Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   14 Chesjwan 5768

Traktaat Jevamot 107-eind Nr.151 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Welkom voor de proseliet

Jevamot 109b

Wat is de houding van de Tora-gemeenschap ten opzichte van bekeringen?

Het antwoord op deze zeer actuele vraag is eenvoudig. Bekering van een niet-Jood naar het Jodendom wordt niet aangemoedigd, noch zal een candidaat als Jood worden aangenomen voor dat onomstotelijk vaststaat dat zijn plannen serieus zijn. Het spreekt vanzelf dat het hele bekeringsproces behandeld moet worden door een bevoegde rabbijnse rechtbank, overeenkomstig de halacha.

Een eerste blik op de uitlating van Rabbi Jitschak in onze Gemara lijkt te wijzen op een politiek van: ‘daar willen we niets mee te maken hebben’. „Kwaad na kwaad zal komen op degenen die bekeerlingen accepteert,” zo verklaart hij, op basis van een vers in Misjlee 11:5.

Deze waarschuwing tegen proselieten, legt Tosafot uit, is gericht tegen situaties waarin de candidaat voor bekering door anderen overgehaald was om deze stap de nemen, of iemand die te snel en te makkelijk geaccepteerd was, zonder dat zijn bedoelingen behoorlijk onderzocht waren. Maar wanneer de candidaat oprecht ernaar streeft om lid te worden van het Joodse volk, dan zijn wij verplicht hem te accepteren. Tosafot noemt dan historische voorbeelden op van beroemde bekeringen tot het Jodendom: Jehosjoea accepteerde de bekering van Rachav, de vrouw uit Jericho die de Israëlitische spionnnen verborg; Naomi moedigde de bekering van Ruth, de Moabitische aan, waar Koning David van afstamt.

Beiden, Rachav en Ruth demonstreerden duidelijk hun serieuze bedoelingen en de Geleerden vertrouwden op hun vermogen om het menselijk karakter te doorgronden. De Geleerde Hillel accepteerde de bekering tot het Jodendom van een niet-Jood, die bij zijn bekering de voorwaarde  maakte dat men hem de hele Tora zou leren, terwijl hij op één been stond (Sjabbat 31a). Hoewel een dergelijk standpunt een niet serieuze indruk maakt, overtuigde Hillels oor­deel over de man hem dat hij een ongeveinsde proseliet was, en zijn oordeel bleek inderdaad juist te zijn.

Het sterkste argument om proselieten te accepteren wordt door Tosafot in de Gemara (Sanhedrin 99b) gebracht over de afstammelingen van Avraham, Jitschak en Jaäkov, die moesten lijden onder de handen van Amalek als een straf voor het feit dat de voorvaderen de bekering van Timna geweigerd hadden. Nadat deze heidense prinses door de aartsvaderen was afgewezen, werd zij de bijvrouw van Elifaz, de zoon van Esav, omdat zij er de voorkeur aan gaf om de dienstmeid te zijn van de aartsvaderen, dan een prinses van een ander volk. Van haar stamde Amalek af, die Israël zoveel moeilijkheden veroorzaakt heeft. Dit was de straf dat zijn moeder werd afgewezen, toen zij Jodin wilde worden.

&

Studeren, doen en onderwijzen

Jevamot 109b

„Iemand die beweert dat hij G-d alleen dient met zijn Tora-studie, heeft geen andere verdiensten dan Tora-studie.”

Deze schijnbaar simplistische opmerking van Rabbi Jossi wordt in de Gemara op twee volkomen verschillende manieren uitgelegd.

De ene benadering is gebaseerd op Rav Papa’s interpretatie van het vers (Devariem 5:11): „Jullie zullen ze leren (de wetten van Tora) en je eraan houden en ze ten uitvoer brengen.” Volgens hem wijst dit erop dat alleen iemand die handelt in overeenstemming met zijn leren, beschouwd wordt als iemand die de verdienste van Tora verdiend heeft. Hieruit volgt dan, dat iemand die zijn dienst aan G-d beperkt tot Tora-studie, de beloning voor deze dienst mist.

Volgens R. Jossi is deze uitspraak gericht tot iemand die een ander aanspoort om een mitswa te doen, die hijzelf niet doet, en die veronderstelt dat hij daarmee beloond wordt alsof hij hetzelf gedaan heeft. Volgens deze opvatting wordt hij inderdaad beloond voor zijn Tora-studie, maar niet voor de uitvoering van de mitswot, waarvan hij dacht dat hij daar ook voor beloond zou worden.

Wij kunnen hieraan toevoegen dat wanneer hij die mitswa zelf ook doet, en hem ook aan anderen leert, hij ook beloond zal worden voor de uitvoering van de mitswot door zijn studenten.

&

Houd dat kind tegen!

