Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   29 Sivan 5767

Traktaat Jevamot 34 - 40 Nr.145 

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Jevamot 34b

De deadline van tien jaar

De dochter van Rabbi Chisda trouwde met de Geleerde Rava nadat zij tien jaar weduwe was geweest. Toen zij zwanger werd, veroorzaakte dat een opschudding onder Rava’s collega’s, omdat Rabbi Jochanan als natuurwet  had verkondigd, dat een vrouw die tien jaar ongetrouwd is geweest na haar eerste huwelijk, niet in staat zou zijn om nog kinderen te krijgen.

Rava’s vrouw helderde het mysterie op door hem te informeren dat zij tijdens haar weduwschap steeds in gedachten had weer te zullen trouwen en de regel die door Rabbi Jochanan was uitgesproken, was nader verklaard door Rav Nachman, dat als een vrouw in gedachten heeft dat zij weer zal trouwen, zij dan zelfs na tien jaar nog kinderen zou kunnen krijgen.

De achtergrond voor deze dialoog wordt geleverd door Tosafot, op basis van een gebeurtenis die vermeld staat in traktaat Bava Batra (12b), en die dient als een illustratie dat sedert de Verwoesting van het Beit HaMikdasj de profetie van de Profeten is afgenomen en gegeven is aan kinderen en dwazen. Rav Chisda’s jongste dochter zat op zijn schoot toen twee van zijn leerlingen, de Geleerde Rava en Rami bar Chama voor hem zaten. Met welke van deze twee wil je trouwen?” vroeg hij het kind. Met beiden,” antwoordde zij, waarop Rava snel reageerde en zei: En met mij het laatst.”

Zij trouwde inderdaad eerst met Rami bar Chama en na diens dood was zij er zeker van dat de profetie van haar kindertijd bewaarheid zou worden en dat zij met Rava zou trouwen. Deze laatste was echter al getrouwd en zij had tien jaar moeten wachten totdat die vrouw stierf. Het feit dat zij al die jaren in gedachte had dat zij met Rava zou trouwen, redde haar van het verlies van de mogelijkheid om kinderen te krijgen.

Op basis van deze natuurwet” en de beperking daarvan zoals die in onze Gemara wordt beschreven, verklaart de Midrasj een pasoek  in Megillat Roet. Daarin ontmoedigt Naomi haar schoondochter, die weduwe geworden is, om haar te vergezellen naar Erets Jisraël in de hoop om daar te trouwen met een andere zoon die Noami daar nog zou baren. Ik ben te oud geworden om nog een man te trouwen,” vertelt zij hen, en zelfs al zou ik zeggen dat ik nog hoop heb, en zelfs al zou ik vanavond nog met een man trouwen en dan zonen krijgen, kunnen jullie dan zo lang wachten, totdat die zijn opgegroeid?” (Roet 1:12).

Noami verklaarde dat aangezien het tien jaar minus één dag was, sinds haar man was overleden, haar mogelijkheid om nog kinderen te krijgen in een nieuw huwelijk afhankelijk was van één van twee dingen: 1) Ik zeg dat ik hoop heb,” – dat zij hoopte om nog eens te trouwen; of 2) wanneer ik vanavond een man zou trouwen,” voordat de tien jaar voorbij zijn.

&

Jevamot 36b

Waar een wil is, is een weg

Een vader die de erfwetten wil omzeilen, kan een testament opmaken, waarin hij het eigendomsrecht van al zijn bezittingen aan zijn favoriete zoon overmaakt. Daar hij echter nog gebruik wil maken van zijn bezittingen zolang als hij leeft, bepaalt hij dat deze bezittingen van zijn zoon zullen zijn vanaf vandaag en na zijn dood.” Dit betekent dat zolang hij leeft hij gerechtigd is tot alle opbrengsten van zijn bezittingen (Kinjan perot”) en de zoon, die al het eigendom van de hoofdsom heeft verkregen,  (kinjan hagoef”, verkrijgt het volledige eigendomsrecht na de dood van zijn vader.

Daar zowel vader als zoon iets over de bezittingen te zeggen hebben, kan geen van hen onafhankelijk van de ander die bezittingen rechtstreeks verkopen. Wanneer de zoon ze toch verkoopt, dan verkrijgt de koper pas het volle eigendom daarvan, nadat de vader is overleden. Wat gebeurt er echter wanneer de zoon ze verkoopt en vervolgens overlijdt, terwijl zijn vader nog leeft?

Rabbi Jochanan meent dat de koper geen recht op de bezittingen kan doen gelden, zelfs niet nadat de vader uiteindelijk is oveleden, omdat de kinjan perot niet sterk genoeg is om een dergelijke verkoop te voorkomen, De enige manier waarop hij het eigendom ervan kan verkrijgen, is wanneer de vader eerst komt te overlijden en de zoon dan het volledige eigendomsrecht heeft vekregen.

