Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   5 Kislev 5768

Traktaat Ketoevot 28-42 Nr.154 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het vruchtbare geheugensteuntje

Ketoebot 28b

Ketsatsa was de naam van een ongebruikelijke gewoonte, waarvan het doel was om de familie-afstamming zuiver te houden.

Wanneer een lid van de familie trouwde met een vrouw die ongeschikt voor hem was, dan vergaderde de rest van de familie om er zeker van te zijn dat deze verkeerde combinatie herinnerd zou worden, opdat de kinde­ren die hieruit geboren zouden worden, zich niet zouden mengen met de nakomelingen van de familie. De gebruikte taktiek was om een blik gevuld met fruit open te breken en alle aanwezigen uit te nodigen daaruit iets te nemen als een aandenken voor latere generaties aan het ongewenste huwelijk.

Maharsja legt uit dat het voornaamste doel van het beschikbaar maken van het fruit, was om indruk te maken op de jongeren, die van fruit houden en zouden komen aan rennen om het te pakken. Zij zouden, zo had men het gevoel, nog lang aan deze gebeurtenis denken, zoals de Misjna in Traktaat Avot (4:20) erop wijst: „Wie een kind iets leert is als iemand die met inkt schrijft op nieuw papier.”

Zelfs als de volwassenen die bij deze rite aanwezig waren, het ongewenste huwelijk zouden vergeten, dan werd er gehoopt dat het kind, dat van het fruit genoten had, zich zou herinneren waarom het was verstrekt en en dat het in staat zou zijn voor een rechtbank te getuigen betreffende de status van de familie die uit dat huwelijk voortkwam.

Wanneer het te heet wordt

Ketoebot 30a

Alles komt van de Hemel, zeggen onze geleeerden, behalve kou en hitte.

Tosafot legt uit dat iemand hulpeloos is om alle bedreigingen van zijn veiligheid of comfort, welke de Hemel op hem afstuurt, te voorkomen. Maar tegen kou en warmte heeft hij de mogelijkheden gekregen zich te beschermen.

Deze stelling wordt aangevallen op basis van een Midrasj (Wajjikra Rabba 16:8):

De Romeinse Keizer Antonius vroeg aan Rabbi Jehoeda HaNasi (Rebbi) om hem te zegenen. „Moge Hasjem u beschermen tegen de koude,” antwoorde de geleeerde.

„Daar heb ik geen zegen voor nodig,” reageerde Antonius, die erop wees dat alles wat hij nodig had om zich tegen de koude te beschermen, een extra deken was.

„Moge Hasjem u beschermen tegen de hitte,” luidde de nieuwe beracha van Rebbi.

„Dat is inderdaad een zegen,” reageerde de dankbare keizer, „want er staat geschreven: ‘Niets is veilig voor de hitte [van de zon] (Tehilliem 19:7).’ ”

Deze Midrasj lijkt te willen zeggen dat de mens de mogelijkheid mist om zich te beschermen tegen extreme hitte, en dat het nodig was voor Rebbi om voor een dergelijke bescherming te bidden voor de heerser, met wie hij bevriend was.

Tosafot reageert hierop door te wijzen op het verschil tussen iemands persoonlijke mogelijkheden om zichzelf te beschermen tegen de hitte wanneer hij thuis is en zijn mogelijkeheid om dat te doen wanneer hij onderweg is of in een strijd gewikkeld is. Thuis kan hij afkoelen in een stenen huis of in de kelder (de antieke versie van de moderne ventilatoren en air conditioning!), iets wat niet mogelijk was wanneer hij van huis was. Als de heerser van een machtig rijk moest Antonius veel reizen en veel oorlogen voeren. Hij realiseerde zich dat in dergelijke situaties hij niet in staat zou zijn om een schuilplaats te vinden voor de extreme hitte van de zon, waaraan hij vaak was blootgesteld. Daarom appriciëerde hij de zegen van zijn Joodse vriend, dat hij speciale G-ddelijke bescherming zou krijgen voor een dergelijk ongemak.

Een lot, erger dan de dood

Ketoebot 33b

Een straf die erger is dan de de dood?

Ja, zegt Rav. Chananja, Misjael en Azarja waren drie Joodse helden die het bevel negeerden van de Babylonische heerser Nevoechadnetsar om te buigen voor het standbeeld dat hij had opgericht, zelfs al betekende dat om te worden geworpen in een brandende oven.. „Wij zullen uw afgod niet dienen, noch zullen wij buigen voor het gouden standbeeld dat u heeft opgericht,” verklaarden zij stoutmoedig, voordat zij in de vlammen werden geworpen, waarvan zij op wonderbaarlijke wijze werden gered (Daniël 3:18). Wanneer deze drie helden zouden zijn onderworpen aan martelende slagen, zei Rav, dan hadden zij gebogen voor het standbeeld.

