En wij zullen niet tevreden zijn als slechts een meerderheid van de wereldbevolking het Koninkrijk van de Hemel erkent – wij bidden dat G-d‘s regering erkent wordt door het hele universum.

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)


Gemara op blz. 3b

Wanneer Rav Hoena het gerechtsgebouw verliet om [elders] recht te spreken, dan nam hij tien geleerden mee uit het leerhuis, om voor hem te zitten, zodat ieder van hen een spaander van het blok zou krijgen. [Door de verantwoordelijkheid te delen met anderen, zou hij maar een deel van de straf krijgen in geval van een foutief vonnis (Rasji)]

Wanneer men een [probleem over een] treife [stuk vlees] aan Rav Asji voorlegde, bracht hij tien slagers uit Masa Mechasja [die experts waren op het gebied van onderzoek van dieren omvast te stellen of ze treife zijn] en die zette hij voor zich. Hij zei [ter verklaring]: Zo krijgt ieder een spaander van het blok.

Maharsja geeft een andere verklaring voor dit gedrag van deze geleerden, dan Rasji. Hij suggereert dat zij aarzelden om het zware juk van de rechtspraak alleen op hun schouders te nemen en dat zij partners zochten om dat blok te dragen. Een Tora-bron hiervoor is te vinden in Bamidabar (11:17) waar Hasjem Mosjé Rabbeinoeopdracht geeft om zeventig ouderen te verzamelen „die delast van de natie met jou samen zullen dragen, daar jij datr niet alleen kan dragen.”

(Door Rabbijn Mendel Weinbach, Jesjivat Ohr Somayag)