Rabbi Sjim’on ben Lakisj (Reisj Lakisj) verwerpt dit standpunt en beslist dat de kinjan perot van de vader niet sterk genoeg kan zijn om een de realisatie van een dergelijke verkoop ten gunste van de koper te verhinderen.

Hoewel de algemene regel is dat de halacha volgens Rabbi Jochanan is, is dit één van de drie gevallen die de Gemara noemt, waar de halacha volgens Reisj Lakisj is.

&

Jevamot 37b

Het stille bedrog

Men moet niet een vrouw trouwen met de bedoeling om van haar te scheiden,” zegt Rabbi Eliëzer ben Ja’akov in onze Gemara en hij baseert zich daarbij op het gezegde in Misjlee (3:29) dat men niet stiekem kwade plannen moet smeden tegen iemand die hem voldoende vertrouwt om met hem samen te leven.”

De commentatoren verwijzen ons echter naar een andere Gemara (in Traktaat Gittien 90a), waar dit vers gebruikt wordt door de Geleerde Rava om een man te verbieden met zijn vrouw samen te leven als hij in het geheim van plan is van haar te scheiden. De kinderen die uit een dergelijk huwelijk, waar zulke gedachten gekoesterd worden, geboren zijn, worden nadelig beïnvloed en worden (in traktaat Nedasriem 20b) als kinderen van iemand met scheiding in zijn hart” aangeduid.

Het meest interessante is het woord, dat in het bovengenoemde vers gebruikt wordt om het werkwoord aan te duiden dat het bedrog tegen de vertrouwende vrouw” omschrijft. Tacharosj betekent letterlijk ‘ploegen’. Wat dat te maken heeft met de man die stiekem een scheiding tegen zijn vrouw beraamt, wordt op twee manieren verklaard.

Rasji verklaart dat net zoals iemand de aarde ploegt om die voor te bereiden voor beplanting, zo bereid de intrigant de grond voor op de uitvoering van zijn snode plannen.

Maharsja echter, prefereert om dit woord in verband te brengen met cheresj, hetgeen stilte of geheim betekent en dat de gedachten aan de echtscheiding beschrijft, die deze verraderlijke echtgenoot verbergt.

&

Daf 39b

De geprefereerde mitswa

Als een man kinderloos sterft, dan is het voor zijn broer een mitswa van Tora om jibboem te doen met de weduwe, door met haar te trouwen. In dat geval schuift Tora ten behoeve van deze mitswa het verbod opzij, dat een man niet met de vrouw van zijn broer mag trouwen, zelfs niet nadat die broer haar gescheiden heeft of is overleden.

Maar hoe zit dat als de broer niet met de weduwe wil trouwen wegens de mitswa, maar wegens haar schoonheid, of om een andere reden? De Geleerde Abba Sjaoel beschouwt dit als een geval dat grenst aan een overtreding van het verbod op het trouwen met de vrouw van een broer en hij overweegt zelfs of het kind dat uit een dergelijk huwelijk geboren wordt, wellicht een mamzer is. De andere Geleerden zijn het hier niet mee eens en menen dat ongeacht het motief, de jibboem een geldige uitvoering van de mitswa is.

Deze twee tegengestelde meningen bepalen of we vandaag de dag jibboem of het alternatief, chalitsa aanbevelen. De Misjna in traktaat Bechorot (13a) die in onze Gemara wordt aangehaald, verklaart dat in vroegere generaties, toen de mensen nog de juiste instelling hadden en jibboem deden voor de mitswa, het de voorkeur had om jibboem te doen. Daar in latere generaties de mensen jibboem gingen doen om andere redenen en niet voor de mitswa, verdiende het de voorkeur dat men chalitsa zou doen. Dit laatste is duidelijk in lijn met het standpunt van Abba Sjaoel.

De Geleeerde Rami Bar Chama echter, citeert Rabbi Jitschak die gezegd zou hebben dat dit standpunt om de mening van Abba Sjaoel te steunen, vervolgens verlaten werd ten gunste van de mening van de Geleerde, zodat zelfs tegenwoordig jibboem nog de voorkeur zou hebben.

Er is een grote discussie tussen de commentatoren of we oordelen volgens Abba Sjaoel of de Geleerden. Rif noemt de verklaring van Rami bar Chama als steun voor het standpunt van de andere Geleerden en concludeert daarom dat jibboem de voorkeur heeft. Rabbeinoe Tam van de Tosafisten en Rabbeinoe Chananel paskenen als Abba Sjaoel en concluderen dat chalitsa de voorkeur heeft.

De geaccepteerde praktijk in bijna iedere Joodse gemeenschap is tegenwoordig om jibboem te vermijden en chalitsa te doen.

&