Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   27 Chesjwan 5768

Traktaat Ketoebot 15-27 Nr.153 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het mysterie van het in de steekgelaten kind

Ketoebot 15b

In een stad waar zowel Joden als niet-Joden wonen, wordt een in de steek gelaten kind gevonden. Wat is zijn status, is het Joods of niet?

De Misjna in Masechet Machsjirien zegt dat als de Joden in die stad de meerderheid vormen, het kind hala­chisch als Joods beschouwd moet worden (behalve met betrekking tot een huwelijk). Wanneer de meerder­heid uit niet-Joden bestaat, wordt het kind als niet-Joods beschouwd. Wanneer de helft van de bevolking Joods is en de andere helft niet, wordt het kind als Joods beschouwd. De Gemara wijst erop dat deze vast­stelling van Joodzijn als er een gelijke verdeling is van Joden en niet-Joden, beperkt is tot een situatie waarin een eis tot schadevergoeding wordt ingediend tegen deze tot Jood verklaarde persoon, wanneer dat tot zijn voordeel is. Daar de eis wordt ingediend om geld van hem los te krijgen, moet de eiser maar bewijzen dat deze persoon geen Jood is.

Maar hoe zit dat met zijn godsdienstige verplichtingen? Moet hij alle mitswot doen die een Jood verplicht is, omdat hij misschien een Jood is, of hoeft hij alleen de zeven Noachidische wetten na te leven, zoals de rest van de mensheid, omdat hij misschien geen Jood is? Hoewel de Misjna zich niet specifiek met dit pro­bleem bezighoudt, is er een duidelijke aanwijzing dat hij alleen als niet-Jood wordt beschouwd als de meer­derheid uit niet-Joden bestaat. Een en ander impliceert dat we hem in een dergelijke stad niet-kosjer eten mogen geven, maar dat we hem in een half-half situatie geen verboden voedsel mogen geven, omdat hij de Joodse spijswetten moet volgen en zich aan al de mitswot moet houden, omdat hij als Jood beschouwd wordt.

Het enige probleem dat ontstaat is met betrekking tot het houden van Sjabbat. Hoewel er geen enkel probleem is als een niet-Jood alle andere mitswot houdt, die hij niet verplicht is, is er een verbod voor hem om volledig Sjabbat te houden (Sanhedrin 58b). Deze persoon met een twijfelachtige status, staat voor een dilemma. Wanneer hij creatief werk doet op Sjabbat, kan hij schuldig zijn aan het overtreden van Sjabbat als Jood. Wanneer hij een dergelijke activiteit nalaat, is hij misschien een niet-Jood die Sjabbat houdt.

Dit probleem wordt door sommige commentatoren besproken met betrekking tot de vraag hoe de Aarts­vaders de mitswot van Tora konden houden, voordat die aan hun nakomelingen geboden waren. Wat deden zij op Sjabbat? Vele vindingrijke oplossingen voor dit vraagstuk zijn voorgesteld. Het is een geliefd onderwerp in de wereld van de Talmoedisten.

Rabbijn Jaäkov Ettlinger suggereert in zijn Responsa Binjan Zion (126) dat het theoretische vraagstuk dat door deze commentatoren wordt opgeworpen, praktische toepassingen kan hebben in het geval van het in de steek gelaten kind. Bij zijn eigen oplossing gaat hij er van uit dat het verbod voor een niet-Jood om [volledig] Sjabbat te houden, alleen geldt voor de 39 categorieën van scheppend werk die alleen voor een Jood verboden zijn. Er zijn genoeg andere soorten werkzaamheden die het in de steek gelaten kind kan doen op Sjabbat en die niet als een overtreding door een niet-Jood beschouwd worden, en waardoor hij toch niet een niet-Jood zou worden die Sjabbat houdt.

&

Ketsad Merakdiem

Ketoebot 17a

Ketsad merakdiem lifnee hakalla – Wat zingt men als men danst voor de bruid op haar huwelijksdag?”

