Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   22 Sivan 5767

Traktaat Jewamot 23-33 Nr. 144

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Jewamot 24a

Dingen letterlijk nemen

Het kan misleidend zijn om de Tora zuiver letterlijk te lezen. Het klassieke voorbeeld met betrekking tot een mitswa is het Tora-gebod dat de broer van een man, die kinderloos is gestorven, jibboem doet, door de weduwe te trouwen: De eerstgeborene die zij zal baren, zal op naam staan van zijn overleden broer” (Dewariem 25:6). Letterlijk opgevat betekent dit, dat de eerstgeboren zoon van dit paar hun kind naar zijn overleden oom genoemd wordt.

Dit is echter niet het geval. Onze Geleerden hadden een traditie die terugging tot Sinaï, dat net als het woord ‘naam’, dat bij Ja’akov gebruikt wordt met betrekking tot de stam waartoe de kinderen van Joséf behoren (Bereisjiet 48:6), klaarblijkelijk betrekking heeft op erfenis en niet op de naamgeving, zo ook slaat het woord ‘naam’ hier bij de jibboem op de erfenis. Het vers moet dus als volgt worden geïnterpreteerd: De oudste van de overlevende broers heeft de eerste verantwoordlijkheid om jibboem te doen, en wanneer hij – of een van de andere broers, als hij weigert – de weduwe trouwt, dan erft hij het erfdeel van haar overleden echtgenoot in zijn vaders nalatenschap.

Doelend op deze radicale niet-letterlijke interpretatie, merkt de Geleerde Rawa op, dat dit een uitzondering is op de algemene regel voor bijbelverklaringen, die zegt dat altijd ook de letterlijke betekenis van een bijbelvers geldt, naast eventuele andere interpretaties. [Dat zou in dit geval betekenen dat behalve de hierboven gegeven interpretatie voor de erfenis, het kind ook naar zijn oom genoemd zou moeten worden]. Dit is echter het enige geval, merkt hij op, waar van de letterlijke betekenis volledig wordt afgezien.

Het is deze verklaring van Rawa die sommige latere commentatoren tot een interessante conclusie hebben doen leiden met betrekking tot een andere mitswa: Je zult geen struikelblok leggen op het pad van een blinde” (Wajjikra 19:14). Onze Geleerden verklaren dat dit betekent dat het verboden is om iemand een vals advies te geven, of om iemand te assisteren bij een overtreding van Tora, ook als die ander niet weet dat hij een overtreding begaat. Deze interpretatie van de mondelinge wet werd niet geaccepteerd door de Koetiem, die zich uitsluitend aan de geschreven wet hielden. Zij vatten dit letterlijk op als een verbod om een steen op het pad van een blinde te leggen (Rasji, Choellien 3a).

Wat doen wij? Zeggen wij dat dit vers zowel letterlijk als figuurlijk moet worden opgevat, of verontacht-zamen we de letterlijke betekenis ervan?

Twee kanten van deze zaak worden in Minchat Chinoech  (mitswa 232) in een discussie hierover gepresenteerd, en in de Ohr Someiach in zijn Mesjech Chochma-commentaar op Tora.

&

Jewamot 25a

Haat versus passie

Een man of vrouw die een get (echtscheidingsbrief) van buiten Erets Jisraël brengt, moet getuigen dat de get geschreven en getekend is in zijn of haar aanwezigheid, zodat het Beit Din in Erets Jisraël er zeken van is dat het naar behoren was opgemaakt. Verderop in ons traktaat (117a) leren we dat zelfs die vrouwen, wier getuigenis omtrent de dood van hun echtgenoot niet geaccepteerd wordt, om hen toe te staan met iemand anders te trouwen, wel geloofd worden als zij getuigen dat de get naar behoren geschre-ven was.

