Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   16 Ijar 5767

Traktaat Chagiga 2-14 Nr.140 

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Chagiga 3a

Waarom de kinderen meenemen?

E

ens in de zeven jaar verzamelden de Joden zich in het Beit HaMikdasj, om te luisteren naar de koning die voorlas uit de Tora. „Verzamel het volk,” zegt Tora (Dewariem 31:12), „de mannen, vrouwen en kinderen…”

Rabbi Elazar ben Azarja vraagt hierop: „Wat is het doel dat ook de kinderen meekomen?” En hij antwoordt: „Alleen opdat de ouders een beloning zullen krijgen.”

Met de kinderen die hier genoemd worden, worden kleine kinderen bedoeld, die nog te jong zijn om te begrijpen wat er gelezen wordt. Oudere kinderen, die nog niet de leeftijd van verantwoordelijkheid bereikt hebben voor mitswot, maar die wel al op het niveau zijn van chinoech – onderwijs, opvoeding  – zodat zij getraind kunnen worden door hun ouders om te leren, worden in het volgende vers genoemd als actieve deelnemers in deze massa­le onderwijs-ervaring. Er is daarom geen ander doel voor het brengen van de hele kleine kinderen dan het verkrijgen van een beloning.

Rabbi Jehoeda Mintz van Padua geeft een verklaring op deze Gemara. Rabbi Elazar ben Azarja had nimmer de bedoe­ling om te vragen waarom ouders hun kleine kinderen meenamen naar een dergelijke bijeenkomst. Kunnen wij ons voor­stellen hoe ouders zich kunnen concentreren op de voorlezing uit Tora door de koning, wanneer zij zich voortdurend zorgen moeten maken over de kinderen die zij thuis hebben gelaten? De vraag van de Geleerde was eerder waarom Tora het nodig vond om de ouders op te dragen hun kleine kinderen mee te nemen, wanneer zij dat ook wel gedaan zouden hebben zonder dit gebod. Het antwoord dat hij geeft, is dat de Tora de ouders wilde motiveren om de kinderen mee te nemen niet alleen uit bezorgdheid voor hun veiligheid alleen thuis, maar dat zij die in de eerste plaats zouden meenemen om, wanneer zij hun kinderen bij zich hadden, zij zich beter zouden kunnen concentreren en luisteren naar de voorlezing van Tora. Met een dergelijke motivatie wordt een simpele kinderoppas omgezet in een mitswa, die beloning verdient.

Tosafot wijst erop dat deze Gemara de bron is van de gewoonte om kleine kinderen mee te nemen naar de synagoge. Hieruit volgt wel dat dit alleen zin heeft, wanneer het meenemen van de kinderen de ouders helpt bij het concen­treren op hun gebed. Wanneer er echter geen toezicht op deze kinderen is, maar zij hun ouders en anderen in de synagoge storen, dan heeft hun aanwezigheid daar alleen maar een averechtse uitwerking.

Chagiga 4b

Bewijs en verwijt

„En Joséf zei tegen zijn broers: „Ik ben Joséf; leeft mijn vader nog?” Maar zijn broers konden hem niet antwoorden, want zij waren ontzet wegens hem (Beeisjiet 45:3).

T

oen Rabbi Elazar dit las in Tora, huilde hij. Wanneer dat de reactie was op het verwijt van iemand van vlees en bloed, redeneerde de Geleerde, hoe zullen wij dan reageren wanneer wij gecon-fronteerd worden met het verwijt van Hasjem?

Rabbi Elazars tranen weerspiegelen zijn appreciatie van de futiliteit van de mens om zich te verdedigen tegen de beschuldigingen die hem door Hasjem in het hiernamaals verweten zullen worden. Het bewijs van deze futiliteit is de beschamende stilte waarmee Joséfs broers reageerden op de onthulling van zijn identiteit, en de beschuldiging die daarmee gepaard ging.

Maar wat was nu eigenlijk die beschuldiging in de woorden van Joséf? Het enige wat hij zei was: „Ik ben Joséf; leeft mijn vader nog?”

Het antwoord is te vinden in een briljant commentaar van de Beit HaLevi op een Midrasj met een soortgelijke bood­schap. Toen Joséfs broers, voordat hij zijn ware identiteit onthulde, bij de Egyptische machthebber pleitten voor de vrijlating van Binjamin uit zijn gevangenschap, baseerden zij hun argumenten op het verdriet dat deze gevangenschap hun oude vader zou veroorzaken. „Dan zou het kunnen gebeuren, dat wanneer hij zag dat de knaap er niet meer was, dat hij zou sterven” (ib. 44:31), pleitte Jehoeda. Joséf toonde hen de hypocrysie van hun pleidooi met zijn volgende onthulling: „Ik ben Joséf,” en de niet uitgesproken woorden: ‘en al die jaren heeft onze vader mij niet gezien,’ en hij vervolgt: „En leeft mijn vader toch nog?” Hiermee bedoelde hij hen te herinneren aan het verdriet dat hij hun vader Ja’akov veroorzaakt had, door zijn zoon Joséf te verkopen in slavernij. „Leeft mijn vader nog na al de pijn die jullie hem veroorzaakt hebben?” vraagt Joséf, waarmee hij de onoprechtheid van hun eerdere bezorgdheid voor de gezondheid en het welzijn van hun vader aan de kaak stelt.