Kalla kemo sjehi – De bruid is zoals zij is,” zegt Beet Sjammai.

Kalla naä wechasoeda – De bruid is liefelijk en charmant,” zegt Beet Hillel.

[Dat wil zeggen, volgens Beet Hillel zeggen we tegen haar dat zij er liefelijke en charmant uitziet, maar volgens Beet Sjammai zeggen we dat niet als zij er niet zo uitziet.]

En als zij lam of blind is, vraagt Beet Sjammai  aan Beet Hillel! Kunnen we dan zeggen dat zij er liefelijk en charmant uitziet, in strijd met het verbod van Tora om te liegen?

Beet Hillel  antwoordt dat we de situatie kunnen vergelijken met iemand die iets gekocht heeft. Spreken we waarderend over zijn aankoop of bekritiseren we het?

Van zijn benadering leren de Geleerden dat men ernaar moet streven om goed met mensen op te schieten.

Wat wordt er bedoeld met de formule van Beet Sjammai om de bruid en bruidegom te verblijden? Als de bruid een onvolmaaktheid heeft, raadt hij dan nog aan om haar te beschrijven „zoals zij is”?

Tosafot legt uit dat Beit Sjammai in zo’n situatie adviseert om iedere beschrijving achterwege te laten maar zich te concentreren op haar prijzenswaardige eigenschappen, maar de algemene beschrijving van Beet Hillel vermijdend, omdat die smaakt naar onwaarheid. Beet Hillel verwerpt deze benadering, omdat alles wat afwijkt van een algemene waarderende opmerking als beledigend geïnterpreteerd zal worden.

Maharsja suggereert een alternatieve verklaring van de twee standpunten.

Beet Sjammai en Beet Hillel bevelen allebei een algemene beschrijving van de bruid aan; zij verschillen alleen van mening over de tekst. Beet Sjammai is voorstander om over iedere bruid de lof te zingen met de woorden: „De bruid zoals zij is,” dat wil zeggen dan ongeacht haar tekortkomingen, zij gunst gevonden heeft in de ogen van haar bruidegom, die haar ongetwijfeld gezien heeft voordat hij met haar trouwde, zoals onze Geleerden (in Kiddoesjien 41a) voorschrijven. Beet Hillel echter meent dat men het idee naar voren moet brengen dat de bruid „liefelijk en charmant” is in de ogen van haar bruidegom.

Op de kritiek van Beet Sjammai dat een dergelijke lof voor een bruid met een lichamelijk gebrek onwaar is, antwoordt Beet Hillel met de vergelijking met onze reactie op iemands aankoop van iets. We spreken er waarderend over, omdat het waardevol is in de ogen van de koper, die het de moeite waard vond om het te kopen, ondanks de tekortkomingen. Op dezelfde manier is het geen onwaarheid als we de bruid loven omdat zij „mooi is in de ogen van de eigenaar” en als de bruidegom besloot haar te trouwen, dan kunnen wij naar waarheid vaststellen dat „de bruid liefelijk en charmant” is.

&

De grenzen van het martelaarschap

Ketoebot 18b

Twee getuigen die hun handtekenng onder een contract herkennen maar daaraan toevoegen dat de lening nimmer daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, en dat zij onder druk getekend hebben, worden soms geloofd en soms niet.

Wanneer er geen andere bron dan hun tweeën is, om het document als echt te verklaren, dan hun beider handtekeningen, dan veronderstellen we dat zij de waarheid spreken, want als zij er interesse bij zouden hebben om het document vals te verklaren, dan hadden zij eenvoudig kunnen zeggen dat het hun hand­tekening niet was. Maar als er nog een andere bron voor verificatie is, zoals andere getuigen, die hun handtekeningen herkennen, dan geloven wij hun bewering, dat het document vervalst is niet en dat zij het onder druk zouden hebben ondertekend.

