Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   Rosj Chodesj Sivan 5767

Traktaat Chagiga 15-eind

Nr. 141

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Chagiga 16a

Tussen engel en beest

Zes dingen zijn er gezegd over de mens, zeggen onze Geleerden; in drie daarvan is hij gelijk aan een engel, en in drie is hij gelijk aan een beest.

Mensen lijken op engelen in zover dat zij intelligentie bezitten, zij rechtop lopen en de heilige taal, Hebreeuws spreken. Mensen lijken op dieren in zoverre dat zij eten en drinken, zich vermenigvuldigen en afval uit hun lichaam afscheiden.

De Midrasj (Bereisjiet Rabba 8) voegt aan elk nog een vergelijking toe: Mensen zien als engelen en vergaan als dieren.

Waarom worden deze laatste vergelijkingen niet in onze Gemara genoemd?

De vergelijking van het gezicht vormt niet zo’n groot probleem, want ook een dier kan zien. Maar waarom is de vergelijking tussen een dier en de mens betreffende de dood genegeerd?

De commentatoren brengen twee antwoorden: Rabbi Jesjajahoe Pinto suggereert dat de Gemara het heeft over de aanvankelijke schepping van de mens, voordat Adam van de Boom der Kennis at en dood op de wereld bracht. Ijoen Ja’akov verklaart dat hoewel zowel mens als dier een beperkte bestaansduur hebben op deze wereld, de oorzaak van hun dood niet hetzelfde is. De mens sterft ten gevolge van zijn zonden, terwijl een dier sterf omdat Hasjem het zo geprogrammeerd heeft.

Chagiga 18a

Chol Hamo’eed – Het Grote Debat

Chol HaMo’eed, de tussendagen van Pesach en Soekot, waren de voornaamste onderwerpen van het vorige traktaat Mo’eed Katan, en komt even weer terug in ons huidige traktaat. Verschillende Tora-bronnen worden geciteerd als bewijs dat het verboden is om bepaalde vormen van arbeid te verrichten gedurende deze dagen. Het lijkt er daarom op dat het verbod op arbeid gedurende Chol HaMo’eed een verbod van Tora is, net zoals het bredere verbod om allerlei werkzaamheden op de eerste en laatste dagen van het feest zeker zijn oorsprong in Tora vindt.

Dit is inderdaad de mening van sommigen van de leidinggevende commentatoren, zoals Rasji en Rif. Tosafot echter heeft problemen met deze benadering en concludeert dat de ban op arbeid tijdens Chol HaMo’eed van Rabbinale oorsprong is. De verzen die in onze Gemara aangehaald worden, zegt Tosafot, zijn niet meer dan een soort van asmachta – steun, die de Geleerden vaak gebruiken, om hun verordeningen te verbinden met een hint van Tora. [D.w.z. een asmachta is de steun en aanwijzing die een Tora-vers biedt, als bewijs dat de Rabbijnen het recht en de autoriteit hebben om de desbetreffende verordening te maken.]

Een van de voornaamste bezwaren die Tosafot opwerpt tegen de mening dat het verbod op arbeid tijdens Chol HaMo’eed zijn oorsprong in Tora vindt, is het feit dat er bepaalde categorieën arbeid zijn – zoals iets dat niet kan worden uitgesteld tot na het feest, zonder een ernstig verlies te leiden – die zijn toegestaan tijdens Chol HaMo’eed. Waar, vraagt Tosafot, vinden we een verbod in Tora met een dergelijke uitzondering op de regel?

De weerlegging van dit argument kan gevonden worden in de tekst van een Baraita in onze Gemara. Na ogenschijnlijk tegenstrijdige signalen van Tora te hebben gepresenteerd, betreffende de vraag of bepaalde werkzaamheden al dan niet zijn verboden op Chol HaMo’eed, wordt de conclusie bereikt dat de Tora aan de Geleerden de autoriteit gedelegeerd heeft, om te beslissen welke werkzaamheden verboden zijn en welke zijn toegestaan.