De verklaring die gegeven wordt, waarom een schoonmoeder en enkele andere vrouwen niet geloofd worden als zij verklaren dat een man is overleden, is dat zij misschien liegen om de vrouw in een val te lokken, omdat zij haar haten en haar zo willen laten trouwen met een ander, een huwelijk wat vervolgens ontbonden moet worden, als haar huidige echtgenoot vervolgens levend weer opduikt. Deze verdenking is niet relevant om te getuigen over een echt­scheiding, want de vrouwelijke getuige is de drager van een document dat haar getuigenis onder­steunt.

Er ontstaat echter een probleem als een man getuigt, dat de get die een vrouw uit het buitenland mee-brengt, correct is opgemaakt, en hij vervolgens met die vrouw wil trouwen. De verklaring die gegeven wordt, is dat hij verdacht wordt te liegen, omdat hij met die vrouw wil trouwen. Waarom geloven we de bovengenoemde vrouwenhaters omdat zij gesteund worden door een document dat zij bij zich dragen, maar geloven wij de man, die een soort­gelijk document met zich meevoert niet?

Het antwoord van de Nimukei Joséf is gebaseerd op een onderscheid tussen haat en passie. De vrouw die getuigt over de rechtsgeldigheid van een overlijdensverklaring, wordt alleen gemotiveerd door haat, welke zij opzij zet uit vrees dat de echtgenoot levend terug komt en haar leugen aan de kaak stelt. Deze over-weging, gecombineerd met het document dat overlegd wordt, maken haar getuigenis geldig. De man echter, die getuigt over de rechtsgeldig­heid van een get kan gemotiveerd zijn door passie voor de betrok-ken vrouw en kan daardoor irrationeel handelen om zijn doel te bereiken, zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat zijn leugen ontdekt wordt.

&

Jewamot 24b

De perversie van conversie

Wanneer iemand tot het Jodendom overgaat uit angst voor leeuwen, daarover verschillen de Geleerden van mening of die conversie geldig is. Hoewel Rabbi Nechemja iedere conversie, die niet gebeurde uit de pure wens om Joods te worden, ongeldig verklaart, volgt de halacha de tegenovergestelde mening, dat zelfs een dergelijke conversie geldig is.

Wie zijn deze mysterieuze bekeerlingen die Jood werden uit angst voor leeuwen?

Rasji zegt dat dit de Koetiem waren, die Koning Sancheriv van Assyrië vanuit hun geboorteland naar Erets Jisraël bracht, om daar de tien stammen, die hij uit hun land verbannen had, te vervangen. Nadat zij zich in de steden van Samaria hadden gevestigd, maar hun afgodendienst trouw bleven, werden zij aangevallen door leeuwen, die door de Hemel waren gezonden. Toen zij zich daarover bij de koning beklaagden, zond hij hen één van de verbannen Kohaniem om hen de wegen van Hasjem te leren en zij bekeerden zich vervolgens tot het Jodendom (Melachiem II, 17:24-28).

Tosafot verwerpt deze verklaring, want de conversie van de Koetiem was niet alleen verkeerd gemotiveerd maar was ook bedrog. Zij vreesden G-d maar aanbaden hun afgoden,” lezen we in vers 3 van datzelfde hoofdstuk. De bekeerlingen waar onze Gemara op doelt, concludeert Tosafot, waren mensen die uit angst voor leeuwen een echte conversie deden.

Er staat een discussie in traktaat Choellien (3b) over de vraag of de Koetiem echte bekeerlingen waren. Tosafot begrijpt dat er een overeenstemming is, gebaseerd op het bovengenoemde vers, dat hun aanvankelijke conversie een bedrog was, omdat zij doorgingen met het aanbidden van hun afgoden. De mening dat het oprechte bekeer­lingen waren, is gebaseerd op de traditie dat, nadat zij bekend geraakten met het Jodendom, zij een echte conversie deden en hun afgoderij verlieten. Dit verklaart waarom in de Misjnajot de Koetiem als Joden aangeduid worden. Maar zelfs volgens deze mening waren er problemen met deze bekeerlingen, die begonnen met hun degeneratie toen zij de mondelinge leer verwierpen en die hun hoogtepunt bereikten toen ontdekt werd dat zij in het geheim afgoden dienden, waarna zij niet meer als Joden beschouwd werden.

