Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   Rosj Chodesj Chesjwan 5768

Traktaat Jevamot 72-90 Nr.149 

 

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Een gat van veertig jaar

Jevamot 72a

Wanneer Tora vertelt dat de Israëlieten een jaar na hun exodus uit Egypte een Korban Pesach [Pesach-offer] brachten, dan kan dat worden opgevat als een kritiek, in plaats van een lofuiting, zeggen onze Geleerden (Sifri, Bamidbar 9), omdat dit het enige Korban Pesach was gedurende de veertig jaar in de woestijn.

De reden waarom zij deze offers niet brachten, is dat zij de jongetjes die in de woestijn geboren waren, niet besneden hadden en een kind dat niet besneden is, maakt dat zijn vader geen Korban Pesach mag offeren. Maar, vraagt de Talmoed, waarom deden zij de besnijdenis niet totdat zij veertig jaar later in Erets Jisraël kwamen?

Hiervoor worden twee redenen opgegeven. De eerste is dat de inspanning van het reizen een gevaar vormde voor het leven van het pas besneden kind. Een andere reden is dat de noorder wind, die nodig is opdat de genezende stralen van de zon op hen konden schijnen, overdag niet waaide gedurende al die jaren, zodat het gevaarlijk was om te besnijden.

Als dat zo is, vraagt Tosafot, waarom werd het volk dan bekritiseerd dat zij hun kindeen niet besneden? Zij konden daar immers niets aan doen? Zelfs als wij de kritiek verklaren op grond van het idee dat zij de lang­durige zwerftocht door de woestijn aan zichzelf te danken hadden, ten gevolge van de zonde van de verspieders, dan nog hadden zij niet gediskwalificeerd hoeven te worden voor het brengen van het Korban Pesach, net zoals een baby onder de acht dagen zijn vader niet weerhoudt om het Korban Pesach te brengen, omdat hij nog niet toe is aan de besnijdenis. Ook in dat geval is de vader onschuldig. Dus, zo zegt Tosafot, zouden de vaders ook niet schuldig zijn aan het niet brengen van het Korban Pesach in  de woestijn, omdat zij hun kinderen niet besneden hadden.

De commentatoren geven een antwoord op de vraag van Tosafot. Er moet een scherp onderscheid gemaakt worden tussen de status van een kind dat nog niet oud genoeg is om te worden besneden en een kind dat daar wel oud genoeg voor is, maar dat om medische redenen niet besneden kan worden. Het eerste kind wordt niet beschouwd als een onbesneden areel, want de mitswa van de besnijdenis rust nog niet op hem. Daarom kan hij zijn vader niet diskwalificeren als areel. Degenen in de tweede categorie echter, worden beschouwd als areliem [meerv. v. areel], want de mitswa rust op hen en de hulpeloosheid om de besnijdenis uit te voeren, verandert niets aan hun status. Het kan worden vergeleken met de klassieke areel die aan het begin van ons hoofdstuk genoemd werd – iemand die niet besneden is, omdat zijn broers aan de besnijdenis waren overleden, is een indicatie voor een zwakte in de familie, hetgeen een gevaar voor het leven betekent.

 &

Alleen de mannen

Jevamot 76b

Toen Koning Sjaoel zag hoe perfect de koninklijke wapenrusting paste, waarin hij David gekleed had voor zijn historische ontmoeting met Goliat, verdacht hij deze jongeman ervan dat hij op een zekere dag hem als koning zou vervangen. Toen hij een onderzoek liet instellen naar de afkomst van David, stelde zijn adviseur Doëeg de Edomiet vragen bij Davids legitimiteit, daar hij een nakomeling van de Moabitische bekeerlinge Roet was, en de Tora zegt duidelijk (Devariem 23:4) dat „een Ammoniet of een Moabiet niet mag trouwen in de gemeenschap van Hasjem.”