Onze Gemara citeert deze uitspraak van Rav als een blijk van twijfel voor de veronderstelling dat de doodstraf die een Beit Din als vonnis velt, erger is dan de straf van geseling. De uitdaging wordt ter stond verworpen door onderscheid te maken tussen een vast aantal zweepslagen  die door  het Beit Din gegeven worden en de eindeloze slagen die een vijand geeft, die zijn gevangenen wil breken.

Maar Ravs verklaring over het beperkte heldendom van Chananja, Misjaël en Azarja wordt zorgvuldig geana­ly­seerd door Tosefot. Het verslag van de Gemara over Rabbi Akiava’s martelaarschap (Berachot 61b) schijnt te suggereren dat het martelaarschap ook voorkomt in het aangezicht van marteling. Toen de Romeinen het vlees van Rabbi Akiva’s lichaam afscheurde met behulp van ijzeren harken, vertelde hij zijn leerlingen dat hij eindelijk de gelegenheid had gekregen om zijn levenslange wens in vervulling te doen gaan, namelijk om het Tora-gebod om Hasjem lief te hebben „met heel je ziel” uit te kunnen voeren, hetgeen betekent: je leven op te geven. Wanneer Rabbi Akiva zichzelf gebonden achtte om zijn geloof te handhaven in het aangezicht van martelingen, die erger zijn dan geseling, waarom concludeert Rav dan dat deze drie helden gezwicht zouden zijn voor afgoderij uit angst voor geseling?

Tosafot haalt de verklaring van Rabbeinoe Tam aan, dat het standbeeld van Nevoechadnetsar niet echt een afgodsbeeld was, alleen maar een instrument om eerbied aan de koning te bewijzen. Een aanwijzing hiervoor is te vinden in de hiervoor vermelde verklaring van de drie, welke onderscheid maakt tussen het dienen van de god van de koning en buigen voor zijn standbeeld, Er was daarom geen verplichting tot martelaarschap. Zij waren bereid om hun leven te geven omdat er een element van kiddoesj Hasjem [heiliging van G-ds naam] in hun daden was. Maar daar hadden zij geen eindeloze geselingen voor hoeven te verduren.

Hoewel Tosafot niet verklaart waarom er kiddoesj Hasjem met hun daden gemoeid was, vinden we een verklaring in de woorden van Nimoekei Josef aan het eind van Masèchet Sanhedrin. Hoewel het verkeerd is voor een gewone Jood om de martelaar te spelen als het niet nodig is volgens de wet, is het wel goed voor een vrome leider om dat te doen, wanneer hij voelt dat hij daarmee zijn generatie sterk maakt. Daar de meeste Joden ten onrechte veronderstelden dat het standbeeld een afgodsbeeld was en zij zodoende verzwakt werden in hun afschuw voor afgoderij, was het een kiddoesj Hasjem voor de drie helden om hun leven op te  offeren, ten einde deze trend tegen te gaan.

De geheimen van leven en dood

Toen het Sanhedrin nog de macht had om de doodstraf toe te passen op overtreders, bestonden er vier soorten doodstraf. Zelfs nadat de doodstraf niet meer werd toegepast, zorgde de Hemel ervoor dat diegenen die deze ernstige misdaden begaan hadden, een gewelddadige dood stierven op een manier die leek op de soort executie die zou zijn uigevoerd tegen hen in de tijd van het Sanhedrin.

Hoe komt het dan, vraagt Tosafot dat wij afgodenaanbidders en andere zware misdadigers een natuurlijke dood zien sterven?

Het antwoord dat we krijgen, is dat deze zondaars misschien tesjoewa hebben gedaan [berouw hebben getoond]  zonder dat wij dat weten en dat hun zonden werden vergeven of dat op zijn minst hun straf werd verlicht. Tosafot voegt daaraan toe dat zelfs de mogelijkheid bestaat dat de zondaar een speciale verdienste had die hem redde van een gewelddadige dood en die maakt dat hij zijn straf in de Komende Wereld krijgt.

Maharsja breidt dit laatste punt nog verder uit om te verklaren waarom wij soms rechtvaardige mensen, zoals Rabbi Akiva zien, die een gewelddadige dood sterven. In zo’n geval is het omgekeerde waar. Deze heilige mensen is een gelegenheid tijdens hun leven op aarde gegeven om verzoening te verkrijgen voor een over­treding die zij begaan hebben, zodat zij het hiernamaals kunnen binnentreden met een schone lei.