De Gemara in traktaat Choellien (6a) merkt op dat toen Rav Ami en Rav Asi, twee van de leidende Geleerden in de periode na de Misjna, hoorden over deze dubbelhartigheid, zij hun plaatsen in het Beit Din niet verlieten, voordat de Koetiem tot niet-Joden werden verklaard.”

&

Jewamot 31b

Het is het potentiëel dat telt

Is een geschreven getuigenverklaring acceptabel als bewijs in een Beit Din (een rechtbank die rechtspreekt op basis van Tora-wet)? Het verschil van mening over deze vraag draait rondom een vers in Tora dat onze Gemara aanhaalt: Op de getuigenis uit de mond van twee of drie getuigen zal de waarheid worden vastgesteld” (Dewariem 19:15).

Gebaseerd op deze regel hebben onze Geleerden vastgesteld dat getuigenis uit hun mond moet komen, maar niet uit geschriften.” Rasji verklaart in zijn commentaar op Tora dat dit betekent dat we eisen dat een getuigenis monde­ling wordt afgelegd en dat een geschreven getuigenis, die de getuigen naar het Beit Din sturen, ongeldig is. Tosafot echter citeert Rabbeinoe Tam, die gezegd zou hebben dat het de gewoonte is dat getuigen hun verklaring schriftelijk naar het Beit Din sturen. Volgens deze verklaring zou Tora alleen die getuigenverklaringen diskwalifi­ceren die zich de gebeurtenis helemaal niet meer herinneren maar die hun getuigenverklaring uitsluitend baseren op het verslag dat zij destijds daarvan gemaakt hebben. Maar als zij zich de gebeurtenis herinneren, dan is er geen probleem wanneer zij hun getuigenis schriftelijk aan het Beit Din overleggen.

Er lijkt steun te zijn voor het standpunt van Rasji van de Gemara (Gittin 71a), waar een doofstomme ongeschikt als getuige verklaard wordt, omdat hij niet in staat is te vertellen wat hij heeft waargenomen. Wanneer de Gemara opmerkt dat hij toch zijn verklaring kan neerschrijven, legt de Geleerde Abbajjé op basis van het bovengenoemde vers uit dat de Gemara een geschreven getuigenverklaring ongeldig verklaart.

Het antwoord van Rabbeinoe Tam op dit argument is om ons te verwijzen naar een algemene regel die te vinden is in traktaat Menachot (103b). De Misjna vertelt daar, dat als iemand een mincha-offer [meeloffer] van zestig esroniem schenkt, hij het meel in een schaal kan brengen; maar als hij eenenzestig esroniem schenkt, dan moet hij de zestig in één schaal en die ene in een andere schaal brengen. Zestig esroniem is namelijk de maximum hoeveelheid die effectief vermengd kan worden met een loeg olie. De Gemara betwijfelt deze verklaring op basis van de regeling dat een mincha kosjer is, zelfs als de vermenging in het geheel niet heeft plaatsgevonden. Hierop antwoordt Rav Zeira dat het alleen kosjer is wanneer het mogelijk was om het te vermengen en dat het deze potentie is, die bepalend is, en niet de daadwerkelijke vermenging.

Op dezelfde manier, concludeert Rabbeinoe Tam, staat Tora er niet op dat een getuige zijn verklaring mondeling aflegt, maar dat hij daar in principe toe in staat is. De doofstomme, die deze mogelijkheid niet heeft, is gediskwali­ficeerd, zelfs al schrijft hij zijn getuigenverklaring, maar een getuige die wel kan spreken en zich de zaak herinnert, kan zijn verklaring ook schriftelijk afleggen.

