Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   22 Chesjwan 5768

Traktaat Ketoebot 2-14 Nr.152 

 Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 432 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Inleiding tot Ketoebot

Masechet Ketoebot gaat hoofdzakelijk over de verplichtingen en rechten die voortkomen uit het huwelijk. Bijvoor­beeld, een echtgenoot heeft recht op het salaris van zijn vrouw, zowel als op de interest van haar investeringen. Daartegenover is hij verplicht haar van voedsel, kleding en medische verzorging te voorzien, haar te verlossen uit gevangenschap en haar begrafeniskosten te betalen, indien nodig.

Zoals de naam al suggereert behandelt Ketoebot ook de „Ketoeba”, het huwelijkscontract, waarmee een echtgenoot zich schriftelijk verbindt de verplichtingen ten opzichte van zijn vrouw op zich te nemen.

Ikkar ketoeba en tosèfet ketoeba: Wanneer een vrouw voor de eerste keer trouwt, moet haar echtgenoot zich voor minstens 200 zoez in de ketoeba verplichten. Wanneer het een tweede huwelijk is, is hij minimaal honderd zoez verplicht. Wanneer zij gaan scheiden, of als hij eerst sterft, ontvangt zij dit geld uit zijn onroerende bezittingen. Zoals iedere andere schuldbekentenis kan de vrouw de ketoeba aan een Beit Din tonen als bewijs dat zij nog niet betaald is. Wanneer zij betaald is, zal de echtgenoot of diens erfgenamen de ketoeba opeisen en vernietigen.

Behalve het minimum bedrag mag een bruidegom kiezen (of de bruid kan vóór het huwelijk eisen) om het bedrag van de ketoeba te verhogen. Het minimum bedrag wordt ikkar ketoeba genoemd, terwijl het extra bedrag tosèfet ketoeba genoemd wordt. De commentatoren discussiëren erover of het schrijvan van een ketoeba voor het eerste huwelijk van een vrouw een verplichting van Tora is, of alleen een verplichting van de Rabbijnen.

„IJzeren schaap”: In de ketoeba wordt ook de waarde genoteerd van de bezittingen die een vrouw inbrengt in haar huwelijk als bruidsschat. Wanneer zij gescheiden wordt of haar man overleeft, krijgt zij deze waarde terug, bovenop haar ikkar ketoeba en tosèfet ketoeba. Deze soort bruidsschat wordt nichsei tson barzel – ijzeren schaap bezittingen – genoemd. Zij worden vergeleken met een ijzeren schaap, omdat zij niet in waarde kunnen verminderen door een fluc­tuerende markt, of door normale slijtage, noch kunnen zij in waarde stijgen. Zoals een ijzeren schaap blijven zij precies hetzelfde en moeten volledig intact en onbeschadigd worden teruggegeven indien nodig. (Naar alle waar­schijnlijkheid koos de Gemara de uitdrukking „ijzeren schaap” omdat soortgelijke investeringen vaak gedaan werden met schapen. De eigenaar vertrouwde ze dan aan een schaapherder toe, onder de nadrukkelijke voorwaarde dat de schaapherder ze onbeschadigd teruggaf.

Nichsei miloeg: Een ander soort bezittingen die de vrouw bij haar huwelijk kan inbrengen, wordt nichsei miloeg ge­noemd [de g wordt uitgesproken als in het Duitse woord gut]. In tegenstelling tot tson barzel komt nichsei miloeg nooit in het bezit van de echtgenoot. Zij blijven het eigendom van de vrouw, maar de echtgenoot heeft recht op de interest zolang als zij getrouwd zijn. Volgens sommige meningen betekent miloeg ‘uittrekken,’ hetgeen inhoud dat de „boom” van de investering het eigendom van de vrouw blijft, terwijl de man er de vruchten van plukt. Anderen bewe­ren dat het woord miloeg afkomstig is van het Griekse woord voor ‘spreken,’ omdat er alleen maar een mondelinge overeenkomst bestaat tussen de echtgenoot en zijn voruw voor wat betreft hun status. Dit in tegen­stelling tot de tson barzel, die in de ketoeba vermeld staat.