Trouwens, ook in het geval waarin zij wel geloofd worden, is dat alleen maar wanneer zij met hun leven bedreigd werden. Maar wanneer zij bijvoorbeeld zouden zeggen dat zij getekend hebben onder een vals document onder financiële druk, dan accepteren we hun verklaring niet omdat het zelf-beschuldigend is en „iemand wordt niet geloofd als hij beweert dat hij slecht is.”

Dit is het standpunt van de meerderheid van de Geleerden. Rabbi Meïr echter gaat nog een stapje verder met te verklaren dat wij hun getuigenis niet accepteren, zelfs al zeggen zij dat zij getekend hebben onder bedreiging van hun leven. Toen Rav Chisda Rabbi Meïrs standpunt uitlegde en verklaarde dat dit gebaseerd was op de gedachte dat getuigen de dood moeten verkiezen boven het afleggen van een valse getuigenis ( en dat hun verklaring dat zij het onder bedreiging van de dood getekend hebben dus zelfbeschudigend is  en dus niet geldig) werd hij aangevallen door Rava met de halachische regel (Sanhedrin 74a) dat de enige zonden waar een Jood zijn leven voor moet opofferen zijn: afgoderij, seksueel immoreel gedrag en moord.

Rabbi Chisda’s verklaring is het onderwerp van veel discussies onder de leidende commentatoren. Verschillende benaderingen zijn voorgesteld, waaronder een die zegt dat Rabbi Meïr in feite diefstal (waar valse getuigen zich aan schuldig maken) toevoegt aan de lijst van de hiervoor genoemde hoofdzonden. De oplossing die de Ritva en en Raäh voorstellen is dat we getuigen die getekend hebben uit vrees voor hun leven niet als zondaars beschouwen en dat hun getuigenis wat dat betreft niet als zelf-beschuldigend beschouwd wordt.

Maar daar vals getuigen een dergelijk afschuwelijke misdaad is in de ogen van de mensen, veronderstellen we dat deze getuigen de voorkeur zouden hebben gegeven om te sterven boven te ondertekenen en te liegen en daarom geloven we hen niet als zij zeggen dat zij aan de druk hebben toegegeven.

Rava verwerpt deze verklaring van Rav Chisda niettemin. Hij wijst erop dat wanneer deze getuigen een rabbinale rechtbank gevraagd hadden of zij moesten tekenen of sterven, dan zou hen gezegd worden dat zij moesten tekenen ten einde hun leven te redden. Hoe kunnen wij dan veronderstellen dat zij, op hun eigen initiatief voor het martelaarschap zouden hebben gekozen? Rava geeft daarom een andere verklaring voor R. Meïrs standpunt.

Het eren van de koning

Ketoebot 19a

Wanneer twee optochten van tegengestelde aard elkaar ontmoeten, dan moet de een wijken voor de ander. De begrafenisstoet is verplicht een andere route te zoeken, zodat het gezelschap dat de bruid naar haar choepa leidt, kan passeren.

Wanneer een van deze twee een optocht van de koning ontmoet, moeten zij voor hem wijken. Dit is misschien gebaseerd op het Tora-gebod dat men eer moet geven aan de koning: „Stel je, stel een koning over je aan” (Dewariem 17:15). Deze dubbele uitdrukking wordt door de Geleerden geïnterpreteerd als een aanwijzing dat de eer van een koning zo overheersend is, dat zelfs als hij afziet van die eer, wij toch verplicht zijn hem die eer te bewijzen. Dit kan makkelijk begrepen worden met betrekking tot het publiek dat door moet gaan hem te eren, ook nadat hij is afgetreden. Maar hoe zit dat met de koning zelf – heeft hij het voorrecht om te handelen in overeenkomst met zijn weigering van de eer die hem toekomt?

