Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
12 Sivan 5763 Traktaat Horajot Nr. 15

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 209 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

11b Men zalft geen koning die de zoon is van een koning

De chazan die zijn stem verloor

Onze gemara legt uit dat het koningschap geërfd wordt door de zoon van de koning en Rambam zegt het­zelfde [Hilchot Melachiem 1:7]:  „en daar zij de koning zalven… erven zijn zonen het voor eeuwig, want koningschap is een erfenis … en niet alleen koningschap maar al de aanstellingen onder de Joden zijn een erfenis voor zijn zonen en zijn zoons zonen, enzovoort.” Op een andere plaats [Hilchot Klei Hamikdasj 4:20] benadrukt Rambam: „Dit leert  dat het koningschap erfelijk is en hetzelfde geldt voor iedere positie in Israel: wie het verkrijgt, die verkrijgt het voor zijn nakomelingen.” Natuurlijk, Rambam vermeldt erbij dat dit alles alleen van toepassing is als de zoon „zijn vaders wijsheid overneemt of diens vrees voor Hasjem, zelfs al is hij niet zo wijs.”

Alleen een zoon kan de positie van zijn vader erven: We zouden geneigd kunnen zijn te veronder­stellen dat alle familieleden van de persoon die een positie bekleedt en die eigendom kunnen erven, ook een openbaar ambt kunnen erven. Echter sommigen leren uit Rambams zinsconstructie – „een erfenis aan zijn zonen en aan zijn zoons zonen… erft het voor zijn nakomelingen” – dat alleen zijn zonen een publiek ambt kunnen erven [zie Responsa Avnei Nezer , J.D. 312, ot 56].

Een 13 jaar oude rabbijn: Een interessant voorbeeld van de erfenis van een rabbijnse positie vond plaats in Frankrijk ongeveer 450 jaar geleden, toen een plaatselijke rabbijn overleed en de gemeente Rabbijn Mosjé Alsheich voor hem in de plaats wilde aanstellen. Maar Rabbijn Sjlomo Alkabetz voor­kwam de aanstelling en gaf opdracht te wachten totdat de zoon van de overleden rabbijn bar mitswa zou worden. Toen het kind 13 jaar werd, werd hij aangesteld als hun rabbijn.

Een generatie gaat en een generatie komt en de natuurlijke gang van zaken heeft zijn beloop, dit hala­chische onderwerp betreft vele gemeenschappen. De Chatam Sofer zt’l [Responsa  O.Ch. 13] werd eens gevraagd over een gecompliceerde affaire toen een „hoogste rabbijn” overleed. De leiders van de ge­meente vroegen zich af of zij zijn zoon zouden aanstellen, een talmid chacham en een G‑dvrezend persoon, of een ander bekend en buitengewoon talmid chacham.

Een opperrabbijn moet andere rabbijnen kunnen leiden: De Chatam Sofer antwoordde dat in dit geval de zoon niet geholpen werd door zijn erfenis daar de essentie van het opperrabbinaat is om als rabbijn te fungeren voor de andere rabbijnen en hen te leiden bij gecompliceerde aangelegenheden. Het is onjuist, schreef hij, om iemand aan te stellen als „hoogste rabbijn” wanneer er grotere rab­bijnen dan hij zijn. Het is interessant om zijn slotwoorden te citeren: „In ieder geval schijn ik doornen te gooien in de ogen van vele rabbijnen. Daarom, wanneer de zaak zich voordoet, hebben wij geduld en wijsheid nodig en de tijd zal bewijzen dat wij gelijk hebben.”

Wij zullen nu verdergaan met een ander aspect van het erven van ambten. Soms voelt de houder van een  ambt dat hij te zwak is om ermee verder te gaan. Mag hij zijn ambt bij zijn leven overdragen aan zijn zoon?

Een erfenis bij het leven van de ouder: Ogenschijnlijk kan een erfenis alleen maar plaatsvinden na het overlijden van een ouder en niet zolang deze nog in leven is. Maar de halachische autoriteiten die dit onderwerp bespreken, noemen het geval van de chazan die de aandacht trok van de Rasjba [Responsa I:300] toen hij zijn stem kwijtraakte, en die wilde dat zijn zoon voor hem in de plaats werd aangesteld. De Rasjba bepaalde dat hij dat mocht doen en de halacha is overeenkomstig vastgesteld [Rema O.Ch. 53:25].

