Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   12 Kislev 5768

Traktaat Ketoebot 43-56 Nr.155 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De tweevoudige verliezer

Ketoebot 43b

Katlanit is het woord dat gebruikt wordt om een vrouw te beschrijven die tweemaal weduwe geworden is zij wordt beschouwd als een gevaar voor een andere echtgenoot en mag daarom niet opnieuw trouwen.

Dit wordt bedoeld in onze Misjna en daar wordt elders (Mesechet Jevamot 64b) verder over gesproken. Er worden twee redenen gegeven voor dit gevaar, waarvan er een is, dat zij verondersteld is ongeluk te brengen aan haar man.

De vraag komt op, waarom een dergelijke regeling niet geldt voor een tweevoudige weduwnaar. Zouden we niet moeten veronderstellen dat het zijn lot is om zijn vrouwen te verliezen en dat het hem daarom verboden is om een derde keer te huwen?

Het antwoord dat de Rosj geeft in zijn responsa is, dat het niet door de mazal van de tweevoudige weduwe komt dat haar echtgenoten overlijden, maar dat zij niet de financiële steun van een echtgenoot moet hebben. Dit geldt niet voor een man, die niet voor zijn onderhoud afhankelijk is van zijn vrouw.

Volgens deze benadering is de vraag wat de regeling is in geval de tweevoudige weduwe een vrouw is die een derde echtgenoot kan onderhouden.

Rabbijn Jechezkel Landau (de Noda B’Jehoeda) besliste dat zij inderdaad een derde keer mag trouwen. Zijn beslissing werd echter aangevallen door Rabbijn Mosjé Sjoder (de Chatam Sofer), die besliste dat een dergelijk huwelijk verboden is.

&

Begraaf mij niet!

Ketoebot 48a

Wanneer een man zijn kinderen opdracht geeft om de bezittingen, die hij hen nalaat, niet te gebruiken voor zijn begrafenis, dan moet deze wens genegeerd worden. Aldus besliste Rabbi Masnee. De reden: hij heeft niet het recht om zijn erfgenamen te verrijken ten koste van de gemeenschap, door hen te verplichten zijn begrafenis te bekostigen uit de gemeenschapsgelden.

Tosafot (op Bechorot 42b) citeert deze Gemara met betrekking tot een vraag die in Sanhedrin (46b) voor­komt. Daar vragen de Geleerden zich af of het doel van de begrafenis is om de vernedering van de overle­dene te vookomen, die onstaat als de ontbinding van zijn lichaam voor iedereen zichtbaar is, of dat het dient als een verzoening voor de zonden van de overledene, door hem onder de aarde te verbergen. Het praktische verschil ontstaat wanneer beslist moet worden hoe te reageren in een geval waarin een man, vóór zijn dood vraagt om niet te worden begraven. Wanneer het doel is vernedering te voorkomen, dan heeft hij geen recht om van de begrafenis af te zien, want zijn onbegraven lichaam zal een bron van schaamte zijn voor zijn familie. Maar als het enige doel verzoening is, dan heeft hij wel het recht af te zien van een begrafenis.

Waarom, vraagt Tosafot, citeert de Gemara daar niet de regeling van Rabbi Masnee in onze Gemara als een bewijs dat men niet kan afzien van een begrafenis?

Het antwoord dat gegeven wordt, is dat in ons geval hij niet afzag van een begrafenis, maar dat hij begraven wilde worden op kosten van de gemeenschap. In een dergelijk geval is er geen vraag of hij begraven moet worden, zelfs voor het doel van verzoening.

&

Erger dan de wrede raven

Ketoebot 49b

Hoelang is een vader verplicht voor zijn kind te zorgen?

Er zijn twee stadia in de leeftijd van een kind voor wat betreft zijn onderhoud. In een latere Gemara (Ketoebot 65b) staat duidelijk dat een vader zijn kind moet onderhouden tot de leeftijd van zes jaar. Maar in onze Gemara leren we dat toen het Sanhedrin in Oesja gezeteld was, er beslist werd dat een vader zijn kin­deren moet onderhouden totdat zij bar- of bat mitswa zijn.

