Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   13 Tamoez 5767

Traktaat Jevamot 41-56 Nr.146 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De grenzen van de profetie

Jevamot 41b

Wanneer kan een profeet een halachisch verbod beïnvloeden en wanneer niet? De demarcatielijn wordt duidelijk getrokken in het onderscheid dat onze Gemara maakt tussen twee gevallen van jibboem.

Eén geval gaat over een man die met één van twee zusters trouwde, maar er bestaat twijfel over welke van de twee zijn vrouw is. Wanneer hij vervolgens kinderloos sterf, kan zijn broer met geen van de twee zusters jibboem doen, want het is mogelijk dat hij, zonder het te weten, met de zuster van de weduwe trouwt (en dat is verboden door de Geleerden, omdat het lijkt op een huwelijk met de zuster van zijn vrouw, hetgeen een verbod van Tora is.) Daar jibboem niet mogelijk is, tenzij getuigen verklaren wie de werkelijke weduwe is, moet hij chalitsa doen met beide vrouwen, om het hen mogelijk te maken om buiten de familie te trouwen.

Het andere geval betreft een man die voor Rabbi Jossi kwam en hem vroeg chalitsa te mogen doen binnen drie maanden na de dood van zijn broer. Hem werd verteld dat hij dat niet kon doen, omdat de Misjna zegt dan men noch jibboem, noch chalitsa kan doen binnen drie maanden. Men kan geen jibboem doen, want binnen drie maanden is het niet met zekerheid vast te stellen of de vrouw zwanger is. Zou zij inderdaad zwanger zijn en een levend kind ter wereld brengen, dan heeft zij geen jibboem nodig, want jibboem is alleen als er geen levend kind geboren is, en bovendien is zij dan verboden voor de broer van haar overleden echtgenoot.

Maar waarom, vraagt de Gemara, is chalitsa dan niet toegestaan binnen drie maanden? Er wordt dan toch geen overtreding begaan, zelfs al blijkt de vrouw zwanger te zijn?

Het antwoord is dat de Tora jibboem verbindt met chalitsa, en wanneer er geen jibboem kan gedaan wordt, dan is er ook geen chalitsa.

Als dat de regel is, vraagt Rabbi Chanina, waarom doen we dan chalitsa in het geval van twee zusters, waar geen jibboem mogelijk is?

Het antwoord op dit probleem is als volgt: Als de Profeet Eliahoe komt, en ons onthult welke van de twee zusters de echte weduwe is, dan is er geen belemmering voor jibboem. We beschouwen haar daarom in aanmerking komend voor jibboem en zelfs als een echte jibboem niet kan worden gedaan, kan zij toch chalitsa hebben. Als Eliahoe echter komt en ons onthult dat de weduwe niet zwanger is, dan kunnen we nog steeds geen jibboem doen binnen drie maanden, want de Geleerden hebben een wachtperiode van drie maanden ingesteld voor ieder geval, zelfs als was de weduwe een minderjarige, die nog niet zwanger kan zijn.

Deze Gemara wordt door de commentatoren aangehaald als de bron voor het onderscheid tussen de macht van de profeet om te interveniëren in halachische aangelegenheden en zijn macht om de feiten van een bepaald geval op te helderen, zoals in het geval van de twee zusters. Waar de feiten niet het probleem vormen, zoals in het geval van de wachtperiode, dat zelfs geldt als we de feiten kennen, daar heeft de profeet geen macht om de halacha te wijzigen. Dit is zo, omdat sinds de Tora via Mosjé gegeven is aan het Joodse volk, geen profeet die halacha kan veranderen.

&

De Kohen en het slachtoffer van het gemengde huwelijk

Jevamot 45a

Eén van de problemen waarmee een Kohen in deze generatie geconfronteerd wordt, is een vrouw te vinden, waarmee hij mag trouwen. Zelfs als de jongedame kuis genoeg is geweest om seksuele gemeen-schap voor het huwelijk te vermijden met een niet-Jood, kan zij gediskwalificeerd worden om met een Kohen te trouwen, als haar vader niet Joods was.

Hoewel er geen twijfel bestaat over haar status als Jodin, omdat haar moeder Joods was, bestaat er een ernstige vraag of een Kohen met haar mag trouwen.

De bron voor dit probleem is een kal vechomer – een manier van halachische interpretatie, die de status van iets dat zwaarder weegt, maar dat niet expliciet in Tora genoemd wordt, afleidt van iets dat minder ernstig is, maar wel in Tora genoemd wordt. In dit geval is het minder ernstige onderwerp de weduwe die voor de Kohen Gadol verboden is. Dit verbod geldt alleen voor de Kohen Gadol, maar het kind dat uit een dergelijke verbintenis geboren wordt, is ongeschikt om met een kohen te trouwen. Hoeveel te meer geldt dan ook voor een kind uit een vereniging van een Joodse vrouw met een niet-Joodse man, een verbod wat voor alle Joden geldt, dat zij verboden is voor een kohen!