In zijn Emek Beracha [p. 14], noemt HaGaon Rav Arjé Pmeranchick zt”l dat ons verteld wordt over de erfenis van bezittingen: „Wanneer iemand zal sterven… dan zul je zijn erfenis doen overgaan…” [Bamidbar 27:8], terwijl er geschreven staat over de erfenis van het koningschap, waarvan wij de verer­ving leren van andere functies: „…opdat de dagen van zijn koningschap, hij en zijn zonen verlengd zullen worden…” [Dewariem 17:20]. Met andere woorden hij en zijn zonen worden samen genoemd en het koningschap van zijn zonen is niet afhankelijk van zijn dood. Hij leert ons nog meer interessants over onze soegia, waar ons verteld wordt dat „wij geen koning zalven die de zoon van een koning is.” Met andere woorden, de zoon van een koning heeft geen zalving nodig, want hij erft het koningschap. Tussen haakjes, de gemara legt uit dat Sjlomo het koningschap erfde en regeerde terwijl zijn vader nog in leven was en hij moest alleen maar gezalfd worden omdat Adonia hem het koningschap betwistte.

Verder bewijs dat het erven van een ambt niet afhankelijk is van iemands overlijden wordt gegeven door Avnei Nezer [Responsa ot. 56] op de gemara [Soeka 45b] waar Jotam geprezen wordt [zie Rasji t.p. s.v. Jotam]. Hoewel Jotams vader, Koning Oezia, melaats werd en uit zijn koningschap gezet werd, zoals in onze gemara [10a] verklaard wordt, besteeg Jotam toch niet de troon voor de dood van zijn vader en de gemara prijst hem voor deze buitengewone nederigheid.

11b De scepter zal niet wijken van Jehoeda

De hiërarchie van de regering bij de Joden

Onze soegia leert ons de hiërachie van de regering: de koning, de scepter [sjevet], de wetgever [mechokeek], de reisj galoeta [de leider van het volk in ballingschap], enz. HaGaon Rav Jitschak Zeëv van Brisk zt’l  beschrijft het regeringssysteem van de joden,  zoals het door Tora is vastgesteld [HaGriz HaLevi op de Tora, Dewariem 31:7].

Er zijn twee vooraanstaande ambten in Israël, de koning en de president [nasi] van het Sanhedrin – en de Tora waarschuwt ons voor hen: „…en een nasi van je volk zul je niet vervloeken” [Sjemot 22:27]. In zijn commentaar op de Tora [t.p.] definiëert Ramban de positie van de koning en de nasi: de koning is het hoofd van de burgerlijke  regering en de nasi leidt de regering in naam van Tora [zie daar].

Onze gemara leert ons het verschil tussen een koning en een nasi wanneer het zegt: „‘De scepter zal niet wijken van Jehoeda’, dit is de leider van de ballingschap in Babylonië, die Israël regeerde met een roe [met macht]; ‘en een wetgever van tussen zijn benen’ dat zijn de zonen van de zonen van Hillel [een nasi], die in het openbaar Tora onderwijst.”

In de hele geschiedenis hebben slechts twee mensen zowel als koning als nasi geregeerd. De eerste was Mosjé, die koning was, zoals de gemara uitlegt [in Zevachiem 102a] en die hoofd was van het Sanhedrin, zoals de gemara vertelt [Sanhedrin 2a]. De tweede was zijn leerling Jehosjoea, die koning was [Joma 73b] en nasi van het Sanhedrin [Sanhedrin 13b, dat uitlegt dat Mosjé zijn handen op hem legde om hem in zijn plaats aan te stellen en een koning wordt niet aangesteld met handoplegging].

Het verschil tussen een koning en een nasi: De autoriteit van de koninklijke regering is onbegrensd en vindt zijn oorsprong in zijn positie. Aan de andere kant is de autoriteit van de nasi afhankelijk van de overige leden van het Sanhedrin en zijn regering is niet geheel onafhankelijk.

12a

Hamans bewijs betreffende Sjawoeot

Weliswaar hebben wij nog maar pas Sjawoeot achter de rug, maar het is toch wel interessant om het volgende bewijs te lezen dat vele jaren geleden gepresenteerd werd door een niet bepaald betrouwbaar persoon: „In de maand Sivan gaan zij de synagoge binnen en vervloeken de koning en zij noemen die dag Sjawoeot en dan klimmen zij op het dak en gooien met appels en verzamelen die weer en zeggen: ‘Net zoals wij deze appels verzamelen, mogen zo de niet-Joden, onze vijanden, uit ons midden ingezameld worden’.”