Doëegs uitdaging werd weerlegd door Sjaoels generaal Avner, die een regeling aanhaalde, waarin het verbod van Tora beperkt wordt tot de mannen van die volken, en dat dit dus niet voor de vrouwen geldt. Als ver­klaring voor deze selectiviteit wees hij op het vers dat volgt op de ban, waar de reden voor deze beperking wordt gegeven: „Omdat zij jou niet begroet hebben met brood en water tijdens jullie reis uit Egypte, en omdat zij Bilam gehuurd hebben… om je te vervloeken.” Daar het niet de aard van vrouwen is om naar de grens te gaan om daar gastvrijheid aan te bieden, is het duidelijk dat het verwijt alleen de mannen geldt.

Hoewel deze verklaring voor het uitsluiten van vrouwen van deze ban alleen toepasselijk is op het eerste deel van het vers dat gaat over het gebrek aan gastvrijheid, strekt de Jeruzalemse Talmoed (Jevamot 8:3) dit ook uit tot de tweede helft, door te verklaren dat het de mannen waren en niet de vrouwen die de diensten van Bilam huurden.

Er ontstaat een probleem betreffende de kennelijke beschuldiging aan het adres van beide volken, dat zij geen voedsel verschaft hadden. In Devariem 2:29 vertelt Mosjé aan Sichon, de Emoritische Koning, dat de Moabieten wel voedsel en drinken verschaft hadden aan zijn volk toen zij door hun land trokken. Dit leidt Ramban ertoe om te concluderen dat er twee gescheiden aanklachten opgesloten zitten in het hierboven genoemde vers. Zowel Ammon als Moav waren nakomelingen van Lot, die uit krijgsgevangenschap door Avrahem gered was. Dankzij Avrahams verdiensten werden hun moeders, de dochters van Lot en Lot zelf, gered van de vernietiging van Sedom. In plaats van deze goedheid terug te betalen, door iets goeds te doen voor de nakomelingen van Avraham, was elk van hen schuldig aan een slechte daad. Ammon weigerde voed­sel en drinken te geven en Moav, hoewel niet schuldig aan deze zonde, was verantwoordelijk voor het huren van Bilam, om Avrahams nakomelingen te vervloeken.

&

Levensonderhoud of privilege?

Jevamot 78a

Tijdens de regering van Koning David heerste er gedurende drie jaar een droogte. Na te hebben onderzocht aan welke zonden het volk schuldig was, om een dergelijke straf te verdienen en hij dat niet kon vinden, wendde David zich tot de Hemel voor een richtlijn, door de Oeriem weToemiem te raadplegen. Het antwoord was dat zijn voorganger, Koning Sjaoel, schuldig was aan het doden van de Givonitische bekeerlingen.

Waar, zo vraagt de Talmoed, vinden we dat Sjaoel Givonieten gedood heeft? Het antwoord is dat hij de Kohaniem in de stad Nov liet uitroeien, omdat hij hen ervan beschuldigde dat zijn samenzweerden met zijn rivaal David. Daar deze Kohaniem de bron voor water en voedsel waren van de Givonieten, werd dit beschouwd alsof hij hen gedood had.

Rasji legt uit dat het levensonderhoud van de Givonieten bestond uit hun diensten aan de Kohaniem van Nov, die hen voor deze diensten betaalden met voedsel en drinken. Dus toen Sjaoel de Kohaniem van Nov uit­moordde, beroofde hij de Givonieten van hun bron van inkomsten, iets wat gelijk staat aan moord.

Maharsja is het niet eens met deze verklaring en hij vraagt aandacht voor het antwoord van de Givonieten, toen David trachtte hen te verzoenen, om op deze manier een einde te brengen aan de droogte. Zij weigerden te verzoenen, met het argument: „Wij hebben geen rekening van zilver of goud met Sjaoel en zijn familie te vereffenen.” In plaats daarvan eisten zij de executie van zeven van zijn nakomelingen. Wanneer het enige verlies van de Givonieten bestond uit het verlies van hun bron van levensonderhoud, waarom kon dat dan niet gecompenseerd worden met goud en zilver?