Overzicht:  Deze financiële verplichtingen worden uitgebreid besproken in de loop van het traktaat, zowel als andere verplichtingen tussen man en vrouw en ook wat er gebeurt als ze besluiten om van hun rechten of een deel daarvan af te zien.

We zullen ook zien hoe het Beit Din conflicten tussen echtgenoten betreffende de status van de ketoeba beslist en hoe de vrouw haar geld kan innen. We zullen leren over de boete die een man opgelegd kan krijgen als hij een vrouw verleidt of haar reputatie aantast. Behalve deze monetaire wetten zullen we ook leren over de autoriteit die een vader heeft over zijn dochter, hoe contracten in stand gehouden worden en wat de juiste tijdstippen zijn om te trouwen.

„Sjas Katan”: Ketoebot staat wel bekend onder de naam „Sjas Katan” omdat het een grote variëteit van soegiot –onderwerpen – bevat, die door de hele sjas [talmoed] besproken worden. De wetten van Berachot worden besproken in verband met de verloving, het huwelijk en de rouw. De wetten van Sjabbat worden behandeld in verband met een verboden activiteit die onopzettelijk gebeurde (davar sje-eino mitkaveen). De wetten voor de rouw uit Moëed Katan worden besproken in verband met een chatan [bruidegom] of kalla [bruid] wier ouders vlak voor de huwelijks­plech­tig­heid overleden. De wetten van Nedariem worden besproken voor zover die betrekking hebben op een echtgenoot en zijn vrouw, die gezworen heeft geen profijt te zullen hebben van of te geven aan de ander. Vele soegiot die betrekking hebben op Gittin – echtscheiding – worden besproken, en een lange soegia over hoe iemand, die tweemaal gestraft dient te worden, alleen de zwaarste van de twee straffen krijgt. We zullen ook vele details leren over financiële wetten, contracten enz. die in Bava Kama en Bava Metsia  voorkomen.

Daar er zulk een grote variatie van onderwerpen wordt besproken, helpt het leren van Ketoebot iemand een brede kennis te verkrijgen van vele onderwerpen in de Sjas. Het traktaat eindigt met een discussie over Erets Jisraël: zijn wetten, de liefde van ons volk voor het land en de zonnige toekomst die ons wacht als de Masjiach komt, moge het spoedig zijn en in onze dagen.

Op welke dag trouwt men?

Ketoebot 2a

Misjna Een maagd wordt getrouwd op woensdag en een weduwe op donderdag, want tweemaal per week houden de Batei Din rechtzitting in de steden – op maandag en donderdag – zodat, wanneer hij klachten heeft over haar maagdelijkheid, hij meteen de volgende ochtend naar het Beit Din kan stappen.

Gemara De reden dat men een maagd op woensdag trouwt, is dat als de chatan ontdekt dat zijn bruid geen maagd is (terwijl zij zich daarvoor wel heeft uitgegeven en hij haar daarom 200 zoez in haar ketoeba heeft beloofd) dan kan hij de volgende ochtend onmiddellijk zijn beklag doen bij het Beit Din. Immers, wanneer zij hem ontrouw is geweest in de periode tussen de verloving en de bruiloft (waar in vroeger tijden een jaar tussen zat), dan is zij voor hem verboden, zoals een gehuwde vrouw verboden wordt voor haar man als zij vrijwillig gemeenschap heeft met een andere man. En wanneer de bruiloft op donderdag zou plaatsvinden, zou hij pas maandag naar het Beit Din kunnen gaan en intussen zich al zo aan zijn bruid gehecht hebben, dat hij geen klacht meer indient en een verboden relatie handhaaft.