De getuige was Haman, die de Joden wilde belasteren in de ogen van Achasjveros [Midrasj Aba Gurion, p. 26; Midrasj Agadat Esther, . 16]. Bij die gelegenheid onthulde Haman ook de reden voor die gewoonte, hetgeen vol­gens onze gemara is dat „een symbool betekenis heeft” [simana milta]. Met andere woorden, er zijn symbolen voor bepaalde verzoeken, zoals het eten van allerlei simaniem op Rosj Hasjana, en de gewoonte om appelen in te zamelen is ook een goed symbool voor de inzameling van de Joden van tussen hun vijanden.

Het gooien van appels op Sjawoeot: Het was een Marokkaanse gewoonte vele jaren geleden. Tussen haakjes, Rav J. Tessler citeert een interessante getuigenis [Kovets Tsants-Klauzenburg USA, deel1]: „In vroegere tijden hadden ze de gewoonte op Sjawoeot, om met appels te gooien van de vrouwengallerij, terwijl er met de sifrei Tora gedanst werd, en de kinderen raapten ze op.” [Jahadoet HaMagreb – Mesorot Oeminhagiem, p. 293].

De boomgaard zorgde voor de appels voor de synagoge: Deze oude gewoonte werd gecopiëerd op Simchat Tora, wanneer de Chatan Tora en Chatan Bereisjiet appels plachtten te gooien naar de gemeente, die ze opraapte en verzamelde. Sommigen deden dit in de synagoge, anderen deden het op de binnenplaats [Minhagiem devei Maharam MeRotenburg, pp.69-70]. In Worms waren de Chataniem gewoon om in een speciaal huis bij elkaar te komen met hun families, waar veel fruit voor dat doel werd voorbereid en dat gedurende vele jaren geplukt werd uit een boomgaard die door een niet-Jood geschonken was op voorwaarde dat zij voor dit doel het fruit zouden plukken. Later, na de Dertigjarige Oolog, die eindigde in het jaar 5408 [1648] werd de boomgaard vernield, maar de gemeenschap behield de minhaĝ [Minhaĝiem Dikehilat Kodesj Vormaiza pp. 227-28]. Deze gewoonte, met een klein verschil, bestond ook in Polen en Hongarije en wordt tot in onze tijd gehandhaafd door bepaalde chassidische groeperingen [zie Kovets Tsants-Klauzenburg, USA, deel 1, artikel door Rav J. Tessler, die de geschiedenis van deze minhaĝ beschrijft en de minhaĝ van de Tsantser Rebbe zt’l, die zelfs wonderen verrichtte met deze appels]. Bewijs van deze gewoonte wordt gevonden in halachische werken. Zo bijvoorbeeld waarschuwt Rabbijn Josef Teomim, schrijver van Prie Megadiem [669, en zie in Baer Heteev en zie ook 171] dat men de appels niet  naar een afschuwelijke plaats mag gooien omdat men geen voedsel mag vernietigen [bal taschit]. Lange tijd daarvoor waarschuwde Rabbijn Ja’akov HaLevi Molin, de leider van de Asjkenazische Joden 600 jaar geleden, dat vrouwen geen fruit op Jom Tov mochten kopen [Maharil, Hilchot Jom Tov, p. 182] en zijn leerling Rabbijn Ja’akov – Mahari Weil [Responsa Mahari Weil, 191] waarschuwde: „De chataniem moeten het fruit vóór jom tov kopen. Rabbijn Eliahoe Sjapira, auteur van Elia Raba [335:5] bespreekt waarom het is toegestaan om het fruit om jom tov te verzamelen, daar chazal verboden heeft fruit in een doos te verzamelen.

