Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   8 Siwan 5767

Traktaat Jewamot 2-13 Nr. 142 

Seder Nasjiem

Vandaag beginnen we met een nieuwe Seder van de Talmoed, Seder Nasjiem – de Ordening van de Vrouwen

Dit bestaat uit de volgende traktaten:

Jewamot – Zwagerhuwelijk

Ketoebboet – Huwelijksacte

Nedariem – Eden en geloften

Nazier – Een nazireeër

Sota – Een overspelige vrouw

Gittien – Echtscheidingen

Kedoesjien – Verlovingen

Traktaat Jewamot

Korte Inleiding

a. Reeds vóór de Tora aan het Joodse volk gegeven werd, bestond er al in Israël het gebruik, dat wanneer een gehuwde man kinderloos stierf, één van zijn naaste familieleden de weduwe trouwde. Dit was doorgaans de oudste broer van de overledene, of wanneer die dat niet wilde of niet kon, een jongere broer of een ander naast familielid. b. De weduwe wordt een ‘jewama’ genoemd, de broer die haar moet trouwen heet ‘jawam’ en het hele instituut van het zwagerhuwelijk heet ‘jibboem’. In de Tora werd dit gebruik wettelijk geregeld. De jewama is gebonden aan haar jawam en mag geen andere man huwen, tenzij de jawam in een speciale procedure, die ‘chalitsa’ genoemd wordt, te kennen geeft dat hij haar niet wil huwen. Pas daarna is de weduwe vrij te trouwen met wie zij wil.

c. Het doel van dit zwagerhuwelijk is om de overledene nakomelingen te geven die zijn grond en bezittingen, die hij geërfd heeft, van hem te erven, opdat zijn erfdeel in zijn familie blijft.

d. De zwager trouwt de weduwe alleen wanneer de overledene in het geheel geen kinderen heeft gehad, ook niet uit een vorig huwelijk. Wanneer niet aan deze voorwaarde is voldaan, mag de broer van de overledene de vrouw niet huwen.

e. Ook wanneer de jawam de jewama om andere redenen wil huwen, dan om zijn plicht na te komen tegenover zijn over­leden broer, is het hem verboden de weduwe te trouwen en moet hij haar chalitsa geven. Het woord chalitsa betekent het ‘uittrekken van een schoen’: bij de procedure van de chalitsa trekt de jewama namelijk in het bijzijn van een Beit Din de schoen van de jewam uit waarbij zij verklaart dat de jawam haar niet wil huwen en de jawam bevestigt dat. De weduwe wordt daarna ook wel een chaloetsa genoemd – iemand die chalitsa heeft gehad.

f. Na de chalitsa mag noch de jawam, noch een van de andere broers meer met de jewama trouwen.

g. Vanwege de vele problemen die het zwagerhuwelijk oplevert, hebben de Geleerden reeds vele eeuwen geleden dat verboden en de chalitsa verplicht gesteld.

h. Een vrouw die door de dood van haar echtgenoot aan een jawam gebonden is, wordt een sjomèret jawam genoemd, iemand die wacht op haar jawam (tot hij haar huwt of d.m.v. chalitsa scheidt) en mag intussen met niemand anders trouwen. Wanneer zij dat toch doet of gemeenschap heeft met een andere man, wordt zij als een overspelige vrouw beschouwd en dienovereenkomstig gestraft.

i. Wanneer een man meerder vrouwen had, zijn zij allemaal gebonden aan de jawam, maar de jawam trouwt met slechts één van de jewamot en de andere vrouwen zijn daarmee, of met de chalitsa, vrijgesteld en kunnen trouwen met wie zij willen.

j. Medevrouwen van dezelfde man worden tsarot – ‘elkaars verdriet’ genoemd.