Daarentegen bestaat dat probleem voor een weduwe [of iedere andere bruid die geen maagd meer is] natuurlijk niet en de Geleerden wilden dat de bruidegom zich minstens drie dagen met zijn bruid zou verheugen. Hij zou, als zij donderdag trouwen, minstens die dag, vrijdag en Sjabbat met haar thuis moeten blijven, zodat hij de tijd zou krijgen zich aan haar te hechten.

Dat de Batei Din op maandag en donderdag in de steden zitting hadden, was ingesteld door Ezra, omdat op die dagen de mensen uit de dorpen naar de stad kwamen om te luisteren naar de Tora-voorlezing, en nu zij al eenmaal in de stad waren, konden zij ook hun geschillen aan de rechtbank voorleggen.      (Zwi)

Wie betaalt voor de bruiloft?

Ketoebot 3b

Zoals we in onze Gemara kunnen lezen, was het in de tijd van de Talmoed de gewoonte dat de chatan voor de kosten van de bruiloft betaalde. Dit in tegenstelling tot de gewoonte in Europa gedurende vele generaties, waar de familie van de kalla betaalde, zoals de Aroech Hasjoelchan opmerkt in zijn beschrijving van bruiloft-gewoonten.

De geldende gewoonte: In de meeste gevallen van handelswetgeving geldt, dat als de beide partijen niet duidelijk hun bedoelingen bekend maken, dat zij dan de plaatselijk gewoonten moeten volgen. Hetzelfde geldt hier. Wanneer een sjiddoech – huwlijkskoppeling – gemaakt werd, maar de families legden niet vast wie er voor de bruiloft zou betalen, dan moesten zij de plaatselijke gewoonte volgen. Wanneer het de gewoonte is dat de chatan betaalt, dan moet hij dat doen. Als het de gewoonte is dat de familie van de kalla betaalt, dan moeten zij dat doen (Aroech Hasjoelchan ib.).

Waarom veranderde de gewoonte? R. Zwi Elimelech Sjapira van Dinov (auteur van Bnei Jissachar) schrijft in zijn commentaar op de Misjna (Beracha Mesjoelesjet Choellien, 5:3), dat hij gehoord heeft van R. Levi Jitschak van Berditchev, dat de Savoraïem, die leefden tussen de periode van de Talmoed en de Geoniem, opzettelijk de gewoonte veranderd hebben.

Wanneer de chatan betaalt, moet hij een uitgebreide feestmaaltijd bereiden, en de gasten moeten alle mogelijke moeite doen om zich met hem te verheugen. Zodanig zelfs, dat de Gemara zegt dat ieder die geniet van de maaltijd van de chatan en die de chatan niet verblijdt, de vijf vreugdegeluiden overtreedt die geassociëerd worden met de huwelijksviering: „De stem van blijdschap en de stem van vreugde, de stem van de chatan en de stem van de kalla en de stem van diegenen die zeggen: ‘Dank Hasjem’”. De Savoraïem vreesden dat de mensen niet voldoende blij met hem zouden zijn en daarom deze vijf stemmen zouden overtreden. Daarom stelden zij de gewoonte in dat de familie van de kalla zou betalen voor een eenvoudiger maaltijd, waarbij niet dezelfde eisen aan de gasten gesteld zouden worden. De Piskei Tesjoevot schrijft hetzelfde in naam van de Sfat Emmet.

„De maaltijd van de Chattan”: Deze commentaren bieden een nieuw inzicht in de Gemara. Men zou kunnen veronderstellen dat het begrip „de maaltijd van de chatan” betrekking heeft op iedere bruilofts-maaltijd, ongeacht wie ervoor betaalt. De Bnei Jissachar en de Sfat Emmet interpreteren het echter letterlijk. (Uit Meorot HaDaf HaYomi)

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Bewaak je oren

Ketoebot 5b

Hoe zorgvuldig moeten wij zijn betreffende wat onze oren binnenkomt. Dat wordt benadrukt in de volgende twee uitspraken van onze Geleerden die in onze Gemara worden aangehaald:

„Waarom is het hele oor gemaakt van stevig materiaal, terwijl alleen het oorlelltje van soepel materiaal gemaakt is? Opdat, wanneer men iets ongepasts hoort, men zijn oorlel in zijn oor kan stoppen, zodat men niets meer hoort.”