Jevamot 114a

De synagoge was op slot die Sjabbat en de sleutels waren ergens op straat verloren.

Dit was een probleem voor Rabbi Jitschak bar Bitna, tot wiens verantwoordelijkheid het behoorde om de sjoel voor de mensen te openen. Zelfs al zou hij de sleutels vinden, dan nog zou hij ze niet mee kunnen nemen en ze vervoeren over straat op Sjabbat over publiek terrein. Toen hij dit dilemma voorlegde aan Rabbijn Pedos, adviseerde deze hem een groep kinderen te leiden en daarmee naar het gebied te gaan waar de sleutels waren verlo­ren, in de hoop dat zij ze zouden vinden en ze naar de synagoge zouden brengen.

De halachische conclusie die hieruit door sommige rabbijnen getrokken wordt, is dat als een kind wordt aange­troffen terwijl het iets eet wat verboden is, of dat een andere overtreding begaat, er geen verplichting bestaat om hem dat te verhinderen. Alleen de vader is verplicht hem terecht te wijzen en te verhinderen dat hij een overtreding begaat, want hij heeft de verantwoordelijkheid van chinoech – opvoeding van zijn minderjarige kinderen, ter voorbereiding op hun eigen verantwoordelijkheid als zij die leeftijd bereikt hebben.

Tosafot (op Sjabbat 121a) bestrijdt dat de regeling van onze Gemara over het verhinderen van een kind om Sjabbat te ontheiligen, beperkt is tot een kind dat nog niet de leeftijd van chinoech bereikt heeft. Maar wanneer het kind eenmaal die leeftijd bereikt heeft, dan heeft iedere Jood de verplichting om te voorkomen dat het kind zondigt, niet alleen de vader.

De Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 243:1) beslist volgens de eerste mening, namelijk dat de chinoech alleen tot de verantwoordelijkheid van de vader behoort (en de moeder eveneens, volgens sommige autoriteiten), en niet van anderen. Rama citeert echter de mening van Tosafot dat iedereen die verplichting heeft. De Misjna Beroera (ibid) haalt het compromis van de Chajei Adam aan, die een iets strengere benadering heeft voor overtredingen van Tora-geboden, maar die een soepeler standpunt inneemt voor overtredingen van rabbijnse aard.

&

Het gevoel is wederzijds

Jevamot 117a

Zoals het spiegelbeeld is dat men ziet, wanneer men in het water kijkt, zo is het hart van mens tot mens.

(Misjlei 27:19)

Deze waarneming van de wijste van alle mensen, Sjlomo HaMelech, heeft verschillende toepassingen. In onze Gemara vinden wij er twee van.

De Geleerden die het niet met Rabbi Jehoeda eens zijn, passen het toe op menselijke relaties. Hoewel de getuigenis van een enkele getuige over de dood van een echtgenoot voldoende is om de weduwe te laten hertrouwen, zijn bepaalde familieleden gediskwalificeerd. De reden hiervoor is, dat zij ervan verdacht worden dat zij haar voldoende haten om haar door middel van een valse getuigenis in moeilijkheden te brengen, namelijk door valselijk te vertel­len dat haar echtgenoot is overleden, en daardoor haar huwelijk te ruïneren als haar doodgewaande echtgenoot levend verschijnt, nadat zij met een ander getrouwd is. Tot deze personen hoort een schoonmoeder, want we verdenken haar ervan dat zij het haar schoondochter kwalijk neemt dat zij uiteindelijk de goederen, die zij, de schoonmoeder in haar huwelijk heeft meegenomen, zal opmaken, en die anders naar haar gezin via de erfenis zou­den terugkeren.

Hoewel deze reden verklaart waarom de schoonmoeder mogelijk een wrok koestert tegen haar schoondochter, verklaart het niet waarom het omgekeerde ook waar is – namelijk dat de schoondochter niet kan getuigen betreffende de echtgenoot van haar schoonmoeder. Dit is zo, zeggen de Geleerden, omdat gevoelens wederkerig zijn. Wanneer men glimlachend in het water kijkt, ziet men een glimlach die wordt weerspiegeld. En als men fronsend in het water kijkt, ziet met een gefronsd gezicht weerspiegeld. Hetzelfde geldt voor haat.

Rabbi Jehoeda’s interpretatie van Sjlomo’s model van reciprociteit is dat het geldt voor Tora-studie. Rasji biedt twee mogelijke verklaringen hoe dit kan. Eén daarvan is dat iemands succes om Tora-kennis te verkrijgen, weerspiegelt hoeveel hart en inspanning hij in zijn studie geïnvesteerd heeft. Een andere verklaring gaat over de verhouding tussen een leraar en zijn leerling. Wanneer de leraar een prettig gezicht toont aan de leerling, en een oprechte interesse toont voor diens vorderingen, dan zal de student wijs worden; anders zal hij niet veel leren van zijn leraar.