Het Hebreeuwse woord voor verwijt is tochecha, dat is afgeleid van het woord hochecha, hetgeen ‘bewijs’ betekent. Het bewijs van schuld toont een inconsistentie van de argementen van de beschuldigde. Wanneer Joséf zijn broers het zwijgen kon opleggen met een dergelijke demonstratie, zegt Rabbi Elazar, hoe zullen wij ons dan kunnen verdedigen wanneer de Alomtegenwoordige Schepper ons verwijt dat al onze excuses absurd zijn? Aan de man die beweert dat hij geen liefdadigheid gegeven heeft wegens gebrek aan geld, zal de rekening gepresenteerd worden van al zijn luxe uitgaven. Wie geen Tora studeerde wegens zogenaamd gebrek aan tijd, zal getoond worden hoeveel tijd hij besteedde aan het nastreven van frivoliteiten. Het bewijs zal het verwijt zijn.

 Chagiga 9b

De 101ste keer

D

an zul je terugkeren,” zegt de Profeet Malachi in zijn visioen van het hiernamaals, „en het verschil zien tussen de rechtvaardige en de booswicht, tussen iemand die Hasjem dient en iemand die Hem niet dient” (Malachi 3:18).

„Is dit niet overbodig?” vraagt Ben Hei Hei. „Ten slotte, iemand die rechtvaardig is, dient Hasjem en de booswicht doet dat niet!”

Het laatste deel van dit vers, dat het heeft over iemand die Hasjem dient en iemand die Hem niet dient, verklaart de Geleerde Hillel, gaat alleen maar over de rechtvaardige. Want zelfs in die categorie is er een verschil tussen iemand die zijn Tora honderd maal over leert en iemand die dat 101 keer doet.

„Omdat hij slechts eenmaal minder geleerd heeft, wordt hij iemand genoemd die Hasjem niet dient?” vraagt Ben Hei Hei verwonderd.

Ter nadere toelichting maakt Hillel een vergelijking met de beloning die ezeldrijvers vragen, die goederen vervoeren voor de mensen. Zij vragen een zoez voor het vervoer over tien parsah[1], maar wanneer je hen vraagt elf parsah te gaan, dan vragen zij twee zoez, wat in geen verhouding staat tot de extra afstand.

Maharsja legt uit dat tien parsah de afstand is die een ezeldrijver normaal in één dag kan afleggen als hij achter zijn beladen ezel loopt, zodat dit een arbeid is, waaraan hij gewend is. Wanneer iemand wil dat hij een extra parasah aflegt in dezelfde tijd, dan vereist dat van hem een extra inspanning, waarvoor hij dubbel beloond wil worden [vergelijk overwerk, dat  extra betaald wordt]. Op dezelfde manier, als iemand Tora leert tot wat hij zelf meent wat de grens is van zijn capaciteiten, dan kan hij een rechtvaardige Jood genoemd worden, maar alleen iemand die zichzelf over zijn grens heen werkt in de 101ste keer, die wordt beschouwd als iemand die werkelijk Hasjem dient en een speciale beloning verdient.

 Chagiga 12b

Offers in de Hemel gemaakt

E

én van de ‘zeven hemels’, zegt Rabbi Sjimon ben Lakisj, wordt ‘Zewoel’ genoemd en het bevat de Hemelse pendant van Jeruzalem en het Beit HaMikdasj. Daar is ook een altaar, waarop de engel Michael dagelijks een offer brengt.

De voor de hand liggende vraag is: wat offert hij dan op dat altaar, er zijn toch geen dieren in de Hemel? In zijn voetnoten (en dat staat tussen haakjes in de Ein Ja’akov) stelt de Bach deze vraag, en geeft er ook het antwoord op. Het antwoord is ook te vinden in een Tosafot in traktaat Menachot (110a). Tosafot citeert met elkaar strijdige midrasjiem over de aard van deze offers. De één zegt dat de engel Michael de zielen van de tsaddikiem offert op dit altaar en een ander zegt dat de offers bestaan uit vuur in dierengedaante.

Het is de Midrasj die de zielen van de tsaddiekiem noemt, die verschijnt in het antwoord van de Bach en Ein Ja’akov. En dit antwoord woord door Tosafot gepresenteerd als een verklaring voor de [17e] beracha die wij driemaal per dag zeggen in de Sjemonee Esree: „Aanvaard welwillend, Hasjem, onze G-d, Uw volk Israël en hun gebed; herstel de dienst weer binnen Uw Tempel en de vuuroffers van Israël met liefde.” Hoe kunnen wij Hasjem vragen om de vuuroffers te accepteren wanneer er geen Beit HaMikdasj meer is waar wij onze offers kunnen brengen? Maar volgens de Midrasj moeten de woorden ‘Isjei Jisraël’ niet vertaald worden met vuuroffers van Israël’ maar met ‘de mannen van Israël’ – de tsaddikiem, wier zielen voor Hasjem geofferd worden.

Tosafot merkt echter op dat er een andere mening is, die deze woorden letterlijk vertaalt met ‘offers’ en die ze beschouwt als een verlengstuk van het verzoek dat Hasjem de dienst in Zijn Heiligdom herstelt. Ons gebed is dus dat Hasjem voor ons de mogelijkheid herstelt om daadwerkelijk weer offers te kunnen brengen. De Toer (O.Ch. 187) geeft nog een derde mening: We vragen Hasjem om onze gebeden te accepteren, die wij aanbieden in plaats van de offers.

 De Misjna Beroera (O.Ch. 120) noemt de mening van de Toerei Zahav als een voorkeur voor de eerste benadering, namelijk dat de zielen van de tsaddiekiem geofferd worden en hij haalt ook de Gaon van Wilna aan, die zijn voorkeur uitspreekt voor de tweede betekenis, dat het een verzoek is om de offers weer terug te brengen op aarde.


 

[1] Een parsah is ongeveer 4.300 m.