Of dit inderdaad de conclusie is van onze Gemara, is onderwerp van discussie. Waar Rav Alfas (de RIF) en Rambam menen dat er geen definitieve conclusie is en de zaak aan de twijfel overlaten, zegt de Rosj heel duidelijk dat een Kohen niet mag trouwen met een dochter van een Joodse vrouw en een niet-Joodse man.

De Sjoeclchan Aroech (Even Ha’ezer 4:5) beslist dat een dergelijke vrouw verboden is voor een Kohen. De commen­ta­toren wijzen er echter op, dat wanneer een dergelijk huwelijk toch, zij het illegaal, gesloten is, het niet hoeft te worden ontbon­den.

&

Jouw volk is mijn volk

Jevamot 47b

Behalve besnijdenis en onderdompeling in een mikwa moet een niet-Jood die tot het Jodendom wil toe-treden, zich verplichten de mitswot, die op een Jood rusten, na te komen. Als bron voor de basisinstructie die aan een candidaat voor conversie tot het Jodendom gegeven wordt, citeert de Gemara de dialoog tussen Naomi en Roet, waar slechts met enkele woorden op gezinspeeld wordt in Megillat Roet (1:16-18): Ameech ami – uw volk is mijn volk,” zegt Roet tegen haar schoonmoeder, die wijst op de moeilijkheden van het Jood-zijn. Dit, verklaart Rabbi Elazar, was het antwoord aan Naomi, nadat zij Roet had uitgelegd dat Joden 613 geboden moeten naleven.

Waar, vragen de commentaroren, is er in de woorden van Roet een aanwijzing te vinden dat zij zich ver-plichtte al de mitswot na te leven?

Maharsja biedt twee benaderingen, de één gebaseerd op de numerieke waarde in het Hebreeuws van het woord ameech, en de ander op de connotatie van de woorden als een typerend kenmerk van het Joodse volk.

Het woord ameech bestaat in het Hebreeuws uit drie letters. De eerste, de ajin heeft de waarde van 70 in het Hebreeuwse getalsysteem, de tweede, de mem is gelijk aan 40 en de laatste letter, de slot-chaf heeft de numerieke waarde van 500 (na de laatste letter taf, die 400 waard is, komen de vijf letters die anders geschreven worden wanneer zij aan het eind van een woord komen en hun numerieke waarde is 500-900). Als we deze drie numerieke waarde bij elkaar tellen en daar het getal drie – het aantal letters van het woord ameech – bij optellen, krijgen we 613.

De tweede benadering heeft betrekking op het spottende commentaar van heidense critici over Joden, dat wij een impulsief volk” zijn, omdat wij onze mond vóór onze oren plaatsen” (Sjabbat 88a, Ketoebot 112a). In tegenstelling tot andere volken, die het aanbod van Tora verwierpen, hebben wij zoveel geboden geaccepteerd, zelfs nog voordat wij gehoord hadden wat ze allemaal inhielden, toen wij zeiden: wij zullen doen en wij zullen horen.”

Deze impulsiefheid,” die de Geleerde Rav (Sjabbat 88a) verklaart als het resultaat van het feit dat wij vertrouwen hebben dat de Schepper ons niet verplicht tot iets wat buiten onze capacieit valt, heeft ons tot een uniek volk gemaakt voor wat betreft de geboden. Roets antwoord hierop was: Uw volk is mijn volk,” en ik ben bereid verantwoordelijk­heid aan te nemen voor alles wat u op Sinai op u genomen heeft.”

&

Hoe betrouwbaar is het register

Jevamot 49a

Een mamzer is door Tora verboden om de gemeente van Hasjem binnen te gaan,” hetgeen betekent dat er strenge beperkingen zijn op wie hij kan trouwen.

Maar wat is precies een mamzer? De Tora definiëert een mamzer als een kind dat geboren is uit ouders, wier huwelijk bij wet verboden is. Hoe ernstig de overtreding moet zijn om een mamzer te produceren, is onderwerp van discussie.

De strengste benadering is die van Rabbi Akiva, die beslist dat zelfs wanneer een verhouding alleen maar strafbaar is met geseling,  – en niet met de dood – het product een mamzer is. Daartegenover staat de mening van Rabbi Jehosjoea, dat meent dat alleen een verhouding die de de doodstraf verdient, een mamzer oplevert. Daar tussenin vinden we de mening van de Geleerde Sjim’on de Timniet, dat zelfs als de verbintenis strafbaar is met kareet (Uitroeiing door de Hemel, een vroegtijdige dood), het kind een mamzer is.