Tosafot in traktaat Pesachiem (113b) past dit idee van wederkerige gevoelens toe op de situatie waarin een gerechtvaardigde haat voor een zondaar reciproke haatgevoelens opwekt, hetgeen kan terugkaatsen in de ongerechtvaardigde haat van een Jood „omdat hij mij haat,” in plaats van de oorspronkelijke aanleiding.

&

De Daf” van overleving

Jevamot 121a

Ik voer eens op een schip,” vertelde Rabban Gamliël, „toen ik een ander schip zag, dat schipbreuk geleden had. Mijn hart deed pijn van verdriet speciaal voor één van de passagiers, de Geleerde Rabbi Akiva. Toen ik het land bereikte en mijn studie hervatte, zag ik hem plotseling voor mij zitten, halachische problemen met mij discus­siërend.”

Toen Rabban Gamlël hem vroeg wie hem uit de zee gered had, antwoordde Rabbi Akiva: Een daf [plank] van het schip dreef in mijn richting en daar heb ik mij aan vast geklampt. Voor iedere golf die mijn richting uit kwam, boog ik mijn hoofd  en liet hem over mij heen gaan.”

Hieruit concluderen onze Geleerden, zegt de Gemara, dat wanneer een iemand een slecht mens ontmoet, hij zijn hoofd moet buigen, totdat het gevaar voorbij is.

Maharsja (op Bava Batra 73a)  legt het verband uit tussen het verhaal van Rabbi Akiva en de conclusie van de Geleerden. De vijanden van de Joden worden vergeleken met de golven van de zee, die te vergeefs trachten het zand op het strand te overspoelen, waarmee de Israëlieten vergeleken worden. Net zoals iedere volgende golf niets geleerd heeft van het falen van zijn voorganger, in diens poging om de grenzen van de zee, zoals die door de Hemel zijn vastgesteld, te buiten te gaan, zo leren de vijanden van de Joden niet van het falen van hun voorgangers om het Joodse volk te vernietigen, wiens eeuwig bestaan door de Hemel gegarandeerd is, en die alleen maar hun hoofden hoeven te buigen in onderwerping, totdat de Hemel hen redt.

Toen Rabbijn Meïr Shapiro van Lublin zo’n tachtig jaar geleden zijn idee van de daf jomi presenteerde, zinspeelde hij op de wonderbaarlijke redding van Rabbi Akiva, welke symbolisch is voor de overleving van het Joodse volk. Het woord Daf betekent plank en het betekent ook een blad Gemara. Het is de daf van de Gemara die Joden over de hele wereld dagelijks leren, verklaarde hij, die zal dienen als het vlot voor de overleving tegen alle golven van onderdrukking in, die wij in onze ballingschap ondervinden en die, zoals in het geval van Rabbi Akiva, ons in staat zal stellen de kust veilig te bereiken.

&

Hemelse en menselijke stemmen

Jevamot 122a

Wanneer een bat kol gehoord wordt, die aankondigt dat een zeker mens is gestorven, zegt de Misjna, dan staan we het zijn vrouw toe om een andere man te trouwen, in de veronderstelling dat zij inderdaad weduwe is.

Deze bat kol is duidelijk een geluid afkomstig van een mysterieuze bron, die ons onbekend is. We hebben een dergelijk geluid al eerder ontmoet in dit traktaat (Jevamot 14a), waar een bat kol geïnterpreteerd werd als een Hemelse verklaring, dat de halacha Beit Hillel volgt in de discussies met Beit Sjammai. Is de bat kol in onze Misjna van dezelfde aard?

Beslist niet, zegt Tosafot Jom Tov in zijn commentaar op de Misjna. De bat kol die gehoord werd in de discussie tussen Beit Hillel en Beit Sjammai en in de discussie tussen Rabbi Eliëzer en de Geleerden (Bava Metsia 59b), was een G-ddelijke communicatie, die bij die gelegenheid gehoord werd in de vorm van een echo van een Hemelse stem, nadat de profetie tot een einde was gekomen. De bat kol in onze Misjna is de stem van een mens, die wij niet in staat waren te lokaliseren, nadat wij zijn verklaring gehoord hadden.

Als steun voor zijn mening haalt hij Rambam aan in diens commentaar op de Misjna, die schrijft dat de bat kol in de volgende gevallen in die Misjna verklaard wordt. Eén geval is dat van iemand, die bovenop een heuvel stond en die zichzelf identificeerde en beweerde dat hij gebeten was door een slang en gestorven was. Maar wanneer zij de bron van de stem gevonden hebben, vinden zij een lichaam in verregaande staat van ontbinding en onherkenbaar. De vrouw van die man, die door zijn stem geïdentificeerd werd, mag opnieuw trouwen. Rambam suggereert dus dat de bat kol in de Misjna niet dezelfe bat kol  is als die welke wij in bovengenoemde discussies tussen de Geleerden tegenkwamen, maar een niet na te sporen menselijke stem, zoals die in de volgende gevallen voorkomt. Het is interessant om op te merken dat de Sjoelchan Aroech (Even Haëzer 17:10) naar ons geval refereert als het horen van een kol – een stem – en niet een bat kol. Dit lijkt het standpunt van Tosafot te steunen.

