Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   8 Chesjwan 5768

Traktaat Jevamot 91-106 Nr.150 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Verbod of nietigverklaring

Jevamot 92b

Het verbod dat een jevama [1] geen buitenstaander mag trouwen is geformuleerd op een manier die voor twee inter­pretaties vatbaar is:

„De vrouw van de overledene,” zegt Tora (Devariem 25:5) „zal niet buiten de familie met een vreemde-ling trouwen.”

De Geleerde Rav begrijpt hieruit, dat dit de manier van Tora is, om te zeggen dat ieder huwelijk met een buitenstaan­der ongeldig is en dat, wanneer dat toch gebeurd is, er geen echtscheiding nodig is om het huwelijk op te heffen, want er is dan geen geldig huwelijk. Hoewel de algemene regel volgens de meer-derheid van de Geleerden is, dat een huwelijk, dat gesloten is ondanks dat dat verboden is op straffe van geseling, beschouwd wordt als van kracht te zijn en dat er een echtscheiding nodig is om het te beëindigen, wordt er een uitzondering gemaakt voor een buitenstaander die met een jevama trouwt.

Dit standpunt wordt door de Geleerde Sjmoeël betwist. Hij heeft bepaald dat zo’n huwlijk inderdaad geldig is en dat er een echtscheiding nodig is om het te beëindigen. De verklaring van zijn standpunt is dat hij twijfels heeft of de woorden „zal niet trouwen” opgevat moeten worden zoals Rav dat doet, namelijk dat dit betekent dat een dergelijk huwelijk nietig is, of dat het alleen een verbod op een dergelijk huwelijk betekent.  In dit laatste geval valt het in de algemene categorie van verboden huwelijken die een echt-scheiding nodig hebben om ze te ontbinden.

Tosafot (Jevamot 49b) wijst erop, dat, in tegenstelling tot de indruk die valt op te maken uit de woorden van Rasji, Rav ermee instemt dat er een absoluut verbod bestaat tegen een huwelijk van een jevama met een buitenstaander, maar dat de formulering van het verbod erop wijst dat zulk een huwelijk niet geldig is en dus ook geen echtscheiding nodig heeft.

&

Hoe groot is haat

Jevamot 93b

De haat van haters is groter dan de liefde van minnaars

Dit is een wet van de menselijke natuur die op een aantal plaatsen van ons traktaat tot uitdrukking komt. Eén daarvan heeft betrekking op de vraag in hoeverre wij kunnen afgaan op één enkele getuige, die iets zegt over de veranderde status van een vrouw.

Zo is het bijvoorbeeld voldoende wanneer één enkel persoon getuigt dat de echtgenoot van een vrouw overleden is. Zij mag dan met iemand anders trouwen. Er zijn twee redenen waarom wij hem geloven: ten eerste wordt verondersteld dat iemand niet liegt wanneer bijna onvermijdelijk zal blijken dat hij liegt (namelijk wanneer de doodge­melde echtgenoot levend verschijnt).

De andere reden is dat we veronderstellen dat de vrouw uiterst zorgvuldig te werk zal gaan om zich ervan te verzekeren dat de feiten over zijn dood juist zijn, voordat zij met een ander trouwt, omdat zij zich bewust is van de ernstige consequenties als haar doodgewaande echtgenoot in leven blijkt te zijn [immers, als de „dode” blijkt te leven, dan is zij nog met hem getrouwd en moet zij scheiden van zowel haar nieuwe, als van haar eerste echtgenoot.]

Wat gebeurt er als één enkele getuige aan een kinderloze weduwe vertelt dat haar kinderloze man is overleden en zij vervolgens met haar javam (zwager) trouwt volgens de wet van jibboem (het zwagerhuwelijk)? De eerste overweging betreffende de geloofwaardigheid van de getuige, namelijk zijn vrees om als leugenaar aan de kaak te worden gesteld, geldt ook hier. Maar wat betreft de tweede factor, namelijk of de vrouw inderdaad zorgvuldig de juistheid van de bewering zal controleren, bestaat twijfel, omdat zij misschien verliefd is op de javam, hetgeen haar oordeel beïnvloedt, waardoor zij gelooft wat in haar voordeel is.

Hetzelfde probleem ontstaat wanneer een enkele getuige vertelt dat een vrouw, die onbetwistbaar de weduwe van een kinderloze man is, niet gebonden is aan haar javam, omdat die gestorven is (of dat haar man wel een zoon had). Ook hier geldt het probleem van de angst om te worden uitgemaakt voor leugenaar, maar of de vrouw zorgvuldig de waarheid zal uitzoeken, is niet zo zeker, want het kan zijn dat zij zo een hekel heeft aan de javam, dat zij graag bereid is om de getuige te geloven, zodat zij van de javam bevrijd is.