De prijs van vlees

Ketoebot 34b

Een man leende eens een koe, maar de man stierf nog voordat hij het dier kon teruggeven. Zijn kinderen veronderstelden dat de koe van hun vader was en dat zij die geërfd hadden en slachtten de koe en aten zijn vlees op. Wanneer zij hun vergissing ontdekken, moeten zij dan betalen voor het verlies, dat zij de eigenaar van de koe veroorzaakten?

Ja, zegt Rava, maar niet de totale waarde van het vlees, alleen zoveel als zij hadden moeten betalen voor het vlees wanneer zij dat voor een lage prijs hadden gekocht.

Deze beslissing van Rava is moeilijk te begrijpen. Wanneer wij de kinderen verantwoordelijk achten voor schade, die veroorzaakt is, ook al was dat onopzettelijk, waarom hoeven zij dan niet de volle prijs van de koe te betalen? Wanneer zij wegens afwezigheid van opzet vrijgesteld zijn van verantwoordelijkheid, waarom moet zij dan iets betalen?

Deze beslissing van Rava wordt door Tosafot aangehaald in Mesèchet Bava Kamma (27b) als bewijs dat hoewel Tora iemand verantwoordelijk stelt voor de schade die hij onopzettelijk veroorzaakt, er geen verantwoordelijkheid is wanneer de zaak volkomen buiten zijn controle ligt. Een ander voorbeeld is dat wat hierboven genoemde Gemara aangehaald wordt, betreft een man die een schaal van een ander breekt, terwijl hij in het donker ’s nachts over straat loopt.

Daar we deze kinderen niet verantwoordelijk kunnen stellen voor schade die ontstaan is onder omstandigheden die volledig buiten hun controle was, is het enige wat de eigenaar van hen kan eisen, is een vergoeding voor het profijt dat zij van zijn dier gehad hebben. Dit profijt, zegt de Gemara in Bava Batra 146b) wordt geschat op slechts tweederde van de waarde van het vlees dat zij gegeten hebben. Rasjbam verklaart de logica hiervan als volgt: we veronderstellen dat als zij hadden geweten dat zij moesten betalen voor het vlees, zij van dit eetplezier zouden hebben afgezien. Maar als zij soortgelijk vlees hadden kunnen kopen tegen met een korting van eenderde van de prijs, dan veronderstellen we dat zij dat opgewekt zouden gedaan hebben. En dit is daarom het bedrag dat verondersteld wordt gelijk te zijn aan het profijt dat zij van het vlees hadden en dat zij moeten betalen.

Rasji voegt nog een voetnoot toe aan de betalingsverplichting van deze onschuldige erfgenamen: wanneer de huid nog bestaat, moeten zij die in zijn geheel aan de eigenaar terug geven.

Houd die tijger!

Ketoebot 41b

Voor een dier dat schade veroorzaakt op een ongewone manier moet zijn eigenaar een boete betalen gelijk aan de halve waarde van de schade. Dit is met inbegrip van het klassieke geval van de os voor de eerste drie keer dat hij gestoten heeft, of een hond die een schaap opeet. Dit wordt beschouwd als een straf en niet als een schadevergoeding, omdat de eigenaar geen rekening had hoeven te houden met het wilde gedrag van zijn dier. Maar omdat het alleen maar een straf is van Tora, om de mensen zorgvuldiger op hun dieren te laten letten, had alleen een dajan [een rechter van een Beit Din] met semicha, zoals dat bestond in Erets Jisraël, de jurisdictie om een dergelijke straf op te leggen. In Talmoedische tijden in Babylonië en tegenwoordig overal, kan een rabbijnse rechtbank niet de eigenaar verplichten om de voornoemde boete te betalen.

Wanneer echter het slachtoffer eigendommen van de eigenaar van het dier confisceert om de kosten van deze boete te dekken, zal het Beit Din dat niet van hem wegnemen. Wat precies legale confiscatie inhoudt is het onderwerp van een uitgebreide discussie tussen de commentatoren. [De boete wordt aan het slachtoffer betaald, en niet, zoals in de hedendaagse westerse rechtspraak, aan de staat die er niets mee te maken heeft.]

Tosafot citeert de mening van Rabbeinoe Tam, dat alleen als het slachtoffer het dier dat de schade veroor­zaakt heeft, grijpt, wij het hem laten houden als compensatie voor de boete. Maar als hij andere eigendom­men in beslag neemt, nemen we dat van hem af. Hij verklaart dat als we hem toestaan andere eigendommen in beslag te nemen, het kan zijn dat hij goederen in beslag neemt met een hogere waarde dan wat hem toekomt en het Beit Din zal dan niet in staat zijn om het extra bedrag van hem af te nemen, omdat het geen jurisdictie heeft in strafrechtzaken.