Hoewel het onderhoud tot de eerste leeftijd verplicht is en kan worden afgedwongen door een Rabbijnse rechtbank door middel van confiscatie van bezittingen, kan het onderhoud  tot de tweede leeftijd alleen afge­dwongen worden door sociale druk, zoals die in onze Gemara genoemd wordt.

Toen een geval van een vader, die weigerde zijn kinderen te onderhouden, voor Rabbi Chisda kwam, stond hij erop dat de man zichzelf belachelijk zou maken door in het openbaar te verklaren dat hij erger en wreder dan de raven is, want die zorgen voor hun jongen.

De geleerde Rava prikkelde het geweten van een weerspannige vader, door hem te vragen of hij zich prettig zou voelen bij de gedachte dat zijn kinderen afhankelijk zouden zijn van liefdadigheid.

Dit laatste punt leidde tot de uiteindelijke halachische beslissing over dit onderwerp. Hoewel geen dwang wordt uitgeoefend als het kind ouder dan zes jaar is, geldt dit alleen als de vader niet iemand is met voldoen­de middelen en in staat om een behoorlijk tsaddaka te geven. Wanneer hij die middelen niet bezit, dan kan hij inderdaad gedwongen worden zijn kinderen te onderhouden, als een vorm van liefdadigheid.

&

Een solide investering

Ketoebot 50a

„Welvaart en rijkdom zal er in zijn huis zijn, en zijn rechtvaardigheid zal eeuwig duren.” Aldus Koning David in Tehilliem 112:3.

Wie is de anomieme ontvanger van deze zegen?

Volgens één mening in onze Gemara is dit degene die Tora leert en dat ook aan anderen leert.

Maharsja biedt een fascinerende verklaring voor de vergelijking tussen Tora-studie en materiële welvaart. Met betrekking tot welvaart is ons geleerd door Rabbi Jochanan (Taäniet 9a) dat de dubbele uitdrukking: „Vertienden, vertienden zullen jullie” (Dewariem 14:22) betekent dat de beloning  voor het uitvoeren van de mitswa van het vertienden, de zegening van welvaart is. (Het Hebreeuwse woord kan als teasser – vertienden – gelezen worden, zowel als teasjer, hetgeen ‘wordt rijk’ betekent.) Tosafot haalt daar Sifrei aan, en zegt dat dit niet alleen geldt voor landbouwproducten, hetgeen Tora gebiedt te vertienden, maar dat het ook geldt voor het vertienden van alle inkomens en winsten.

Net zoals iemand, die een deel van zijn rijkdommen afstaat aan tsaddaka en daardoor geen vermindering van zijn middelen lijdt, maar juist een vermeerdering krijgt, zo is het ook met het uitdelen van Tora-kennis. De Geleerden (Rabbi Chanina in Taäniet 7a en Rebbi in Makkot 10a) hebben verklaard: „Veel heb ik geleerd van mijn leraren; meer nog van mijn collega’s; maar het meest heb ik geleerd van mijn leerlingen.” De geleerde die zijn kennis deelt met anderen, verliest niets. Hij wordt alleen maar welvarender met de rijkdommen van Tora-kennis.

&

De aristocratie van de stilte

Ketoebot 51b

„De aristocraten onthielden zich van praten en legden hun hand op hun mond” (Ijov 29:9).

Dit vers past Rav toe op een andere eminente Tora-Geleerde, de vader van Sjmoeël.

De achtergrond van deze uitspraak was een regeling van Sjmoeëls vader, die door Rav werd aangevallen. Hoewel er een mogelijkheid bestond om deze aanval de weerleggen, besloot Sjmoeëls vader zich stil te houden.