Onze Gemara vermeldt dat Koning Agrippas eens toestond dat een bruiloftoptocht voorrang kreeg boven zijn eigen stoet en dat hij werd geprezen door de Geleerden. De vraagt wordt opgeworpen waarom hij geprezen werd als de regel is dat de eer van een koning niet opzij gezet kan worden. Het antwoord dat gegeven wordt is dat deze ontmoeting plaats vond op een kruispunt van wegen, waar het helemaal niet duidelijk was dat de koning voorrang gaf aan de bruid, maar dat hij voortging in de richting van een andere weg.

Wat uit deze discussie blijkt is dat zelfs als de koning wenst voorrang te geven aan de bruid, waarbij het duidelijk is dat hij afziet van de eer die hem toekomt, hij dat niet kan doen. Maar ligt zijn eigen eer niet binnen zijn eigen jurisdictie?

Het antwoord is gebaseerd op een beter begrip van de eer die Tora aan een koning toekent. „Het aardse koningschap weerspiegelt het Hemelse Koningschap” zeggen onze Geleerden. Wanneer een onderdaan zijn koning eert, wordt hij herinnert aan de eer die hij verplicht is aan de Koning der koningen. Het is daarom de plicht van de aardse koning zelf om de waardigheid van zijn koningschap te handhaven en iedere handeling die daaraan afdoet te vermijden.

&

Het oneerlijke document

Ketoebot 19b      

Wanneer er een leugen in je bezit is, distantiëer je daar dan van en handhaaf geen oneerlijkheid in je huishouden.

(Ijov 11:14)

Deze waarschuwing tegen oneerlijkheid in je huishouding wordt door de Geleerden op verschillende manieren verklaard. Rabbi Jehosjoea ben Levi zegt dat het betrekking heeft op een crediteur die een schuldbekentenis vasthoudt, nadat die al betaald is. Rabbi Kahana zegt dat het een document betreft waarin sprake is van een lening die niet heeft plaatsgevonden maar die in het bezit van de schuldeiser is met de toestemming van de potentiële schuldenaar, zodat het voor handen is wanneer er snel een lening nodig is.

De gemeenschappelijke noemer in beide benaderingen is dat er een potentiëel voor oneerlijkheid is aan de kant van de schudleiser, die er betaling mee kan opeisen, waar hij geen recht op heeft. Rabbi Jehosjoea ben Levi, zegt de Gemara, zegt kennelijk dat het oneerlijk is om een schuldbekentenis in bezit te hebben, als er geen lening heeft plaatsgevonden, omdat dit nog erger is dan een schuldbekentenis die al is afbetaald, en waar dus een element van waarheid in zit. Maar wat is het standpunt van Rav Kahana met betrekking tot een schuldbekentenis die al betaald is?

Dit, zegt de Gemara, is geen oneerlijkheid in de ogen van Rav Kahana, omdat er een rechtvaardige reden voor kan zijn om een betaalde schuldbekentenis vast te houden. De kosten voor het huren van een schrijver om een leencontract te schrijven rusten op de lener. Maar soms is de lener zo krap bij kas, dat hij dat niet kan betalen. De schuldeiser heeft dan de keuze om dat geld voor de huur van de schrijver te betalen, en zich het recht te reserveren om het leencontract vast te houden, zelfs al is de lening afbetaald, totdat hij betaling ontvangt voor de kosten van de schrijver. Daar hij een legitiem recht heeft om het leencontract vast te houden, kan hij niet van oneerlijkheid beschuldigd worden.

Wat is Rabbi Jehosjoea’s antwoord hierop?

Tosafot en Rosj menen dat Rabbi Jehoesjoea het ermee eens is dat de crediteur het leencontract in dat geval mag vasthouden, totdat hij de kosten voor de schrijver vergoed heeft gekregen. De oneerlijkheid komt alleen op het toneel wanneer hij ook daarna nog de schuldbekentenis vasthoudt, zelfs nadat hij volledig betaald is en dan stelt hij zich bloot aan vergeetachtigheid, dat de lening al betaald is en zou hij opnieuw betaling kunnen eisen. Dit in tegenstelling tot Rav Kahana, die meent dat aangezien de crediteur aanvankelijk terecht het contract vasthield, hij later niet van oneerlijkheid beticht kan worden.