Dit standpunt wordt fel bestreden door de Rosj en anderen, die beweren dat confiscatie van ieder eigendom effectief is. En wanneer de waarde van het geconfisceerde eigendom die van de boete overtreft, dan zal het Beit Din de beslaglegger dwingen het verschil terug te betalen. Dit word niet beschouwd als rechtspreken in een strafzaak, want dat facet van de zaak is al afgesloten met de eerste confiscatie en het enige wat het Beit Din doet is het terugvorderen van het extra geld.

De benadering van Rabbeinoe Tam is het onderwerp van veel discussie bij latere commentatoren. Hoewel in onze Gemara alleen staat dat hij beperkingen oplegt op de confiscatie, wordt in een andere Tosafot op Bava Kamma 15b eraan toegevoegd dat de confiscatie moet plaats vinden ten tijde van de schade. Sommige commentatoren interpreteren dit als een confiscatie voordat het dier terugkeert naar het huis van zijn eigenaar. Zij trekken daarbij een parallel met een latere Gemara (Ketoebot 48b), waar onderscheid gemaakt wordt tussen confiscatie van eigendommen voor de betaling van een schuld voordat die eigendommen het domein van de erfgenamen binnengaat en daarna.

Volgens een andere mening bedoelt Rabbeinoe Tam de confiscatie te beperken tot het moment van de schade zelf. De logica hiervan is dat dit een speciale rabbinale dispensatie was voor het slachtoffer, van wie niet verwacht kan worden dat hij zich beheerst en het dier niet grijpt op het moment van zijn woede. Deze benadering kan ook als antwoord dienen voor het bezwaar van Rasjasj, dat zelfs volgens Rabbeinoe Tam er een probleem is dat het dier dat de beschadiging heeft veroorzaakt zelf meer waard is dan de boete en dat het Beit Din moet ingrijpen om het verschil terug te vorderen.

Sinai en de bergenverzetter

Ketoebot 42b

Een halachisch probleem zat de twee leidende geleeerden van Babylonië, Rabba en Rav Josef dwars gedurende tweeëntwintig jaar. Pas nadat Rabba was overleden en werd opgevolgd door Rav Josef als Rosj Jesjiva werd het probleem uiteindelijk opgelost.

De achtergrond van deze gebeurtenis wordt ons door Rasji gegeven. Op een gegeven moment waren zowel Rabba als Rav Josef candidaten voor de functie van Rosj Jesjiva [hoofd van de academie] en ieder had zijn eigen specifieke kwalitei­ten. Rav Josef stond bekent als ‘Sinai’ vanwege zijn encyclopedische kennis, tewijl Rabba bekend stond als „degene die bergen verzet en ze fijnmaalt,” wegens zijn scherpe analytische ver­mogen.

De Babylonische gemeenschap wendde zich om raad tot de geleeerden in Erets Jisraël, die hen adviseerden om Rav Josef aan te stellen, omdat iedereen afhankelijk is van de „leverancier van het graan,” een verwijzing naar Rav Josefs pakhuis vol informatie.

Ondanks het feit dat hem deze aanzienlijke positie werd aangeboden, weigerde Rav Josef het aan te nemen. Hij had namelijk eerder van astrologen geleerd dat hij bestemd was om slechts twee jaar als Rosj Jesjiva te fungeren, en hij ging er daarom van uit dat als hij de positie accepteerde, zijn leven spoedig tot een einde zou komen. Hij besloot daarom tweeëntwintig jaar te wachten, gedurende welke hij afzag van het leiderschap ten gunste van Rabba en hij begon zijn eigen termijn van leiderschap na het overlijden van Rabba. Pas toen werd het tweeëntwintig jaar oude probleem opgelost.

Hoe kwam het dat een probleem, waarvan de oplossing beide geleeerden ontgaan was gedurende tweeëntwintig jaar, plotseling werd opgelost door de nieuwe Rosj Jesjiva?

Dit, concludeert Rasji, was een daad van Hemelse interventie. Daar Rav Josef niet zo uitblonk  en niet zo briljant was in analyse als zijn voorganger, bestond er het gevaar dat hij niet hetzelfde respect van de Tora-geleerden zou krijgen. Hij kreeg daarom Hemelse assistentie om het probleem op te lossen, zodat „Sinai” ook als „Bergenverzetter” zou worden gewaardeerd.