10b Iemand moet zich altijd bezighouden met de studie van Tora en mitswot, zelfs voor oneigenlijke motieven

Men moet altijd Tora leren, zelfs voor oneigenlijke redenen

Onze soegia legt uit dat hoewel wij eigenlijk Tora moeten leren lisjma – om zichzelf, om der wille van Tora – met andere woorden,  als doel op zich en niet als een middel tot iets anders, iemand ook Tora moet leren als hij dat doet om andere redenen, want op den duur komt hij ertoe om Tora te leren om der wille van het Tora-leren. In tegenstelling tot wat er in onze gemara staat, citeert Tossefot [Berachot 17a, beg.w. Ha’osé sjelo lisjma] een andere gemara: „en ieder die niet leert om Tora te leren, had beter niet geboren kunnen worden.” Er wordt uitgelegd dat beide soegiot op verschillende omstandigheden slaan. Onze gemara heeft het over iemand die Tora leert om eer en aanzien te verkrijgen. Over hem zegt de gemara dat hij uiteindelijk ertoe komt om Tora te leren lisjma. De gemara in Berachot heeft het over iemand Tora leert om anderen tegen te spreken en over zo iemand zegt de gemara, die had beter niet geboren kunnen worden.

De meeste Risjoniem accepteren de mening van Tossefot [Tossefot HaRi Sirleion, Berachot 17a; Sefer Chassidiem 289; Tossafot HaRosj, Berachot 17a, e.a.]. De Ritva echter [Joma 72a] is strenger en meent dat Tora-leren voor de eer ook verboden is. Hij zegt dat onze gemara het heeft over iemand die leert uit angst voor straf, maar die uiteindelijk Tora leert lief te hebben.

Wat moet iemand doen als hij er niet in slaagt om een niveau van Tora-leren te bereiken om het leren zelf? Is er een doel voor zijn leren? [Zie Divrei Sjaoel, Megilla 18a,de autur van Sjoël Oemeisjiev]. De Netsiv zt’l [responsa Meisjiv Davar I,44] legt uit dat onze gemara bedoelt dat zelfs als iemand niet het niveau bereikt om Tora te leren om het leren zelf, dat dan de volgende generatie, die de vader volgt, Tora zal leren om het leren zelf.  Daarom is het de moeite waard om Tora te leren, ook als het niet om het leren zelf is, zelfs al doet men dat zijn hele leven lang [zie daar, waar hij dit bewijst uit Sanhedrin 105b].

HaGaon Rav Chaim uit Volotzin beweert [Nefesj Hachaim in de perakiem, hoofdstuk 3], dat het niet zo kan zijn dat iemand zijn hele leven alleen maar leert voor de eer. Volgens hem belooft de gemara, als het zegt dat iemand altijd Tora moet leren, ook als dat niet om het leren zelf gaat, dat iemand die continu Tora leert, na enige tijd Tora gaat leren om het leren zelf. Aan de andere kant, niemand zegt dat hij alleen maar Tora leert om het Tora-leren, maar hem wordt beloofd dat een deel van zijn leren zal zijn om het leren zelf, en zo wordt heel zijn leren verhoogd.

Ten slotte, „om zichzelf” – lisjma – betekent iets. Volgens Rabbi Jehoeda HeChasid [Sefer Chasidim 944], betekent lisjma dat de lerner moet denken: „Alles wat ik leer, daaraan zal ik mij houden.” De Chatam Sofer [op Nedariem 81a] definiëert het aldus: Wie leert met als enige doel om te weten hoe hij de mitswa moet doen, leert niet op het hoge niveau van lisjma, want het kan niet zo zijn dat leren hoe men de mitswa moet doen belangrijker is dan het doen van de mitswa zelf. Ons wordt verteld dat Tora „beschermt en redt” ten alle tijde, in tegenstelling tot de mitswa, die iemand alleen maar beschermd op het moment dat hij de mitswa uitvoert. Alleen iemand die leert om te leren, zoals Hasjem ons geboden heeft, bereikt het niveau van leren lisjma [en zie Nefesj Hachaim, sja’ar 4, hfdst. 3 en Roeach Chaim opAvot6:1]. In zijn Chidoesjiem op Pesachiem 53b schrijft de Chatam Sofer nog dat iemand die lisjma leert, in gedachten moet houden dat zijn leren zijn gedachten moet doen richten op de wil van Hasjem.

Wij wijzen erop, dat zelfs al iemand niet lisjma leert, zijn gedachten erop gericht moeten zijn dat hij uiteindelijk lisjma zal leren [Ma’alot HaTora 52 in de nieuw editie].

11a Wanneer vormt leiderschap een onderbreking? Bijvoorbeeld als iemand de hoeveelheid van een halve kezajit chelev eet als een gewoon burger, en dan wordt hij aangesteld als Nasi, en dan verlaat hij die functie weer, en hij eet dan verder [de andere helft].