„Men moet voorkomen dat nutteloze woorden zijn oren binnendringen, want de oren worden het eerst van alle lichaamsdelen verbrand [zij zijn het meest gevoelig voor extreme temperaturen – Rasji].”

Maharsja verklaart het verband tussen deze twee uitspraken:

Na eerst te zijn gewaarschuwd tegen het aanhoren van verboden woorden, wordt ons gezegd op te passen om zelfs geen dingen aan te horen die niet verboden zijn, maar die geen positief nut hebben voor de dienst van Hasjem door middel van mitswot. In dit opzicht is het gehoorzintuig radicaal anders dan andere zintuigen. Hoewel het zeker verboden is om dingen te zien die verboden zijn, omdat zij verkeerde gedachten kunnen opwekken, is er geen verbod om neutrale dingen te zien, ook al dient het zien daarvan geen positief doel voor de uitvoering van mitswot.

De reden voor dit onderscheid is dat het gehoor het meest ontvankelijke is van alle zintuigen, daar verboden woorden zo overheersend zijn in de menselijke conversaties. Het is daarom nodig om speciale discipline toe te passen met betrekking tot onze oren door deze neutrale woorden buiten te sluiten, om te voorkomen dat zij ook leiden tot de ontvangst van ongeschikte mededelingen.

Dat is de reden dat het oor in deze vorm geschapen is, zodat dit idee voor iedereen duidelijk zou zijn. Of het nu een onbeschermd oor is, dat pijnlijk rood wordt in de vrieskou of een tintelend oor in een oververhitte kamer, we worden er voortdurend aan herinnerd hoe gevoelig dit orgaan is voor externe invloeden. Dit helpt ons eraan te herinneren dat het gehoor-zintuig dat in het oor gezeteld is, ook erg ontvankelijk is voor externe invloeden en dat we zorgvuldig moeten oppassen op wat we horen.

Het Moabitische mysterie

Ketoebot 7b

„En hij [Boaz] nam tien mannen van de oudsten van de stad en zei: „Ga hier zitten” en zij gingen zitten.” (Ruth4:2).

Dit vers in het Boek Ruth, dat iedere Sjawoeot in de synagoge gelezen wordt, geeft geen aanwijzing wat het doel was van deze bijeenroeping van de tien stadsoudsten. Rabbi Nachman ziet dit als een bron voor de vereiste van een minjan – een quorum van tien man voor het uitspreken van zegeningen voor nieuwgehuwden, in dit geval Boaz en Ruth. Rabbijn Aviahoe haalt een andere bron aan voor dit voorschrift en zegt dat de bijeenroeping van tien man door Boaz diende om de wet openbaar bekend te maken dat zijn bruid, hoewel van Moabitische afkomst, met hem mocht trouwen, omdat de beperking die Tora legt op Moabitische proselieten voor een huwelijk alleen voor mannen geldt.

Maharsja werpt de vraag op hoe het mogelijk kon zijn voor het anonieme familielid van Naomie en Ruth, die de eerst aangewezen losser was, om te weigeren om deze rol te spelen, omdat dat betekende dat hij dan een verboden Moabitische zou trouwen. Daagde hij de openbare verordening van Boaz uit, die vele jaren de rechter van Israël was? Hij werpt dezelfde vraag op met betrekking tot Doëg (Jevamot77a), die trachtte David te diskwalificeren als de nakomeling van de verboden Moabitische Ruth.