Zijn conclusie is daarom, dat de Hemelse aanklacht tegen Sjaoel geen betrekking had op het levens­onder­houd waar de Kohaniem voor zorgden, maar dat het ging om het feit dat de Givonieten, in hun klassieke rol van „waterdragers en houthakkers” het belangrijke privilege genoten om de Kohaniem in hun behoeften te voorzien – water om te drinken en hout om te koken. Toen Sjaoel de Kohaniem vermoordde, verloren de Givonieten dit privilege: dit stond gelijk aan de dood, hetgeen niet door zilver en goud gecom­penseerd kon worden.

 &

Wanneer afstamming van vaders kant werkt

Jevamot 78b

Het is axiomatisch dat een kind, geboren uit een Joodse vader en een niet-Joodse moeder niet als Jood beschouwd wordt. Immers, de Joodse wet erkent patrilineale afstamming niet voor het Jood-zijn. Andere volken gaan echter juist wel volgens de patrilineale afstamming om de status van het kind vast te stellen.

Rabbi Jochanan past deze regel toe op een geval van een Kenaänitische vrouw die een kind krijgt van een man die niet behoort tot een van de zeven volken die de Joden moesten uitroeien. Dat kind wordt niet als een Kenaäniet beschouwd, zoals zijn moeder en hoeft dus niet gedood te worden en hij mag daarom gekocht worden als slaaf, daar hij de status van zijn vader heeft.

Deze regeling wordt door onze commentatoren gebruikt om een vers in Tora te verklaren, dat het heeft over een Joodse godslasteraar. Hij wordt beschreven als „de zoon van een Israëlitische vrouw en een Egyptische man ging uit naar het kamp van de Israëlieten” (Vajikra 24:10). Rasji verklaart dat hij tot het Jodendom bekeerd was. Tosafot vraagt waarom dat nodig was, als zijn moeder Joods was. Hij antwoordt dat aangezien de verhouding tussen de Egyptenaar en de Jodin plaatsvond voordat de Joden de Tora kregen [Rasji zegt dat de Egyptische vader dezelfde Egyptenaar was die Mosjé in Egypte doodde omdat hij een Israëliet sloeg] ook voor de Joden de patrilineale afstamming gold, net als voor alle andere volken en de godslasteraar moest als een Egyptenaar beschouwd worden, die de ceremonie van de bekering moest ondergaan om Jood te worden.

 &

Aangeboren of verworven

Jevamot 79a

„Er zijn drie eigenschappen die het Joodse volk van andere volken onderscheidt: ze zijn barmhartig, ze zijn verlegen en zijn doen veel aan liefdadigheid.”

Dit is hoe Koning David zijn volk aan de Givonieten beschrijft, die de executie van zeven zonen van Koning Sjaoel eisten als wraak voor hun lijden dat hij veroorzaakt had.

„Alleen iemand die deze drie karaktereigenschappen heeft,” concludeert hij, „is geschikt om zich bij ons volk aan te sluiten.”  [Misschien ook iets waar de Batei Din van tegenwoordig op zouden moeten letten bij hun oordeel of iemand als ger moet worden toegelaten (Zwi).]

Daar de onredelijke eis van de Givonieten duidelijk toonde dat zij deze karaktereigenschappen misten, besliste David dat zij de speciale status van netiniem zouden hebben en beperkt waren in hun huwelijks­moge­lijkheden binnen het Joodse volk.

Hoewel men hieruit de indruk zou krijgen dat deze eigenschappen in de „genen” van de Joden zou zitten, wordt er door Maharsja op gewezen dat dit niet het geval is. Het is waar dat G-d getuigd heeft dat Avraham Avinoe zijn kinderen rechtvaardigheid deed erven (Bereisjiet 18:19), maar de andere eigenschappen waren unieke giften van G-d aan Zijn volk. „Hij zal je [de eigenschap van] barmhartigheid schenken.” Dit was een speciale gift van G-d, zoals ook de bescheidenheid die mee kwam met de schenking van Tora (Sjemot 20:17).