Een andere steun die naar voren gebracht wordt door Tosafot Jom Tov – namelijk dat wij niet luisteren naar een bat kol in halachische kwesties – wordt aangevallen door Rasjasj, die erop wijst dat Tosafot (in Jevamot 14a) zegt dat dit alleen de mening is van Rabbi Jehosjoea en niet van de andere Geleerden.

&

Onze Geleerden

De Maharsja

Rav Shmuel Eliezer Halevi Eidels, 1555-1631, schreef een scherpzinnig commentaar en verklaring op de Talmoed, op Rasji en op Tosafot. Zijn commentaren zijn verhelderend, en geven een duidelijke verklaring van Tosafot. Ze staan afgedrukt in bijna iedere editie van de Talmoed.

De naam Maharsja is een afkorting van het Hebreeuwse ‘Onze leraar de Rabbijn Sjmoeël Eidels’.

Behalve zijn commentaar op de Talmoed schreef hij ook een uitgebreid commentaar op de Kabbala.

De Maharsja was geboren in Kraków, Polen. Zijn vader, Jehoeda, was een Talmoedist en beide zijn ouders waren afstammelingen van Rabbijnse families - zijn moeder Gitel was een nicht van Rabbi Jehoeda Loew, de Maharal van Praag. Reeds van jongs af aan toonde de Maharsja een opmerkelijk talent. Toen hij op huwbare leeftijd kwam, werden hem menig gerenommeerde sjidoechiem (huwelijkspartners) aangeboden, maar hij verwierp hen allemaal, omdat, zoals hij beweerde, hij zich volledig aan de Tora-studie wilde wijden.

Hij trouwde uiteindelijk de dochter van Edel Lifschitz uit Posen en wijlen Mosjé Lifschitz, rabbijn van Brisk. Hij verhuisde daarop naar Posen en stichtte daar een Jesjiwa. Gedurende twintig jaar werden alle kosten van de Jesjiwa betaald door zijn schoonmoeder. Uit waardering voor haar steun, nam hij haar naam aan. Na haar dood diende hij als rabbijn in de volgende vooraanstaande gemeentes: Chel, Lublin en Ostrog.

&

Tosafot Jom Tov (1559-1654)

Rabbijn Jom Tov Lippmann Heller, beter bekend als Tosafot Jom Tov, was de auteur van het klassieke commen­taar op de Misjna. Hij was al vanaf zijn geboorte in de stad Wallerstein in de Duitse provincie Beieren wees van zijn vader en werd opgevoed door zijn grootvader, Rabbijn Mosjé Wallerstein. Als jongeman leerde hij onder Rabbijn Jehoeda Loew (de Maharal van Praag) en Rabbijn Efraim Lunchitz (de Kli Jakar), van Praag. Zijn commentaar werd geschreven in het eerste deel van de zeventiende eeuw, in een tijd dat het Joodse volk nog veel te lijden had van vervolgingen.

In 1624 werd hij aangesteld als opperrabbijn van Wenen. Daarvoor had hij twintig jaar als Dajan [een rabbijnse rechter) gediend in Praag en een korte tijd als rabbijn in Nikolsburg, Moravië. In 1627 werd hij gekozen tot opperrabbijn van Praag, in opvolging van grote voorgangers als de Maharal en de Kli Jakar.

Ingevolge de hoge kosten van de Dertigjarige Oorlog, werd aan de Joden een enorm hoge belasting opgelegd, en de rabbijn probeerde dat te verhalen op de rijkere Joden van Praag. Die namen hem dat niet in dank af, maar bedachten daarop de valse aanklacht tegen hem, dat hij het Christendom beledigd had. Hij werd daarop in de gevangeis gegooid. In het daaropvolgende proces verdedigde hij zich glansrijk en werd weliswaar door de rechter ter dood veroordeeld, maar door de Keizer vrijgesproken.

Na zijn vrijlating in 1643 werd hem de positie van Rabbijn van Krakow aangeboden, in opvolging van de Bach, Rabbijn Joël Sirkus. Hij was tevens co-Rosj Jesjiawa naast de Pnei Jehosjoea van de Jesjiwa van Krakov.

De belangrijkste van zijn werken zijn zijn commentaren op de Misjna, die ‘Tosafot Jom Tov’ genoemd worden.