k. Soms is het zwagerhuwelijk onmogelijk, als bijvoorbeeld de broer de vader van de weduwe is (en de overledene dus met zijn nichtje, de dochter van zijn broer, getrouwd was). Daar een vader niet met zijn dochter kan en mag trouwen, is hiermee de band tussen jawam en jewama automatisch opgeheven en de vrouw en haar eventuele medevrouwen zijn nu vrij om te huwen met wie zij willen.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Jewamot 5b

Relatief respect

Het respect dat Tora eist voor de ouders is zo verstrekkend, dat men zelfs zou kunnen veronderstellen dat als ouders aan hun kind vragen om een bepaalde dienst voor hen te verrichten, waarbij hij Sjabbat zouden moeten overtreden, hij dat zouden moeten doen. Om die gedachten te verdrijven, vertelt Tora: Een man moet zijn moeder en zijn vader respecteren, maar je zult Mijn Sjabbat in acht nemen, want Ik ben Hasjem, je G-d.” (Wajjikra 19:3). Door die laatste woorden eraan toe te voegen, lost Hasjem het conflict op dat zou ontstaan tussen het respect voor de ouders en het respect voor de Sjabbat, door ons eraan te herinneren dat Hij eveneens de G-d van de ouders is, en dat zij dus ook verplicht zijn om Zijn wil uit te voeren.

Tosafot werpt de vraag op hoe de Gemara van dit vers kan afleiden dat Hasjem de Sjabbat boven het respect voor ouders heeft geplaatst. We zouden even goed kunnen veronderstellen dat de woorden aan het eind van dit vers op het eerste deel van het vers betrekking hebben en dat het doel ervan is om de noodzaak van het respect voor de ouders nog eens te herhalen, zelfs al betekent dit, dat men Sjabbat daarvoor moet overtreden.

Het valt te veronderstellen dat de uitdaging van Tosafot gebaseerd is op het begrip dat respect voor ouders een vorm van respect voor de uiteindelijk ouder, Hasjem, onze Vader in de Hemel, is. De Gemara (Bawa Metsia 32a) vraagt aandacht voor het feit dat Hasjem dezelfde uitdrukking gebruikt voor de eerbied die men ouders verschuldigd is als voor de eerbied voor Hemzelf, ten einde die twee met elkaar te vergelijken.

Ondanks deze gelijkstelling, zegt Tosafot in zijn antwoord op zijn eigen vraag, was het voor onze Geleerden duide­lijk dat respect voor de Sjabbat een grotere vorm van eerbied voor Hasjem betekent, dan respect voor de ouders. Dit is zo, omdat het in acht nemen van de Sjabbat een blijk is van de overtuiging dat Hasjem de wereld geschapen heeft. Iemand die geen Sjabbat houdt, zeggen onze Geleerden (Eroevien 69b), wordt beschouwd alsof hij de G-ddelijke schepping ontkent.

In zijn tweede antwoord stelt Tosafot voor dat de laatste woorden Ik ben Hasjem,” hetgeen de noodzaak overbrengt om respect te tonen voor Hasjems autoriteit, betrekking moet hebben op een respect voor een autoriteit die eerder in dat vers genoemd wordt, en dat het dient als een beperking daarop. Wij zien dat de Midrasj op het vers: Je zult jezelf heiligen en heilig zijn,” het volgende commentaar geeft: wij moeten niet veronderstellen dat wij zo heilig als Hasjem Zelf kunnen worden, want Hasjem besluit dat vers met: Ik ben heilig” – Ik, niet jij – Mijn heiligheid is groter dan de jouwe. Op dezelfde manier, concludeert Tosafot, kwalificeert Hasjem het respect dat Hij eist voor ouders, door ons eraan te herinneren dat het respect voor Hem voorrang verdient.