Kedei achilat peras

Een van de belangrijkste momenten van de Sederavond is wanneer wij een kezajit matse eten binnen de tijd die nodig is om een peras brood te eten [kedei achilat peras]. Een peras is een half brood. Een heel brood is een derde van een kav en een kav heeft het volume van 24 eieren. Met andere woorden, we moeten de matse eten binnen de tijd dat het duurt  om een hoeveelheid brood te eten ter grootte van vier eieren.

Acht meningen over kedei achilat peras: Tot zover is alles duidelijk, maar we moeten wel vaststellen hoeveel tijd het kost om een hoeveelheid brood te eten ter groottevan vier eieren. De meningen variëren van twee tot negen minuten. Sommigen zeggen dat het negen minuten duurt [zie Misjna Beroera 618:21, in naam van de Chatam Sofer]. Sommigen zeggen, in naam van de Ba’al HaTanja dat dit acht minuten duurt.  Sommigen zeggen zeven minuten [Kaf HaChajiem 210:8] en anderen zeggen zes minuten [Responsa Tsemach Tsedek Hechadasj 9]. Weer anderen menen dat een kedei achilat peras maar vijf minuten in beslag neemt [Techelet Mordechai in het voorwoord, ot 10], terwijl anderen menen dat het vier of zelfs maar drie minuten duurt [Aroch Hasjoelchan, 202:8]. En tenslotte is er de mening dat het slechts twee minuten duurt [zie Responsa Chatam Sofer VI, 16 en 23].

HaGaon Rav J.S. Eliasjiv merkt op dat de mening dat kedei achilat peras  twee munuten duurt, twijfelachtig is, in het licht van de gebeurtenis die in onze soegia beschreven wordt, volgens welk het mogelijk is dat iemand een halve kezajit van verboden vet [chelev] eet, vervolgens als nasi van het Sanhedrin wordt aangesteld, daarna uit die functie ontheven wordt en dan nog een halve kezajit van het chelev eet [waardoor hij nu verplicht wordt een chataat-offer te brengen,want dat is men alleen verplicht als men de minimum hoeveelheid van een kezajit heeft gegeten]. En dat alles binnen de tijd van kedei achilat peras. Zou het kunnen zijn dat iemand in twee minuten een halve kezajit van iets eet, als nasi van het Sanhedrin wordt aangesteld met instemming van alle rechters van het Sanhedrin, van zijn post ontheven wordt en nog een halve kezajit eet? [Sjabbat Sjabbaton p.340].

Hoe de Marchesjet van Wilna de afstand berekende van Sjiloach naar Magdion: In dit verband moeten wij een fascinerende berekening noemen die gedaan werd door de auteur van Marchesjet, de Rabbijn van Wilna: De Tosefta in Zaviem, hoofdstuk 1, zegt dat de tijd die nodig is om te lopen van de Sjiloachbron naar een bepaalde plaats in de Tempel, die Magdion genoemd werd, gelijk is aan de  tijd die nodig is om zich tweemaal onder te dompelen en af te drogen. Gebaseerd op deze Tosefta berekent de Marchesjet de afstand tussen Sjiloach en Magdion als volgt:

De gemara in Keritot 13a schat dat de hoeveelheid tijd die iemand nodig heeft om zich onder te dompelen iets minder is dan kedei achilat peras. Voorts weten wij dat een wandeling van Sjiloach naar Magdion viermaal de tijd van kedei achilat peras is, want dat is de tijd die nodig is om zichzelf twee maal onder te dompelen en tweemaal af te drogen en iedere onderdompeling en iedere afdroging duur even lang als een kedei achilat peras [Chatam Sofer]. Nu moeten we nog uitvinden hoeveel amot iemand kan lopen in de tijd van een kedei achilat peras. De gemara in Soekka 26a legt uit dat de tijd die het duur om de volume-hoeveelheid van een ei te eten, gelijk is aan de tijd die het kost om 100 amot te lopen. Wanneer een peras gelijk is aan vier eieren, kan iemand dus 400 amot lopen in de tijd dat hij een kedei achilat peras eet. Het duurt vier kedei achilat peras om van de Sjiloachbron naar Magdion te lopen, dus dat was een afstand van 1.600 amot [Midot Wesji’oereo Tora, hfdst. 20:86].