Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   27 Tamoez 5767

Traktaat Jevamot 65-71 Nr.148 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Jevamot 65b

Wanneer een leugen gerechtvaardigd is

Onmiddellijk na de dood van hun vader Ja’akov zonden Joséfs broers een boodschap aan Joséf dat Ja’akov vóór zijn overlijden gevraagd had dat zij er bij Joséf in zijn naam op zouden aandringen om hen het kwaad, dat zij gedaan hadden, te vergeven. Ja’akov had natuurlijk nimmer een dergelijk verzoek gedaan, en hieruit concludeert Rabbi Elazar ben Sjim’on dat men van de waarheid mag afwijken, om vredevolle relaties te onderhouden.

Maar men kan nu vragen waarom Ja’akov de wrokgevoelens van Joséf tegenover zijn broers niet aan-voelde en niet zo’n verzoek deed tijdens zijn leven?

Ramban (op Bereisjiet 45:27) beweert dat Ja’akov nooit geweten heeft dat Joséf door zijn broers in ge-vangenschap verkocht werd. Ja’akov had altijd verondersteld dat Joséf was opgepakt door slavenhande-laren, terwijl hij door de velden zwierf en vervolgens door hen aan de Egyptenaren was verkocht. De broers vertelden het hem nooit, uit angst dat hij woedend zou worden en hen zou vervloeken, zoals hij Reoeveen, Sjim’on en Levi vervloekt had voor andere zonden. Joséf, aan de andere kant, was te ethisch om deze zaak aan zijn vader te onthullen.

Rasji, in zijn commentaar op de Choemasj, heeft een andere benadering. Ja’akov wist wel degelijk wat er gebeurd was, maar hij veronderstelde niet dat zijn rechtschapen zoon wrokgevoelens koesterde, die zou-den kunnen leiden tot een bloedwraak, en daarom zag hij geen noodzaak om voor vergeving te vragen. De vraag komt dan op waarom de broers hem daarvan verdachten en het nodig vonden om deze leugen om bestwil” te vertellen?

Maharsja suggereert dat de verdenking pas na de dood van Ja’akov opkwam, zodat er geen noodzaak voor hen was om de interventie van hun vader te zoeken, terwijl hij nog leefde. De Midrasj (Bereisjiet Rabba 100:8) noemt twee dingen die gebeurden, en welk hun verdenking aanwakkerde, doordat zij Joséfs bedoe-lingen verkeerd interpreteerden. De ene was het feit dat Joséf gestopt was om hen uit te nodigen om met hem te dineren, omdat hij niet wilde doorgaan de plaats aan tafel in te nemen, die zijn vader gearrangeerd had, namelijk aan het hoofd van Jehoeda, de koning en de voorvader van de koningen van het Joodse volk, en aan het hoofd van Reoeveen, de eerstgeborene. Maar hij was ook niet in staat om hen aan het hoofd te zetten, gezien zijn koninklijke status in Egypte, en daarom besloot hij hen niet meer uit te nodi-gen.

Het tweede ding was dat Joséf, toen hij terug kwam van de begrafenis van zijn vader, in de put keek, waar zijn broers hem in hadden gegooid. Joséf deed dit om een dankgebed tot de Hemel uit te spreken voor zijn wonderbaarlijke redding van de dood. Hoewel zijn motieven in beide gevallen prijzenswaardig waren, wekten zij de verdenking van zijn broers op, dat de wrok die zich tijdens het leven van hun vader had opgehoopt, nu naar buiten kwam en dat bracht hen ertoe om te liegen, om de vrede te bewaren.

De grenzen van diskwalificatie

Jevamot 69a

Wanneer een Kohen Gadol een verhouding heeft met een weduwe, hetgeen door Tora verboden is, dan mag zij niet profiteren van de voordelen van het priesterschap. Wanneer zij de dochter van een kohen is, mag zij niet langer meer teroema eten, hetgeen zij tot nu toe wel mocht en zelfs al komt zij niet uit een familie van kohaniem, dan is het haar toch verboden om met een kohen te trouwen.

Is deze wet beperkt tot de overtreding van de vrouw met betrekking tot de verheven status van de Kohen Gadol, of geldt dezelfde diskwalificatie ook ten gevolge van andere verboden relaties?

Over deze vraag bestaan drie verschillende meningen. De bron voor allen is hetzelfde – de expliciete situa-tie van de Kohen Gadol. Zij verschillen echter wanneer het gaat om het trekken van parallelen met dit geval.