Jewamot 6b

Heiligdom – groot en klein

Toen de Tora ons gebood om het Heiligdom te eerbiedigen, definiëerde het niet expliciet de aard van dit respect; theoretisch zou dat respect kunnen betekenen dat we ons voor het Heiligdom op de grond moeten werpen, zoals men dat voor Hasjem doet. Om deze gedachte te verwijderen, koppelt Tora in het vers Wajjikra 19:30 het gebod om Sjabbat te respecteren aan het gebod om het Heiligdom te respecteren: Mijn rustdagen zullen jullie in acht nemen en Mijn Heiligdom zullen jullie respecteren.” Dit is om ons te leren dat zoals het niet nodig is om respect voor Sjabbat te tonen door voor de dag te buigen [want Tora vraagt geen ‘respect’ voor de Sjabbat (Rasji)], maar dat het respect voor de Ene is Die ons geboden heeft de Sjabbat te houden, zo ook is het respect dat voor het Heiligdom vereist wordt, niet een respect voor het gebouw, maar een respect voor de Ene Die ons geboden heeft het te bouwen.

Maar hoe dan toont men respect voor Hasjem door zijn gedrag in het Heiligdom?

Onze Geleerden noemen een aantal dingen op waarvan wij ons moeten onthouden om die te doen op de Tempelberg, waar het Beit HaMikdasj stond. Die lijst bevat o.a. het verbod op het dragen van schoenen, hetgeen wij niet van toepassing verklaring voor onze kleinere heiligdommen,” de synagogen. Maar het houdt wel in dat men de Tempelberg niet mag gebruiken om zijn weg af te steken, wanneer men van de ene kant van de Tempelberg naar de andere moet. Dit teken van gebrek aan respect geldt ook voor een synagoge en wordt ook genoemd in de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 151:5).

Wanneer men de synagoge alleen maar gebruikt om zijn weg af te snijden, of om iemand naar buiten te roepen, die zich daar bevindt, dan wordt dat beschouwd als een gebrek aan eerbied, omdat het beschouwd wordt als de exploitatie van een heilige plaats voor een persoonlijk doel. De halacha zegt dat wij in zo’n geval wat woorden uit Tora moeten lezen of een misjna of een halacha, voordat wij ons overgeven aan onze persoonlijke activiteiten. Wanneer iemand niet instaat is om op deze manier zijn aanwezigheid in het ‘klein heiligdom’ te rechtvaardigen, dan kan hij een kind vragen om het Tora-vers te citeren dat hij zojuist geleerd heeft op school, en anders kan hij op zijn minst een paar minuten rustig blijven zitten, want zelfs zitten in een synagoge wordt als een mitswa beschouwd, zoals blijkt uit het vers (Tehilliem 84:5): Gelukkig is hij die in Uw huis zit.”

Jewamot 7a

De moordzuchtige Kohen

Een Kohen die een moord gepleegd heeft, is ongeschikt om enige offerdienst te verrichten. Neem hem van Mijn altaar mee, om hem te executeren,” zegt Tora (Sjemot 21:14).

Daar deze regel ook van kracht is als er geen andere Kohen aanwezig is om de dienst te verrichten in het Beit HaMikdasj, concludeert de Gemara dat de noodzaak om de moordenaar te executeren, groter is dan de noodzaak om een offer te brengen.

Tosafot betwijfelt deze conclusie en suggereert dat de verhindering van de moordenaar om dienst te doen, gebaseerd is op het feit dat hij persoonlijk gediskwalificeerd is en niet dat zijn executie belangrijker is dan de dienst.

Deze diswalificatie zou te vergelijken zijn met die van een Kohen die iemand gedood heeft, zelfs onopzettelijk, en die daarom niet geschikt is om zijn handen op te heffen en de priesterzegen uit te spreken.

Er is een veschil tussenbeide gevallen, concludeert Tosafot. In het geval van het opheffen van de handen om de ge­meenschap te zegenen, is het niet passend dat dezelfde handen, die bloed vergoten hebben, het instrument van ze­ge­ning worden, want de aanklager kan niet tegelijk verdediger zijn.” Dit geldt niet voor een moordzuchtige Kohen voor wat betreft de offerdienst, zodat de verhindering dat hij zo’n offerdienst uitvoerd, gezien moet worden als een bewijs dat executie van een moordenaar de offerdienst opzij schuift. (Zie Sjoelchan Aroech O. Ch. 128:35 voor de vraag of een Kohen die tesjoewa heeft gedaan [tot inkeer is gekomen] de priesterzegen mag uit­spre­ken.