Een interssante steun wordt geboden voor de positie van R. Jehosjoea door Rabbi Sjim’on ben Azzai. (De Rasjasj merkt op, dat de titel ‘Rabbi’ hier niet op zijn plaats is, omdat deze Geleerde overleed, voordat hij als zodanig benoemd was, zoals Rav Ovadja van Bartenoera opmerkt in traktaat Avot 4:1). Hij vond een oud familieregister in Jeruzalem, waarin vermeld stond dat een bepaald persoon een mamzer was, geboren uit een onwettige, want overspelige verhouding van een man met de vrouw van een ander. Het lijkt erop, dat alleen omdat de overtreding strafbaar was met de dood door een aards gerechtshof, hij als een mamzer beschouwd werd en dat hij dat niet zou zijn geweest wanneer de overtreding met een mindere straf straf-baar was geweest. De halacha is niettemin overeenkom­stig Sjim’on de Timniet. Het register dat door Sjim’on ben Azzai genoemd wordt, wordt niet als een sluitend bewijs beschouwd, want het is mogelijk dat het alleen de feiten vermeldde van het geval, en niet de halacha.

Sjim’on ben Azzai echter, interpreteerde dit register als een halachische uitspraak, dat alleen een over-treding waarop de doodstraf staat, uitgesproken door een Beet Din, een mamzer produceert. Waarom dan, vraagt Tosafot, vermeldde het register dan niet alleen dat die persoon een mamzer was, omdat zijn ouders een halsmisdaad begaan hadden, in plaats van de misdaad te specificeren?

Hij antwoordt dat het register er de nadruk op wilde leggen, dat hoewel overspel slechts strafbaar is met de minst zware vorm van doodstraf, het resultat daarvan desalniettemin een mamzer is, ondanks dat een getrouwde vrouw nog tijdens het leven van haar man, als zij gescheiden is, voor een andere man toege-staan is. (Dit is een unieke situatie voor een getrouwde vrouw, die niet bestaat voor familieleden die ver-boden zijn met haar te trouwen; zulke familie­leden blijven verboden, zelfs als het huwelijk geëindigd is.)

&

Mishandeling van de agent

Jevamot 52a

Hoewel de straf van geseling, die in Tora genoemd wordt, alleen geldt voor een overteding van een Tora-verbod, hadden ook de Geleerden de bevoegdheid om iemand te laten geselen (makot mardoet) die bepaalde rabbinale verboden had overtreden.

Eén van de overtredingen waarvoor de Geleerden een dergelijke straf hadden vastgesteld, was de mis-handeling van een agent van de Rabbijnen. Rasji verklaart dat het hier gaat om een agent van het Beet Din. Tosafot beweert echter dat het hier gaat over een agent van iedere Tora-geleerde en niet noodzakelijk van een Beet Din. Als steun voor zijn mening citeert Tosafot het volgende incident, dat vermeld staat in traktaat Kiddoesjien (70a). Een bewoner van de Babylonische stad Nehardea ging een slagerij in de stad Poempe-dita binnen en bestelde wat vlees. Hem werd verteld dat hij alleen bediend kon worden, nadat zij de bestel-ling van een agent van Rav Jehoeda ben Jecheskel hadden uitgevoerd. Verstoord omdat hij moest wach-ten, schreeuwde hij: Wie is Jehoeda ben Sjviskel [een beledigende verwijzing naar een gulzige veelvraat van geroosterd vlees (Rasji)] dat hij verdiend vóór mij geholpen te worden?”

Toen aan Rav Jehoeda gerapporteerd werd hoe deze ruwe vent zijn agent beledigd had, excommunicerde hij hem. Dit, concludeert Tosafot, bewijst dat de belediging van een agent van een Tora-geleerde, verdient bestraft te worden, zelfs al is hij geen agent van het Beet Din.

Hiermee blijft er echter één probleem over: de Gemara  (Pesachiem 52a) zegt dat excommunicatie een ernstigere straf is dan geseling. Waarom dat, vraagt Tosafot, eiste Rav Jehoeda dan geen geseling, de straf die de Geleerde Rav had vastgesteld?

Het antwoord, suggereert Tosafot, kan zijn dat geseling een voldoende straf is voor iemand die een agent van de Geleerden beledigt, want dat is alleen maar een indirecte belediging van de Geleerde zelf. Maar in het aangehaalde incident was de belediging gericht aan Rav Jehoeda zelf, door de naam van diens vader te verbasteren op een beledi­gende manier en daarom verdiende de man een zwaardere straf: excommuni-catie.

&