Volgens één mening in de Gemara negeren we het motief van liefde voor de Javam als een factor, die haar objectiviteit kan beïvloeden en de vraag blijft dan alleen open in het tweede geval, waar haat voor de javam haar oordeel kan beïnvloeden. Eén reden voor dit verschil in benadering is, zegt Tosafot, dat „ De haat van haters groter is dan de liefde van minnaars.”

&

Wees op uw hoed voor woede

Jevamot 96b

Toen Rabbi Elazar niet vertelde dat de bron van een belangrijke beslissing, die hij in het openbaar verkondigd had, zijn leraar Rabbi Jochanan was, ontstak deze laatste daarover in grote woede.

In een poging om zijn woede, op een in zijn ogen ongepast gedrag van zijn leerling, te kalmeren, herinnerden een paar andere vooraanstaande leerlingen van R. Jochanan hem aan een tragedie die het resultaat was van een gebrek aan vreedzame relaties tussen Geleerden.

Het vond plaats in een synagoge in Tiberias, waar een verhit debat plaatsvond over een halachische zaak. Rabbi Elazar en Rabbi Jossi waren zo gepassioneerd bij de uiteenzetting van hun conflicterende meningen, dat de Tora-rol, waaruit zij leerden, scheurde doordat zij hem allebei naar zich toe trokken.

Toen Rabbi Jossi ben Kisma dit zag, gaf hij het profetische commentaar dat het hem niet zou verbazen als die synagoge uiteindelijk gebruikt zou gaan worden als een huis voor afgodendienst. En zo gebeurde het ook!

Maharsja legt uit dat dit een rehabilitaite was van wat onze geleerden zeggen (Nedariem 22b), dat „Iemand die kwaad wordt, de G-ddelijke aanwezigheid niet erkent.” Wanneer op die manier de G-ddelijke aanwezigheid verwijderd is, dan is de weg naar afgodendienst geplaveid.

Er mag misschien gesuggereerd worden dat deze gebeurtenis, die ons op dramatische wijze een belangrijke les leert betreffende het gevaar van kwaadheid, ook een uitdrukking is voor de vaak aangehaalde vergelijking door onze Geleerden in de Zohar en Midrajsiem tussen woede en afgoderij.

&

De grenzen van immuniteit

Jevamot 99b

Hoever strekt de G-ddelijke bescherming van de rechtvaardige tegen onbedoelde zonde zich uit?

Deze vraag komt op in verband met een gebeurtenis rondom Rabbi Elazar bar Tsaddok. Hij zag eens hoe troema gegeven werd aan een bepaalde Jood. In de veronderstelling dat die man een Kohen moest zijn, verscheen hij voor een Beit Din en getuigde daar dat dit inderdaad zijn status was.

Toen hij later over deze gebeurtenis vertelde, verklaarde hij dat dit de enige keer in zijn leven was dat hij ooit ergens een getuigenis over had afgelegd, en dat bleek dat hij een slaaf bij vergissing voor een kohen had aangezien. Naar aanleiding hiervan komen twee vragen op: hoe kon deze Geleerde zo’n fout maken, en wat gebeurde er ten slotte?

Net zoals een kohen troema mag eten, zo mag zijn niet-Joodse slaaf dat ook. Maar wanneer zo’n slaaf op de plaats waar het uitgedeeld wordt, troema krijgt, dan bestaat het gevaar dat toeschouwers hem ten onrechte voor een kohen aanzien en hem bepaalde huwelijksrechten toekennen, die de Tora aan een slaaf onthoudt. Rabbi Jehoeda’s oplossing voor dit probleem was dat men alleen troema aan een slaaf uitdeelt, als zijn meester erbij is, zodat het voor iedereen duidelijk zou zijn dat hij de troema alleen kreeg als slaaf van een kohen. Rabbi Jossi daarentegen maakte niet een dergelijke beperking, maar bepaalde dat men geen getuigenis kon accepteren over iemand dat hij een kohen was, omdat hij troema had gekregen.

Rabbi Elazar bar Tsaddok zag hoe de slaaf troema kreeg in een stad die de regeling van Rabbi Jossi volgde, waar slaven troema krijgen, ook als hun meester er niet bij aanwezig is. Hij getuigde vervolgens over de status van die man in een stad, waar men de bepaling van R. Jehoeda volgde, en waar slaven geen teroema krijgen als zij alleen komen. Zijn fout was dat hij ten onrechte veronderstelde dat overal dezelfde wet gold.