Er is geen aanwijzing in onze Gemara dat deze stilte betekende dat Sjmoeëls vader met Rav instemde, dat hijzelf ongelijk had. Wij blijven daarom zitten met het mysterie waarom hij naliet zijn standpunt te verdedigen. Het is ook moeilik te begrijpen wat Rav bedoelde met de vergelijking van de stilte van zijn collega met de stilte van de aristocraten in Ijov, want het is ondenkbaar dat hij zich verlustigde over het idee dat hij zulk een gerespecteerde collega monddood had gemaakt.

Het blijkt dat er een zekere subtiele aristocratie is in het bewaren van stilte onder bepaalde omstandigheden, die alleen zulke grote Tora-geleerden als de vader van Sjmoeël en Rav in staat waren te appreciëren.

&

De extra verplichting

Ketoebot 54b

Hoewel een man die een maagd trouwt, verplicht is om in de ketoeba op te nemen dat hij haar tweehonderd zoez zal betalen in geval van echtscheiding of als hij overlijdt (en honderd zoez aan een weduwe of gescheiden vrouw), mag hij zichzelf verplichten daaraan ieder bedrag dat hij wenst toe te voegen, hetgeen de tosèfet ketoeba (het extra bedrag van de ketoeba) genoemd wordt.

Deze regeling van de Misjna wordt aangevallen door de Gemara als iets wat zo voor de hand ligt, dat het overbodig lijkt, omdat iemand zeker iedere verplichting die hij wenst, op zich mag nemen. De Gemara verklaart dat als deze regeling er niet was, we zouden kunnen veronderstellen dat het illegaal was voor een man om zich voor een hoger bedrag te verplichten dan het standaard bedrag, omdat het beschamend zou  kunnen zijn voor diegenen die het zich niet kunnen permitteren een dergelijke verplichting op zich te nemen.

Ran leidt hiervan af dat wanneer iemand zich verplicht tot een extra bedrag, hij dat niet apart in de ketoeba hoeft te specificeren, maar dat hij mag schrijven dat hij zich verplicht tot het samengestelde bedag als „bruidschat voor haar maagdelijkheid.” Wanneer dit extra bedrag als een aparte zin geschreven zou moeten worden, zo beweert hij, dan zou er geen reden zijn om zelfs maar de mogelijkheid de overwegen van beschaamdheid, omdat iedere ketoeba het standaard bedrag voor een bruidschat noemt.

Tosafot Jom Tov op de Misjna verleent steun aan dit standpunt door een eerdere Misjna (12a) aan te halen, waar staat dat de Rabbinale rechtbanken van de Kohaniem een ketoeba van vierhonderd zoez voor de bruiden van de Kohaniem-families eisten en de Geleerden hadden daar geen bezwaar tegen. Wat er zo speciaal aan hun gewoonte was, merkt hij op, was dat het hele bedrag in de ketoeba genoemd werd als een maagde­lijke bruidschat en niet in twee aparte zinnen vermeld werd als één voor het standaard bedrag en één voor het extra bedrag.

De Rama in de Sjoelchan Aroech, Even Haëzer (66:7) citeert deze beslissing van Ran, maar noemt ook een andere opinie, namelijk van de Mordechai, dat de twee bedragen apart vermeld moeten worden. De Rama concludeert dan de algemeen geaccepteerde gewoonte volgens de laatste mening is. De redenatie van deze mening is dat als de eerdere Misjna al het recht vermeld om geld toe te voegen aan de ketoeba, het overbodig lijkt dat onze Misjna dat recht nogmaals vermeldt. De conclusie moet daarom zijn dat de Kohaniem (en andere vooraanstaande families, zoals de Gemara daaraan toevoegt) het hele bedrag in één clausule opschreven als de bruidsschat voor een maagd omdat dit de standaard gewoonte was in die kringen, maar dat ieder ander het apart moet vermelden: het standaard bedrag en het extra bedrag.

&