Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   15 Sivan 5767

Traktaat Jevamot 13-22 Nr. 143

Jewamot 14b

Heb vrede en waarheid lief

Er bestonden vele discussies tussen de scholen van Sjammai en Hillel over onderwerpen die de huwelijkse status betroffen, variërend van de minimale geldswaard waarmee kedoesjien [huwelijk] gedaan kan worden, tot  voor welke soort vrouwen jibboem geldt. Ondanks hun meningsverschillen aarzelden de leden van Beet Sjammai niet om te trouwen met leden van de families van Beet Hillel, en omgekeerd. Dit leert ons, zegt de Gemara, dat deze Geleerden ondanks hun menings-verschillen, met elkaar met waardering en vriend­schap omgingen, in de geest van de profetische opdracht aan Zecharja (8:19): „Heb de waarheid en de vrede lief.”

Op praktisch niveau was deze verhouding mogelijk, omdat, wanneer er een probleem was in een van de families, als gevolg van de verschillende halachische standpunten van de tegenoverge-stelde school, de mogelijke candidaat geïnformeerd werd. In dat geval meed hij die bepaalde familie, waarvan de leden  dan binnen hun eigen kring konden trouwen, waar dat probleem niet bestond, dankzij hun halachisch standpunt.

De toepassing van bovengenoemd vers van Zecharja wordt op de volgende manier door Maharsja verklaard:

Hoewel het onmogelijk is dat twee tegengestelde meningen allebei waar zijn, zijn beide niettemin begif­tigd met een demensie van de waarheid vanuit het perspectief van hun vredevolle en liefde-volle relatie. Dit idee wordt in traktaat Chagiga (3b) uitgedrukt, waar advies wordt gegeven hoe een Tora-student verschillende meningen van Tora-geleerden moet zien. Geen enkele Geleerede baseert zijn mening op iets anders dan de Tora. Daarom moet men met respect aandacht besteden aan beide meningen (totdat men in staat is te kiezen tussen beide meningen (Rasji).

Op metafysisch niveau worden beide meningen van Beet Sjammai en Beet Hillel als waar be-schouwd. De Gemara  (Eroevien 13b) vertelt ons dat na drie jaar discussies tussen de twee scholen, een stem uit de Hemel verkondigde: „De woorden van beiden zijn woorden van de Levende G-d, maar de halacha is volgens Beet Hillel.”

&

Jewamot 16a

Cowboy en Schaapherder

Een ernstig meningsverschil heerste er tussen de scholen van Hillel en Sjammai over het probleem van de tsarat habat: als een man kinderloos overlijdt, en twee weduwen nalaat, en een van hen is de dochter van een broer van de overledene, die verondersteld wordt jibboem te doen met een van de beide weduwen. Het standpunt van Beet Hillel is gebaseerd op een gezera sjawa: zoals een man geen jibboem kan doen met zijn dochter, die voor hem verboden is, zo kan hij ook geen jibboem doen met de andere weduwe en zij is vrij om te trouwen met wie zij wil. Beet Sjammai daarentegen meent, dat deze tweede weduwe niet vrij is om te huwen met wie zij wil, maar dat zij gebonden is aan haar jawam, ondanks het verbod op jibboem van de eerste weduwe. Dus de overlevende broer mag met haar trouwen, en zij mag niet buiten de familie trouwen, tenzij zij chalitsa krijgt.

Jonatan ben Hircanus was een briljant lid van de school van Sjammai, en hij had 300 argumenten om het standpunt van Beit Sjammai te ondersteunen. Rabbi Akiwa en twee andere vooraanstaande Geleerden brachten eens een bezoek aan zijn broer, Rabbi Dossa ben Hircanus, om geruchten te onderzoeken dat hij beslist zou hebben tegen de heersende mening van de Geleerden in, die Beet Hillel volgden. Rabbi Dossa vertelde hen dat, ondanks al Jonatans argumenten, hij met zekerheid kon getuigen dat de Profeet Chagga beslist had dat een tsarat habat verboden was, precies zoals Hillel later beslist had. Jonatan begroette Rabbi Akiwa toen deze van het bezoek aan zijn broer naar buiten kwam en daagde diens Hillel-positie op dit punt uit. Toen Rabbi Akiwa er niet in slaagde om de argumenten van Jonatan te weerleggen, maar zich vastklampte aan de traditie die terug ging tot de profeten, liet Jonatan zich laatdunkend over hem uit en zei: „U bent  de Rabbi Akiwa, wiens reputatie over de hele wereld bekend is? Hoe gelukkig bent u dat u zulk een bekendheid heeft bereikt, zonder zelfs het niveau van een koeien-herder te hebben bereikt!” Rabbi Akiwa antwoorddde: „Zelfs het niveau van een schaapherder!”

Deze wat raadselachtige dialoog wordt door Maharsja als volgt verklaart:

Jonatans opmerking over een koeienherder had betrekking op een van de vroege profeten, Amos, die zichzelf als zodanig beschrijft (Amos 7:14). Dit was bedoeld als een kleinering van de bewering van zijn broer, dat de mening van Beet Hillel een traditie had die terugging tot de Profeet Chaggai, want Chaggai was een van de laatste profeten. „U heeft geen traditie die teruggaat tot een vroege profeet, zoals de koeherder Amos.” Jonatan redeneerde: „En zelfs al heeft u dat wel, dan kunt u zich daar niet op verlaten, want de Midrasj (Wajjikra Rabba ) zegt dat Amos problemen had met spreken.” Rabbi Akiwa´s antwoord was dat de informatie, die van een profeet gekregen was, zelfs van één met een spraakgebrek, betrouw-baar was en dat het standpunt van Beet Hillel terugging tot de vroegste profeet, de schaapherder Mosjé, die ook een spraakgebrek had, en van wie de gezera sjawa oorspronkelijk afkomstig was.

&

Jewamot 20a

Hoe men heilig kan zijn

Wat maakt iemand heilig?

Heiligheid wordt bereikt, zegt de Geleerde Rawa, door zelfs af te zien van datgene wat jou is toegestaan.

Rawa gaf deze definitie met betrekking tot de uitdrukking „kedoesja-verboden”, die door sommige Geleerden gebruikt werd om verre familie te beschrijven, die voor hen verboden huwelijkspartners waren volgens Rabbinale voorschriften. „Kedoesja!” betekent heiligheid en het vindt toepassing op de wet die de Geleerden ingesteld hebben als een „omheining rond de Tora”, om te voorkomen dat Joden zouden trouwen met familieleden die volgens Tora voor hen verboden zijn. [Om te voorkomen dat men Tora-wetten zou overtreden, hebben de Geleerden wetten gemaakt, die soortgelijke dingen verbieden, als die welke Tora verbiedt, maar die volgens Tora zijn toegestaan, maar waarvan het verschil voor de gewone, ongeletterde man niet duidelijk is.]

De nazier die zich onthoudt van het drinken van wijn, welke hij wel mag drinken, wordt in Tora aangeduidt met „kadosj”, een heilige. Op soortgelijke manier, zo wijst Maharsja erop, zijn de Rabbijnse wetten, die Joden verplich­ten om zich te onthouden van een huwelijk met een familielid dat toegestaan is volgens Tora-wet, wetten van heiligheid.

Hoewel Rawa het met name had over het probleem van de verboden huwelijken, heeft zijn formule voor heiligheid toepassing gevonden bij de grote ethici op elk gebied van het leven. Alleen als iemand bereid is om datgene op te offeren, wat hem is toegestaan, ten einde zich te kastijden en zich te verheffen, kan men als heilig beschouwd worden.