Jewamot 10b

Alleen of een Agent?

Wanneer een man sterft zonder kinderen, heeft een van zijn overlevende broers de mitswa van jibboem – om de weduwe te trouwen. Als hij dat niet wil, dan moet hij chalitsa doen en daarmee de weduwe bevrijden, zodat zij buiten de familie kan trouwen [zie inleiding].

Hoe beschouwen we deze daad van chalitsa? Is het een persoonlijke handeling, waarbij van de weduwe de status van ‘vrouw van een broer’ alleen opgeheven wordt voor die ene broer? Of beschouwen wij hem als een agent voor zijn broers, en met zijn chalitsa bereikt hij dat de jewama-status van de weduwe ook voor zijn broers wordt opgeheven?

Hierover verschillen Rabbi Jochanan en Rabbi Sjim’on ben Lakisj van mening.

Rabbi Sjim’on ben Lakisj, ook wel Reisj Lakisj genoemd in de Gemara, neemt het strengere standpunt in. Wanneer een van de broers chalitsa doet met één van de vrouwen van een overleden broer, en één van de andere broers trouwt vervolgens met haar of met een van haar tsarot, dan wordt hij gestraft met kareet (uitroeiing door de Hemel).

Rabbi Jochanan daarentegen neemt een soepeler standpunt in, en meent dat als één broer chalitsta gedaan heeft met één van de vrouwen van zijn overleden broer, en één van zijn broers trouwt vervolgens met de chaloetsa of met één van haar medevrouwen, dan is hun straf geen kareet (maar geseling).

Jevamot 11b

Gooi het water niet weg

Iemand die water in zijn put heeft, moet dat niet weggooien, zelfs als hij het niet nodig heeft, want iemand anders kan het nodig hebben.

Deze les, zegt Rav Joséf, werd ons geleerd door Rabbi Jehoeda Hanasi, de samensteller van de Misjna, in een halacha betreffende de wetten van Jibboem en chalitsa, die het voornaamste onderwerp van ons traktaat vormen.

Wanneer een man kinderloos sterft, wordt zijn broer verondersteld jibboem te doen door haar te huwen. Wanneer hij dat niet wil, moet hij chalitsa doen, waarmee de vrouw bevrijd is van haar band met de familie en zij met iemand anders kan trouwen.

Maar niet met iedereen. Hoewel Tora haar niet verbiedt met een Kohen te trouwen, hebben de Geleerden haar dat wel verboden. Haar gelijkenis met een gescheiden vrouw is zo sterk, dat wanneer zij zou zijn toegestaan te trouwen met een Kohen, er gevaar zou bestaan dat de mensen ten onrechte zouden denken dat dit is ook toegestaan aan een gescheiden vrouw, hetgeen door Tora verboden is.

Verderop (44a) wordt het geval besproken van een man die getrouwd was met twee vrouwen, waarvan er een ge­scheiden was uit een vroeger huwelijk. Wanneer hij overlijdt zonder kinderen na te laten, moet zijn broer jibboem of chalitsa doen met één van de twee weduwen, waarmee de ander automatisch vrij is om te trouwen met wie zij wil.

Hij kan kiezen met welke vrouw hij de jibboem wil doen, maar als hij chalitsa kiest, wordt hij aangespoord om dat met de gescheiden vrouw te doen. Dit heeft voor hemzelf geen enkele consequenties. Maar wel voor de nog niet gescheiden vrouw. Als hij met haar chalitsa doet, kan zij niet meer met een kohen trouwen, iets wat hij kan voor­komen door de chalitsa te doen met de gescheiden vrouw, want voor haar verandert er niets: een Kohen was al voor haar verboden. Gooi dus geen water weg, als een ander het nog kan gebruiken.