&

Jewamot 33b

De ontrouwe minderjarige

Een vrouw die zich vrijwillig overgeeft aan overspel is verboden voor haar man. Hoe zit dat met een minderjarige (onder de twaalf jaar), wier vader gebruik gemaakt heeft van de bevoegdheid die Tora hem geeft en die zijn dochter heeft uitgehuwelijkt – wordt zij ook verboden voor haar echtgenoot, wanneer zij vrijwillig overspel pleegt?

Rambam (Hilchot Issoerei Bi’a 3:2 en Hilchot Sota 2:4) beslist dat zij verboden wordt als zij vrijwillig overspel pleegt, net zoals een volwassen vrouw.

Zijn beslissing wordt aangevallen door Ra’avad op basis van onze Gemara, die zegt dat de vrijwillige deelname van een minderjarige beschouwd wordt als te zijn afgedwongen wegens haar gebrek aan rijpheid en dat zij daarom niet verboden is voor haar echtgenoot; alleen de vrouw van een kohen wordt verboden ten gevolge van een gedwongen seksuele relatie. Hij werpt ook een vraag op betreffende de waarschuwing, waarvan Rambam zegt dat die door de echtgenoot gegeven werd, als hij zijn minderjarige vrouw verdenkt van ontrouw, welke waarschuwing ertoe kan leiden dat zij voor hem verboden wordt, wanneer zij die negeert, zelfs al zijn er geen getuigen dat er daadwerkelijk overspel gepleegd is, maar dat in dat geval haar afzondering met de man voor wie zij gewaarschuwd werd, voldoende is. Hoe, vraagt hij, kan een waarschuwing enige betekenis hebben voor een minderjarige die de rijpheid mist om de betekenis ervan te begrijpen?

Voor wat betreft de aanval van Ra’avad op basis van onze Gemara, suggereert de Maggid Misjné dat in de Gemara geen definitieve beslissing was gegeven, of een minderjarige verboden wordt voor haar echtge-noot. [De Misjna op onze daf heeft het over een geval van twee mannen die zich met twee vrouwen verloven, maar die op het tijdstip van de choeppa hun beider vrouwen omruilden. De Misjna zegt vervol-gens dat als de vrouwen minderjarig zijn, zij onmiddellijk aan hun mannen worden teruggegeven] De Gemara verondertelt dat de vrouwen niet vrijwillig meegewerkt hebben aan deze ruil, en als zij minderjarig waren, wordt hun medewerking als afgedwongen beschouwd.] Daar Rambam een basis voor zijn mening had van een andere Gemara (Ketoebot 9a), beschouwde hij onze Gemara niet als een definitieve regeling voor dit onderwerp.

Voor wat betreft de vraag wat de betekenis is van een waarschuwing voor een minderjarige, kan het ant-woord gevonden worden in het commentaar van de Ohr Someiach (Hilchot Issoerei Bi’a 3:2) met betrek-king tot het probleem hoe een minderjarige verboden kan worden voor haar echtgenoot, wanneer zij nog geen mitswot ver­plich­tingen heeft. Hij citeert de beoemde regeling van Maharik dat een vrouw die over-spel gepleegd heeft omdat zij dacht dat het niet verboden was, toch beschouwd wordt als iemand die vrij-willig overspel gepleegd heeft en dat zij verboden is voorhaar man. De reden hiervoor is als de Tora ver-klaart waarom zij verboden wordt, daarbij niet de nadruk op de zonde zelf gelegd wordt, maar alleen op het feit dat zij haar echtgenoot verraden heeft.” Onbekend­heid met de wet kan helpen als een verzach-tende omstandigheid van de overtreding, maar niet van het verraad. Ook al mist een minderjarige de rijp-heid om verantwoordelijk gesteld te worden voor mitswot of om gestraft te worden voor een overtre-ding, ze wordt verondersteld trouw te kunnen zijn aan haar echtgenoot. De waarschuwing heeft daarom beteke-nis en haar trouweloosheid heeft als resultaat dat zij verboden wordt.