Maharsj biedt een oplossing voor beide problemen, door te suggereren dat beiden, de anonieme losser en Doëg geloofden dat de beperkingen op het huwen met Moabieten zowel voor mannen als voor vrouwen gold, maar dat het Boaz was toegestaan om met Ruth te trouwen, omdat de mitswa van jibboem, welke in die dagen ook werd uitgeoefend door andere de familieleden van de overledene dan zijn broer, het verbod om met een Moabitische te trouwen opzij schuift. Als bron hiervoor haalt Maharsja een commentaar van Ramban aan (op Bereisjiet 38:8), die leert dat het huwelijk tussen Jehoeda en zijn schoondochter Tamar een uitbreiding was van de jibboem met andere familieleden.  Deze benadering van Maharsja is aangevallen door andere commentatoren, omdat wat Jehoeda deed, gebeurde voordat Tora gegeven werd en jibboem als een mitswa werd daarin beperkt tot de broer van de over­ledene.

Een tweede kijk op de Sjèva Berachot

Ketoebot 8a

De sjèva berachot – zeven zegeningen – die worden uitgesproken op een bruiloft en op de feestelijke viering daarvan gedurende de daaropvolgende week, bevatten iets voor iedereen, van de partijen die trouwen tot de mensen die meehelpen dat te vieren. Wij bieden hier opmerkingen van Rasji met betrekking tot enkele daarvan.

De eerste beracha (bij de choepa [bruiloft] zelf komt deze beracha na de beracha over de wijn) is een lof voor Hasjem „Die alles geschapen heeft voor Zijn eer.” Dit is niet waarlijk een onderdeel van de daaropvolgende serie berachot, die gaan over het instituut van het huwelijk zelf. Het is eerder een lofuiting voor diegenen die bijeen gekomen zijn om de feestvreugde van chatan en de kalla te verhogen. Het is een verheerlijking van de Schepper, omdat het de rol weerspiegelt die Hij gespeeld heeft bij het eerste huwelijk in de geschiedenis, toen Hij zorgde voor ieder detail om de eerste man en vrouw te verenigen.

De laatste twee berachot lijken een gelijke climax te hebben: de één prijst Hasjem voor „het brengen van vreugde voor de chatan en Kalla,” en de ander voor „het brengen van vreugde voor de chatan met de kalla.” De eerste gaat niet over de vreugde van het huwelijk zelf maar is meer een gebed voor het succes, voorspoed en geluk van zowel chatan als kalla voor heel hun toekomst. Daar zei allebei gezegend worden, is onze climax het woord en. Het is alleen in de laatste beracha dat we Hasjem prijzen voor het feit dat Hij de speciale relatie tussen echtgenoten geschapen heeft door middel van wederzijdse liefde en vreugde. Daarom besluiten we deze beracha met de woorden „chatan met de kalla,” want het is dit samenzijn dat Hasjem gezegend heeft met vreugde.

Een scheiding op voorwaarden

Ketoebot 9b

Een vrouw die overspel pleegt is verboden voor zowel haar echtgenoot als haar overspelige partner. De vraag die dan opkomt is: hoe kon Koning David met Batsjèva trouwen, wanneer de eenvoudige lezing van de tekst (II Sjmoeël 11:2-3) suggereert dat hij relaties met haar had, terwijl zij nog met Uria getrouwd was.

Rabbijn Sjmoeël Nachmani lost het probleem op door te onthullen dat iedereen die voor Koning David ten oorlog ging, een get (echtscheidingsdocument) schreef voor zijn vrouw, voordat hij het huis verliet.

Rasji verklaart dat aangezien de soldaten van David bang waren dat zij de oorlog niet zouden overleven en daarmee hun weduwe bloot zouden stellen aan jibboem [of agoena], zij hun vrouwen scheidden op voorwaarde dat als zij niet uit de strijd zouden terugkeren, de echtscheidng in werking zou zijn gegaan met terugwerkende kracht naar de dag waarop de get gegeven was. Daar Uria de strijd niet overleefde, was zijn huwelijk reeds ontbonden toen David haar nam.