&

De missende Levieten

Jevamot 86b

Hoewel Tora maäser risjon (het eerste tiende van landbouwproducten) aan de Levieten toekent, hebben zij hun recht op deze belangrijke bron van inkomsten verloren ten gevolge van een boete die hen door Ezra werd opgelegd:

„Ik heb hen verzameld,” schrijft Ezra over de Joden die hij uit Babylon naar Erets Israel leidde tegen het einde van de zeventig-jarige ballingschap, „en ik trof onder hen geen Levieten aan” (Ezra 8:15). Geërgerd door het feit dat de Levieten niet bereid waren zich aan te sluiten bij de pogingen om Erets Israël opnieuw bewoonbaar te maken, strafte hij hen door te verordenen dat de maäser niet langer aan hen gegeven zou worden. Volgens één mening zou de maäser alleen nog aan de armen gegeven worden. Volgens een andere mening zou het ook aan de Kohaniem gegeven kunnen worden, wanneer zij onrein waren, en zij niet van de troema mochten eten, waardoor zij verarmden.

Het probleem met deze verklaring is, zoals Tosafot opmerkt, dat de Misjna in Kiddoesjien (69a) de Levieten expliciet opnoemt als één van de tien groepen die uit Babylon naar Erets Israël optrokken. Dit blijkt ook duidelijk uit het vers (Ezra 1:5) waar de Levieten opgenoemd worden onder degenen die geïnspireerd werden om Ezra te volgen op zijn missie om het Beit HaMikdasj in Jeruzalem te herbouwen.

Rasji (in Kiddoesjien 69a) geeft het antwoord op dit mysterie. Toen de Babylonische machthebber Nevoechadnetsar de Joden gevangen nam, gaf hij opdracht dat zij voor hem de muziek zouden spelen, die zij in het Beit HaMikdasj hadden gespeeld. Hun heldhaftig antwoord staat opgetekend in Tehilliem (137:2-4): „Wij hebben onze harpen aan de wilgenbomen langs de rivieren van Babylon gehangen.” Zij hakten hun eigen duimen af, opdat zij niet meer zouden kunnen spelen en protesteerden: „Hoe kunnen wij het lied van Hasjem op vreemde grond zingen!” [Deze Psalm wordt dagelijks op werkdagen na een broodmaaltijd, vóór het dankgebed-na-de-maaltijd door tienduizende Joden over de hele wereld gezegd (Zwi).]

De Levieten die in Babylon geboren waren, hadden de mogelijkheid om hun muziekinstrumenten in het Beit HaMikdasj te bespelen, maar alleen de duimlozen, keerden met Ezra terug. Dit werd door Ezra beschouwd als een duidelijk gebrek aan belangstelling om het Beit HaMikdasj te herbouwen en daar de muziek van de Levieten weer te laten horen. Daarom strafte hij hen met de maäser.

De Missende echtgenoot

Jevamot 88a

Om opnieuw te mogen trouwen mag een vrouw zich verlaten op de getuigenis van één enkele getuige dat haar man dood is. Maar als haar man later opduikt, is zijn zowel voor hem verboden, als voor de man met wie zij intussen getrouwd is. [Immers, het is een getrouwde vrouw verboden om gemeenschap te hebben met een andere man en als zij dat toch had, wordt zij bovendien verboden voor haar eigen man.]

Wanneer echter twee getuigen beweren dat hij gestorven is en zij trouwt iemand anders op basis hiervan, dan hoeft zij haar huidige echtgenoot niet te verlaten volgens Rabbi Sjimon, zelfs niet als de eerste echtgenoot weer boven water komt.

Toen deze mening gesteund werd door de Geleerde Rav werd hij scherp aangevallen door de andere Geleerden in Erets Israël: „De vermiste echtgenoot staat voor ons en jij zegt dat zij haar nieuwe echtgenoot, die zij getrouwd heeft op basis van een foute veronderstelling, niet hoeft te verlaten!?”

De Gemara verklaart het standpunt van Rava door een situatie te beschrijven, waarin het Beit Din en het publiek de man, die beweert haar eerste echtgenoot te zijn, niet herkennen. Er zijn echter twee getuigen, die beweren dat zij hem kennen en die beweren dat hij de vermiste echtgenoot is, omdat zij vanaf het moment dat hij zijn huis heeft verlaten, bij hem gebleven zijn, tot nu toe. Het is daarom hun woord tegen het woord van de twee eerste getuigen die vertelden dat hij dood was. In zo een onbesliste situatie, als zij er zeker vanis dat dit niet haar eerste echtgenoot is, en zij is getrouwd met een van de getuigen, die getuigd heeft dat hij zag dat haar echtgenoot was gestorven, dan eisen we niet dat zij haar huidige echtgenoot verlaat.