Maar, vraagt nu de Gemara, verhief het Beet Din de status van de slaaf inderdaad tot kohen op basis van de getuigenis van deze vergissing? Nee, zegt de Gemara, maar het was wel bijna gebeurd.

Rasji suggereert hier in zijn commentaar dat de Gemara zich hier af vraagt hoe een Geleerde een dergelijke fout kan maken, als geldt dat „indien Hasjem zelfs de dieren van de rechtvaardigen beschermt tegen zonde, dan zal Hij zeker de rechtvaardige zelf daartegen beschermen.” Rasji wijst erop dit betrekking heeft op de ezel van Rabbi Pinchas ben Jaïr, die weigerde in een herberg, waar zij overnachtten, graan te eten dat niet vertiend was (Choellien 7b).

Tosafot verwijdert deze referentie echter uit de tekst, omdat hij meent dat G-ddelijke bescherming van een rechtvaardig persoon tegen zonden beperkt is tot bepaalde gevallen, zoals die welke genoemd worden in Choellien en in Gittin (7a), waar de tsaddiek zelf is gevaar is dat hij verboden voedsel zal eten. De reden voor bescherming is daar omdat het een grote schande is om ongeschikt voedsel te eten. Maar zulke bescherming bestaat niet in gevallen als van Rabbi Elazar, en de Gemara suggereert dus niet dat een ongelukkige conclusie mogelijk zou zijn.

&

Kracht in onze botten

Jevamot 102b

„Moge het Uw wil zijn… deze maand… geef ons een lang leven… en een leven van kracht in onze botten…”

Dit gebed, gebaseerd op het dagelijks gebed van de Geleerde Rav (Berachot 16b), is ons bekend van dat wat wij zeggen op de Sjabbat vóór Rosj Chodesj. Wij vragen er om een lang leven, materiële voorspoed en geestelijk succes. Hoe komt chiloets atsamot — kracht in onze botten – in deze lijst van essentiële dingen terecht?

Het antwoord ligt in het commentaar van Rabbi Elazar in onze Gemara, dat van al de zegeningen die de Profeet Jesjajahoe opnoemt als beloning voor vriendelijkheid voor de armen, de meest belangrijke is dat „Hij kracht geeft aan je botten” (Jesjajahoe 58:11).

Maharsja legt uit dat dit één van de elf zegeningen is die Hasjem geeft aan diegenen die de armen troost met vriendelijke woorden en aanmoediging (Bava Batra 9b). Het is speciaal omdat het betrekking heeft op de zorg voor iemands fysieke gezondheid. Het Hebreeuwse woord etsem beteken zowel essentie als bot, omdat de botten de essentie vormen van iemands fysieke capaciteit. Al de andere zegeningen in dit gedeelte van Jesjajahoe (58:10-13) hebben betrekking op zaken die buiten het lichaam vallen en ze zijn daarom niet zo belangrijk voor het func­tio­neren als de kracht van de botten.

Wat de Geleerde Rav in gedachte had bij zijn dagelijks gebed, en wij met onze maandelijkse beracha voor de nieuwe maand, is niet noodzakelijk body-building en lichamelijke oefeningen als een cultuur, gebaseerd op fitness als een doel op zich, maar meer als een Hemelse zegening voor een goede gezondheid en energie, die ons in staat stelt onze Schepper beter te dienen.

&

Steunpilaren voor een langer leven

Jevamot 105a

„Ik heb daarom betreffenden het huis van Eli gezworen dat voor de zonde van het huis van Eli nooit verzoening zal kunnen worden gedaan door middel van een dier- of meeloffer” (Sjmoeël 13:14).

Dit was het zware vonnis door de Hemel uitgesproken over de nakomelingen van de Kohen Gadol Eli, wegens de schandelijke manier waarop zijn beide zonen zich gedroegen met betrekking tot de offers in het Heiligdom te Sjilo. Het resultaat was dat al zijn nakomelingen op zeer jonge leeftijd stierven.

De twee uitzonderingen waren de Geleerden Rabba en Abbajé. De eerste werd meer dan tweemaal zo oud als de andere nakomelingen en stierf op de leeftijd van 40 jaar, terwijl de laatste 60 jaar werd.

„Dier- en meeloffers kunnen geen verzoening bereiken,” verklaarde Rabba, „maar Tora-studie kan dat wel.”

Abbajjé gaf een soortgelijke verklaring voor zijn relatief hoge leeftijd, maar voegde aan de Tora-studie de verdienste van liefdadigheid toe.