Dit nu is de sleutel tot de benadering van Rasji en Rif. De Tora heeft inderdaad arbeid op Chol HaMo’eed verboden, maar heeft aan de Geleerden de autoriteit gegeven om te beslissen welke categorieën arbeid daarvan zijn uitgesloten.

Het is deze benadering, suggereert de Misjna Beroera (530:1), die de Rama (ib.) volgt, wanneer hij aan de woorden van de Sjoelchan Aroech: Op Chol HaMo’eed zijn sommige werkzaamheden verboden en anderen toegestaan” het volgende commentaar toevoegt: „Voorzover de Geleerden de noodzaak van een uitzondering recht­vaardigden.”

Een derde benadering, die een soort van compromis voorstelt, wordt geciteerd door de hierboven genoemd Misjna Beroera in zijn Bioer Halacha. Volgens deze zienswijze maakte de Tora zelf uitzonderingen op het verbod van arbeid op Chol HaMo’eed, en waren het de Geleerden, die hun eigen verboden invoerden, om de uitzonderingen van Tora te beperken.

Chagiga 22a

De vrede bewaren

Zelfs al bestond er een verdenking in de tijd van het Beet-HaMikdasj dat een am haärets (een Jood die onbekend was met de wetten van Tora) niet zorgvuldig was met de voorschriften voor rituele reinheid en dat het vaatwerk dat hij gebruikte, ritueel onrein was, werden er enkele uitzonderingen op gemaakt. De wijn die hij doneeerde als plengoffer op het altaar en de olie die hij gaf voor meeloffers, werden geaccpeteer. Hetzelfde gold voor de schalen die hij van zijn huis meebracht voor het gebruik van de as  of het water voor het reinigingsproces van de rode koe.

De gedachte achter deze soepele houding is, verklaart Rabbi Jossi, om een situatie te voorkomen dat de am haärets een zodanige haat tegen de Geleerden zal ontwikkelen, omdat zijn voorwerpen geweigerd worden, dat hij dan geneigd zal zijn om zijn eigen altaar op te richten, om daar zijn eigen rode koe op te verbranden.

Rav Pappa breidt deze overweging verder uit en past hem toe om de getuigenis van een am haärets te accepteren, om te voorkomen dat we slechte gevoelens bij dit deel van het Joodse volk kweken. Tosafot past dit ook toe, door, net als wij tegenwoordig doen, een am haärets  mee te tellen voor een zimoen – de uitnodiging tot het dankgebed na de maaltijd, ondanks de regeling van de Gemara (in Berachot 47b) om hem niet mee te tellen.

Dit is de benadering van Tosafist Rabbijn Elchanan. De Tosafist Rabbijn Jitschak ziet geen reden om een am haärets mee te tellen voor een zimoen, alleen om wanklank te vermijden. Wie zijn wij, zo vraagt hij uitdagend, om te veronderstellen dat wij de Tora-geleerden zijn, die de Geleerden wilden ontmoedigen om zich te socialiseren met ammei haärets? Zijn antwoord op deze theoretische vraag is dat wij inderdaad onszelf niet beschouwen als Torageleerden in dit opzicht, en dat wij daarom geen probleem hebben om met een am haärets samen een zimoen te vormen.

Chagiga 22b

De berouwvolle Geleerde aan het graf

Toen Rabbi Jehosjoea ben Levi in scherpe bewoordingen zijn afkeuring uitte over een regeling van een vroegere generatie van de Beet Sjammai-Geleerden, gebruikte hij de volgende woorden: Ik ben beschaamd over jullie woorden, Beet Sjammai.” De reden voor die regeling werd vervolgens aan hem uitgelegd door een van zijn geleerde tijdgenoten van de Talmoed academie. Een berouwvolle Rabbi Jehosjoea wierp zichzelf vervolgens op de graven van de Geleerden van Beet Sjammai en smeekte hen om vergiffenis.

Deze scene van een berouwvolle Geleerde aan een graf roept herinneringen op aan een soortgelijk incident in het vorige hoofdstuk van ons traktaat.