Tosafot stelt een interessante vraag met betrekking tot de gevolgen van Rav’s standpunt, dat als het Beit Din en het publiek de man niet herkennen als de vermiste echtgenoot, de getuigenis van de twee getuigen betref­fende zijn dood genegeerd wordt. Daar er twee getuigen zijn  die zeggen dat zij hem hebben zien sterven, wat heeft het dan voor betekenis voor het Beit Din en het publiek in het algemeen om de man te herkennen die nu voor ons verschijnt als haar echtgenoot? Gezien het principe dat „twee getuigen gelijk staan aan honderd getuigen”, dan geldt dat als twee getuigen tegen twee getuigen onbeslist is, ook twee getuigen tegen honderd getuigen onbeslist is.

Tosafot beantwoordt deze vraag met een interessant inzicht in de kracht van getuigenis. Iets dat evident voor ons is, kan niet worden tegengesproken door iets dat zo sterk is als de getuigenis van twee getuigen. Wij kunnen zijn antwoord begrijpen door deze situatie te vergelijken met een waarin twee getuigen beweren dat het nu nacht is, terwijl het duidelijk dag is. De getuigenis van getuigen heeft alleen waarde om twijfels op te heffen, niet om duidelijke realiteiten uit te dagen.

 &

Het vuur uit de hemel

Jevamot 90b

Hebben de Geleerden de macht om iets recht tegen Tora in te verordenen?

De Misjna zegt dat als iemand met opzet rein graan vertiendt door daar onrein graan van af te scheiden voor de kohen, dan is zijn tiende ongeldig. Volgens R. Natan betekent dit dat deze troema volgens Tora geldig is, maar dat hij opnieuw moet vertienden, omdat hij het Rabbijns verbod om geen inferieur troema te geven, heeft overtreden. Maar Rav Chisda zegt dat zijn tiende volledig ongeldig is en zelfs dat wat hij opzij gezet heeft voor de kohen keert terug naar zijn tevel-status. [Men mag pas vertienden nadat troema is afgescheiden. Waar geen ma’aser en troema van is afgescheiden, heet tevel.]

Als steun voor zijn mening dat de Rabbijnen een Tora-gebod kunnen tegenspreken, haalt hij een Baraita aan: „Je zult hem gehoorzamen” (Dewariem 18:15), zelfs al zegt hij je dat je nu Tora moet overtreden, zoals in het geval van Eliahoe op de berg Carmel. [Daar, om te bewijzen dat de afgoden vals waren, had Eliahoe het volk gevraagd om buiten het Beit Hamikdasj een offer te brengen, hetgeen ver­bo­den was.]

Deze steun wordt door de Gemara verworpen, omdat het daar gaat om een buitengewone maatregel in een noodtoestand, waar het volk naar afgoderij afdrijft, te corrigeren. Het kan daarom niet als voorbeeld dienen.

Tosafot betwijfelt de juistheid van de vergelijking tussen de macht van een profeet en die van de Geleerden. De Gemara (Sanhedrin 89b) benadrukt dat men het gebod van een gevestigde profeet moet opvolgen en noemt als voorbeeld Jitschaks instemming om te worden geofferd wegens Avrahams profetie en de gehoorzaamheid van het volk aan Eliahoe’s bevel om buiten het Beit HaMikdasj te offeren. Waarom, zo vraagt Tosafot moest Eliahoe een gevestigde Profeet zijn als hij dezelfde autoriteit had in zijn capaciteit als het hoofd van de Geleerden van zijn generatie?

Hij antwoordt dat de noodmaatregel op de berg Carmel alleen gerechtvaardigd was als het zeker was dat er vuur uit de hemel zou komen. Alleen een gevestigde profeet kon er vertrouwen in hebben dat de verdiensten van zijn gebeden dat effect zouden bereiken.