Maharsja vraagt onze aandacht voor de Misjna in Pirkei Avot (1:2) waar staat: „Op drie dingen rust de wereld : op Tora, op de [offer-] dienst en op liefdadigheid.” Daar de zonen van Eli de offers ontheiligden, was het onmogelijk dat een dergelijke offerdienst verzoening zou kunnen doen voor hun zonde, want een aanklager kan niet tevens dienst doen als verdediger. Dit laat de beide andere steunpilaren – Tora en liefdadigheid – open als de overblijvende kanalen waarmee verzoening bereikt kan worden.

Terwijl Rabba een grotere nadruk legde op Tora-studie dan op liefdadigheid, werden hem slechts 20 jaar extra gegeven. Zijn leerling Abbajjé slaagde erin om zowel in Tora-studie als in Liefdadigheid uit te blinken en dus verdiende hij 40 extra jaren.

&

Onbetaalbare wijsheid

Jevamot 106a

Wat is het verband tussen het exorbitante honorarium voor een ervaren chirurg en de chalitsa van een jevama?

Het begint allemaal met de zuster van Rav Pappa’s echtgenote, wier man kinderloos stierf. De broer van de overleden man, op wie de mitswa van jibboem viel, door de weduwe te huwen, was een ongeschikte partij voor haar, maar hij was niet bereid om haar haar vrijheid te geven door middel van chalitsa. Toen de zaak voor de Geleerde Abbajjé kwam, suggereerde Rav Pappa dat zij hem tot chalitsa zouden proberen te verleiden door hem het enorme bedrag van 200 zoez aan te bieden. Nadat de chalitsa gedaan was, verzocht Abbajjé de vrouw het geld, dat zij beloofd had, te geven aan haar ex-zwager.

Rasji wijst erop, dat zelfs al had zij het geld niet gegeven, de chalitsa toch geldig was geweest. Alleen iets wat kan worden gedaan door middel van een gevolmachtigde agent is onderhevig aan voorwaarden die door de partijen zijn overeengekomen en dat wordt ongeldig wanneer niet aan de voorwaarden voldaan is. Daar chalitsa niet door een agent gedaan kan worden, maakt het niet nakomen van de voorwaarden die daaraan verbonden zijn, de chalitsa niet ongeldig. Daar de vrouw echter de diensten van haar javam „gehuurd” had, meende Abbajjé dat zij wettelijk verplicht was om het bedrag, dat zij beloofd had, te betalen.

Rav Pappa betwistte deze bewering door dit geval te vergelijken met dat van een onschuldige man die vlucht voor zijn levensgevaarlijke achtervolgers en wiens enige hoop op ontsnapping is dat hij met een veerpond de rivier over kan steken. In wanhoop biedt hij de weinig meewerkende veerman een veel groter bedrag aan dan de normale prijs voor de overtocht. Nadat hij de andere kant veilig beriekt heeft, zegt de halacha, hoeft hij de veerman niet méér te betalen dan zijn normale loon en hij kan zijn aanbod afdoen als niet serieus bedoeld. Dit is zo, omdat de veerman de verantwoordelijkheid heeft om hem te redden en daar kan hij geen exorbitant hoog bedrag voor eisen. De javam die ongeschikt is voor de jevama heeft een soortgelijke verantwoordelijkheid om haar te bevrijden door middel van chalitsa en daar hij er niets bij verliest als hij haar dat geeft, is de vrouw niet gebonden aan haar belofte.

Ramban strekt dit idee verder uit tot het geval van een zieke, die de medicijnen die hij nodig heeft, alleen kan verkrijgen door degene die ze bezit, een exorbitant bedrag aan te bieden. Niet alleen is het verkeerd van de eigenaar van de medicijnen om zo’n hoge prijs te vragen, maar zelfs al stemt de zieke erin toe om het gevraagde bedrag te betalen, is hij later niet verplicht zijn belofte na te komen. Het enige wat hij moet betalen is de marktprijs van het medicijn.

Wanneer we het hebben over een arts, die een rekening indient voor zijn diensten echter, is er een verschil van mening tussen de commentatoren. Ritva meent dat de arts, net als de eigenaar van de medicijnen, verplicht is het leven van de patient te redden en dat hij daarom alleen geld mag vragen voor de tijd die hij aan hem besteed heeft. Ramban zegt echter dat het de geleerdheid van de arts is, die hij verkoopt en daar bestaat geen vaste prijs voor en alles wat zij met elkaar overeenkomen om te betalen, moet betaald worden. (Deze laatste beslissing is de basis voor de wet in de Sjoelchan Aroech, Joree Dea 335:3.)

&


 

[1]. Een jevama is een vrouw, wier man kinderloos is overleden en die nu volgens Tora met de broer van haar overleden man moet trouwen, tenzij hij dat officiëel weigert, en pas dan mag zij met een buitenstaander trouwen (Zwi)