De Geleerde Jehoeda ben Tabbai veroordeelde eens een getuige ter dood, wiens getuigenis in een halszaak volkomen weerlegd werd door andere getuigen, die verklaard hadden dat hij in hun gezelschap ergens anders was op de tijd van het misdrijf, welke hij beweerde gezien te hebben. Deze Geleerde voerde het Tora-gebod uit, om een dergelijke valse getuige te straffen met dezelfde straf die hij getracht had de beklaagde te laten opleggen. Hij was er in het bijzonder op gebrand om deze straf te doen uitvoeren, ondanks het feit dat de beklaagde nog niet was geëxecuteerd, ten einde de ware Tora-positie van de Geleerden aan te tonen, in tegenstelling tot de Tsedokiem-seperatisten, die beweerden dat de straf alleen kon worden toegepast als de beklaagde reeds was geëxecuteerd op basis van de valse getuigenis.

In zijn haast echter zag hij het feit over het hoofd, dat een getuige een dergelijke vergelding alleen schuldig is wanneer het hele getuigen-team in diskrediet is gebracht, hetgeen hier niet het geval was. Toen hij door een mede-geleerde beschuldigd was van verspilling van onschuldig bloed, wierp hij zich op het graf van de geëxecuteerde getuige en smeekte om vergiffenis.  Een jammerende stem werd er gehoord, waarvan de mensen dachten dat het de stem was van de dode getuige. Rabbi Jehoeda ben Tabbai hield echter vol dat het zijn eigen stem was die gehoord zou blijven worden tot zijn dood.

In het geval van Rabbi Jehosjoea schijnt er ook een levenslange poging geweest te zijn om vergiffenis te krijgen van de Geleerden van de Beet Sjammai. Er werd gezegd dat zijn tanden zwart waren geworden van het vasten dat hij deed als berouw voor zijn scherpe woorden.

Chagiga 27a

De tafel als altaar

In de dagen van het Beet HaMikdasj, zeggen Rabbi Jochanan en Reesj Lakisj, bereikte het altaar verzoening voor iemands zonden; maar nu is het iemands tafel die verzoening voor hem doet.

Dit wordt afgeleid van een vers in de profetie van Jecheskel (41:22) betreffende het Beet HaMikdasj van de toekomst. De profetie begint met de beschrijving van de dimensies van het altaar en eindigt met de woorden: Dit is de tafel voor Hasjem.”

Wat doet een tafel, waaraan wij eten, veranderen in een virtuele altaar en maakt dat hij geplaatst wordt voor Hasjem”?

Rasji verklaart dat het de tafel is, waar men zijn gastvrijheid aan behoeftige gasten toont. Tosafot verwijst ons naar de verklaring van dezelfde Rabbi Jochanan (Sanhedrin 103b) over de kracht van het samen dineren, om mensen dichter tot elkaar te brengen.

Variaties op dit thema worden ook op andere plaatsen gevonden. In Berachot 55a zegt Rabbi Jehoeda dat iemand die lange tijd aan zijn tafel doorbrengt om zo de hongerigen te voeden, beloond zal worden met een lang leven. In Pirkei Awot (3:4) verklaart Rabbi Sjim’on dat een tafel, waaraan woorden van Tora gezegd worden een tafel voor Hasjem” wordt en degenen die daar dineren, worden beschouwd alsof zij van de G-ddelijke tafel eten.

Dit thema van de tafel als een instrument van gastvrijheid en liefdadigheid vindt op een poëtische wijze uiting in een gewoonte die genoemd wordt door een van de vroege commentatoren van de Choemasj, Rabbeinoe Bachia:

Het is de gewoonte van de zeer vrome Joden in Frankrijk,” schrijft hij in Parasjat Troema (Sjemot 25:23), om het hout van hun tafels te gebruiken om daar de kisten van te maken waarin zij begraven worden. Dit is om aan te tonen dat een mens niets meeneemt en dat niets van al zijn arbeid hem zal begeleiden, behalve de liefdadigheid die hij betoonde tijdens zijn leven en de goedheid die hij uitdeelde aan zijn tafel. Dit is wat de Geleerden bedoelden toen zij zeiden dat iemand die lang aan tafel zit [om zo in de gelegenheid te zijn om voedsel aan een arme uit te delen, die misschien langs komt] gezegend zal zijn met een lang leven.