Tosafot is het met deze benadering niet eens en brengt de mening van Rabbeinoe Tam naar voren, dat de get niet een voorwaardelijke get was, maar dat het een onvoorwaardelijke ontbinding van het huwelijk was. Het probleem met deze benadering is, dat de Gemara (Bava Metsia 59a) Davids handeling een relatie noemt met een „twijfelachtig getrouwde vrouw.” Als Batsjèva behoorlijk gescheiden was, waarom zou haar status dan twijfel­achtig zijn?  Het antwoord dat gegeven wordt, is dat zulke echtscheidingen gegeven werden in het geheim, zodat niemand de gelegenheid zou uitbuiten om de vrouw te trouwen, voordat haar ex-echtgenoot zou terugkeren om haar te hertrouwen. Daar het publiek niet op de hoogte was van de echtscheiding van Batsjèva, bestond er verdenking dat David schuldig was aan overspel, ook al was dit niet het geval.

Bari wesjèma, bari adief

(Een zekere claim en een twijfelachtig verweer, dan wint de zekere claim)

Ketoebot 12b

Misjna Wanneer iemand met een vrouw trouwt en hij vindt bij haar geen tekenen van maagdelijkheid [geen bloed en geen maagdenvlies] en zij zegt: „Nadat jij mij verloofde ben ik verkracht en dit is jouw risico,” maar hij zegt: „Nee, het is gebeurd voordat ik je verloofde en ik heb je bijvergissing gekocht,” dan zeggen Rabban Gamliël en Rabbi Eliëzer: „Zij wordt geloofd.”

Gemara Er is verklaard: Als de één zegt: „Je bent me een manee schuldig” en de ander zegt: „Dat weet ik niet,” dan zeggen Rav Jehoeda en Rav Hoena dat die ander moet betalen, want in een geval waar de één bari – zeker – is, terwijl de ander sjèma – misschien – zegt, daar is bari sterker.

Rasji verklaart de Gemara dat het feit dat zij volgens Rabban Gamliël en Rabbi Eliëzer geloofd wordt, dit zou zijn omdat zij met zekerheid verklaart en weet wat er gebeurd is, terwijl haar bruidegom dat niet zeker weet.

Wanneer Re’oeveen beweert dat Sjim’on hem 100 euro schuldig is en Sjim’on antwoordt dat hij niet zeker weet of hij dat nog schuldig is, dan beslissen Rav Hoena en Rav Jehoeda dat hij moet bealen. De algemene regel is dat iemand alleen van een ander geld kan loskrijgen als hij bewijst dat hij daar recht op heeft. De bewering van Re’oeveen is geen bewijs. Waarom kan hij zijn vordering dan toch innen?

Pnei Jehosjoea zegt dat we er vanuit gaan (chazaka) dat iemand een ander niet confronteert met een volkomen ongegronde claim op geld. We veronderstellen niet dat Re’oeveen opzettelijk en bewust liegt. En omdat Sjim’on de eis niet tegenspreekt, mag Re’oeveen incasseren.

Chatam Sofer verklaart dat met zijn twijfelachtig antwoord Sjim’on toegeeft dat hij niet met zekerheid de bezitter van het geld is. Daarom geldt hier niet de regel dat wie iets wil hebben wat van een ander is, moet bewijzen dat hij daar recht op heeft.

Sja’arei Josjer legt uit, dat iedere claim voor een rechtbank een tegenclaim verwacht. Op zichzelf is de claim van Re’oeveen niet sterk genoeg, maar daar Sjim’on daar nauwelijks iets tegenin brengt, wordt de claim van Re’oeveen niet geneutraliseerd. Dus wordt hij in het gelijk gesteld.

(Zwi)