De eerste Geleerde (in de Baraita die op daf 68a genoemd wordt), verklaart dat iedere verboden relatie resulteert in diskwalificatie. Net zoals de verboden verhouding van de Kohen Gadol met een weduwe, haar diskwalificeert, zo wordt zij gediskwalificeerd door iedere verboden relatie. [Dus wanneer een Jodin, de dochter van een Jodin, gemeenschap heeft met iemand die voor haar verboden is, zoals een mamzer, een bekeerling uit een van de verboden volken [1] of een chalal, dan mag zij niet meer met een kohen trouwen en als zij de dochter van een kohen is, mag zij niet meer van de troema eten.]

Rabbi Jossi is het er niet mee eens en beperkt de diskwalificatie voor die verboden relaties waarvan het verbod zich uitstrekt tot de volgende generatie. d.w.z. dat alleen iemand, wiens kinderen net als hij gedis-kwalificeerd zijn, de vrouw diskwalificeert met wie hij gemeenschap had. Dit geldt voor bijna alle gevallen, met uitzondering van een Egyptische of Edomitische bekeerling. De Tora beperkte de huwelijksmogelijk-heid van een bekeerling van deze volken door zijn eerste en tweede generatie te verbieden met een Jood die geboren is uit een Joodse moeder. Voor de kleinzoon [de derde generatie] van de bekeerling bestaat een dergelijk verbod echter niet. Wanneer daarom een tweede generatie van een Egyptische of Edomi-tische bekeerling een (dus) verboden relatie had met een gewone Jodin, dan zou zij gediskwalificeerd zijn volgens de brede definitie van de eerste Geleerde, maar niet volgens Rabbi Jossi. Zijn criterium is, dat zoals de kinderen uit de verboden verhouding tussen de Kohen Gadol en de weduwe ook verboden zijn met een Jood te trouwen, zo ook wordt de moeder gediskwalificeerd. Maar dit geld dus niet voor de kinderen van de tweede generatie Egyptische bekeerling. [Dat wil dus zeggen dat volgens Rabbi Jossi, als een kind van een Egyptische of Edomitische bekeerling een verhouding heeft met een geboren Jodin (hetgeen verboden is!), dan maakt hij haar niet ongeschikt voor de troema of om met een kohen te trouwen, want zijn kinderen mogen wel met een geboren Jodin trouwen. Maar als de bekeerling zelf een verhouding heeft met een geboren Jodin, dan maakt hij haar wel ongeschikt, want de kinderen uit die verhouding zijn ook nog verboden om met een geboren Jodin te trouwen.]

Een derde benadering is die van Rabbi Sjim’on ben Gamliël die zijn beslissing als volgt formuleert: Alleen als de dochter uit het verboden huwelijk van de vrouw ook verboden is om te trouwen met de verboden partner van haar moeder, is de moeder gediskwalificeerd.” Ook dit geldt voor bijna alle gevallen, met uitzondering van de tweede generatie van de bekeerlingen van Rabbi Jossi. Hij gaat echter een stap verder, en past dit ook toe op de verhouding van een vrouw met een Ammonitische of Moabitische bekeerling. De Tora verbiedt de mannelijke bekeerlingen afkomstig van deze volken voor alle generaties om te trouwen met een vrouw, die geboren is uit een Joodse moeder, maar deze beperking geldt niet voor vrouwelijke bekeerlingen [zoals Roet de Moabitische]. Daar de diskwalificatie van de weduwe door de Kohen Gadol zich uitstrekt tot zowel de mannelijke als vrouwelijke nakomelingen, kan deze diskwalificatie niet ook gelden voor het geval van een vrouw die een relatie had met een bekeerling afkomstig van Moav of Ammon, want zijn dochters kunnen gewoon met een geboren Jood trouwen. [Het verschil tussen Rabbi Jossi en Rabban Sjim’on ben Gamliël is dus dat Rabbi Jossi diskwalificeerd, ongacht of beide kinderen, mannelijk of vrouwelijk verboden zijn, terwijl Rabban Sim’on ben Gamliël daar wel verschil tussen maakt.]


 

[1] Tora verbiedt bekeerlingen die afkomstig zijn van de de Ammonieten, Moabieten, Egyptenaren en Edomieten, te trouwen met iemand die geboren is uit een Joodse moeder.