Ran, wiens mening de enige is die genoemd wordt in de Sjoelchan Aroech (Chosjen Misjpat 57:1), meent dat Rabbi Jehosjoea ben Levi van mening is dat er een oneerlijkheid zit in het vasthouden van een betaalde schuldbekentenis, zelfs als het motief hiervoor is de betaalde kosten van de schrijver vergoed te krijgen, wegens het gevaar dat de crediteur vergeet dat de lening betaald is en oneerlijk opnieuw betaling vraagt.

&

Een andere kijk op het mysterie van de verdwenen broer

Ketoebot 27b

Een oppervlakkig lezen van de Gemara onthult vaak alleen maar het topje van de ijsberg en we moeten vertrouwen op de commentatoren voor het hele plaatje. Laat ons deze waarheid, die voor de Talmoedisten zo bekend is, eens illustreren aan de hand van onze Gemara.

Mori bar Issak werd bezocht door een man uit Bei Chozaä, die beweerde dat hij zijn broer was en eiste een deel van de erfenis van zijn overleden vader. Toen Mori verklaarde dat hij hem niet als broer herkende, werd de zaak voorgelegd aan het Beet Din van Rav Chisda.

„Hij kan best eerlijk beweren dat hij u niet herkent,” zij Rav Chisda, „net zoals Josef zijn broers, toen die naar Egypte kwamen, wel herkende, maar zij hem niet. Toen hij hen verliet, hadden zij al baarden, zodat hun uiterlijk niet zo veranderd was. Hij had echter nog geen baard, zodat zij hem nu met baard niet herken­den.”

Om het probleem op te lossen verzocht Rav Chisda de bezoeker met getuigen te komen dat hij de broer van Mori was. „Ik heb zulke getuigen,” antwoordde hij, „maar zij zijn bang om te getuigen tegen een dergelijk gewelddadige man als Mori.”

Rav Chisda wendde zich nu tot Mori, en vroeg hem met getuigen te komen, dat de bezoeker niet zijn broer was, waarmee hij de normale bewijslast verlegde van degene die de eis indient naar degene die gedaagd wordt, wegens Mori’s gewelddadige reputatie.

Op de vraag van de Gemara dat we de getuigen, die Mori meebracht, niet kunen geloven omdat zij misschien door hem geïntimideerd werden om te liegen in zijn voordeel, wordt geantwoord dat wij getuigen er alleen van verdenken om hun getuigenis te weerhouden, maar niet dat zij in zijn voordeel zullen liegen.

Laten we nu dit verhaal opnieuw vertellen, nu gebaseerd op het commentaar van Tosafot.

De bezoeker was geboren in een gemeenschap waar Mori woonde en ging als jongeman met zijn vader naar het buitenland. Toen hij terugkwam en zijn claim op de erfenis maakte, ontkende Mori niet categorisch dat hij zijn broer was, maar dat hij hem niet herkende. Het zou tamelijk verdacht lijken dat iemand zijn eigen broer niet herkent, wanneer Rav Chisda niet het voorbeeld van Josef en diens broers naar voren had gebracht.

Toen de eiser met getuigen kwam om te verklaren dat hij Mori’s broer was, verklaarden zij dat zij niet zouden getuigen. Dit was voldoende reden voor Rav Chisda om de bewering van de broer te accepteren dat zij bang waren om tegen Mori te getuigen wegens diens gewelddadige reputatie. Hij daagde daarop Mori uit om deze getuigen zover te krijgen dat zij zouden getuigen dat de eiser niet de broer was of dat zij hem niet als zijn broer herkenden.

Waarom zouden we hen geloven, vraagt de Gemara, als we hen ervan verdenken te zijn geïntimideerd door Mori? Waarop de Gemara antwoordt dat intimidatie alleen verondersteld wordt wanneer de getuigen weigeren te getuigen, maar niet als reden om te liegen ten behoeve van Mori