Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   20 Kislev 5768

Traktaat Ketoevot 57-70 Nr.156 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wanneer een maand niet meetelt

Ketoebot 57b

Een maagd die reeds verloofd is d.m.v. kiddoesjien krijgt twaalf maanden de tijd om zich op haar huwelijk voor te bereiden vanaf het tijdstip dat haar bruidegom haar ten huwelijk gevraagd heeft.

Dit was een regeling in de tijd van de Talmoed, toen kiddoesjien en nissoeïen niet tegelijkertijd plaatsvonden, zoals tegenwoordig. Deze voorbereidingstijd gold voor een na’ara – een meisje tussen de twaalf en twaalf-en-een-half jaar oud – en voor de eerste twaalf maanden nadat zij het stadium van volwassenheid van twaalf-en-een-half jaar bereikt had. Daar het doel van deze wachttijd was om haar de tijd te geven haar persoonlijke benodigdheden voor te bereiden, was de veronderstelling dat wanneer zij eenmaal het stadium van volwassenheid bereikt had, zelfs al was zij niet verloofd, zij reeds begonnen was zich op haar huwelijk voor te bereiden.

Telt de extra maand in een schrikkeljaar als één van de twaalf maanden?

Hoewel dit niet in de Gemara genoemd wordt, is er door de Rasjasj gesuggereerd dat we voor het antwoord een blik werpen op de bron in Tora, die door onze Geleerden wordt aangehaald als een leidraad voor het vaststellen van de lengte van de wacht­periode. Rav Chisda verwijst naar de onderhandelingen tussen Avrahams bediende Eliëzer en de familie van Rivka, toen hij haar als bruid naar Jitschak wenste te brengen.  „Laat het meisje dagen of tien maanden bij ons blijven,” suggereerden haar broer en moeder (Bereisjiet 24:55). Het is onlogisch om eerst voor een uitstel van enkele dagen te vragen en daarna een uitstel van tien maanden voor te stellen, concludeert Rav Chisda, en daarom moet het woord dagen worden opgevat als ‘een jaar’ – een aanwijzing dat een meisje een jaar nodig heeft om zich op haar huwelijk voor te bereiden. Als bewijs dat de uitdrukking dagen  een jaar kan betekenen, citeert hij het vers uit Wajjikra (25:29), waar de tijdslimiet voor de lossing van een huis, dat in een ommuurde stad verkocht werd, wordt vastgesteld op „dagen”, terwijl het uit het zinsverband duidelijk is, dat de verkoper een heel jaar de tijd heeft om zijn huis terug te kopen.

In verband met de wet op de lossing zegt de Misjna (Arechien 31a) duidelijk dat in een schrikkeljaar de optie voor de eigenaar van het huis pas na dertien maanden verloopt. Daar we de wachtperiode voor de bruid vergelijken met de wet voor de lossing van een huis, zouden we kunnen aannemen dat in een schrikkeljaar haar ook dertien maanden worden gegeven om zich voor te bereiden op haar huwelijk.

Wanneer deze conclusie juist is, dat wanneer onze Geleerden een periode van twaalf maanden vaststelden, het hun bedoeling was dat het in een schrikkeljaar dertien maanden zou zijn, dan zou dat een steun zijn voor het standpunt van de Rema (Sjoelchan Aroech, Even Haëzer 13:11) dat de periode van vier-en-twintig maanden vanaf de geboorte van een kind, die een gescheiden vrouw of weduwe, die een kind zoogt, moet wachten, voordat zij opnieuw trouwt, gelijk staat aan twee volle jaren en dat de extra maand van een schrikkeljaar niet wordt meegeteld [zodat zij dus feitelijk 25 maanden moet wachten]. Het roept ook twijfel op voor de mening van de samensteller van de Sjoelchan Aroech zelf dat die maand er wel bij is inbegrepen [d.w.z. dat die extra maand in het schrikkeljaar mee telt als één van de 24 maanden].

De Beit Sjmoeël (ibid. 22) wijst er echter op dat de periode van twaalf maanden die staan voor de rouw voor een ouder niet de extra maand van een schrikkeljaar bevat en dat de regeling van Rema beperkt was tot een decreet dat gebaseerd was op het gevaar voor het leven van het kind, dat afhankelijk is van de moedermelk.

&

Twee zuchten

Ketoebot 62a

„En jij, mensenkind, zucht met gebroken lendenen en met bitterheid, zucht voor hun ogen” (Jechezkel 21:11).

Dit was de profetie die de Profeet Jechezkel kreeg in verband met de droeve tijding over de verwoesting van het Beit HaMikdasj.

Van deze beschrijving van de invloed van een zucht, leidt de Geleerde Rav af, dat een zucht het halve lichaam breekt (tot de lendenen).

Zijn verklaring wordt echter in twijfel getrokken door de beschrijving in het volgende vers, waar G-d de profeet opdracht geeft antwoord te geven aan diegenen die zullen vragen naar de reden van zijn zuchten: „Dan zul je zeggen: ‘Vanwege het bericht dat gekomen is, dat ieder hart doet smelten, dat alle handen week maakt, dat iedere geestdrift doet verflauwen en dat alle knieën doet smelten als water.’ ”

Hoewel deze verzen suggereren dat een zucht het hele lichaam aantast, verklaart Rav dat dit betrekking heeft op de buitengewone zucht die treurt over de verwoesting van het Beet HaMikdasj.

Tosafot wijst erop dat hoewel beide verzen betrekking hebben op die tragedie, de eerste betrekking heeft op de zucht van de profeet bij het horen dat er verwoesting zal zijn en zo’n zucht is vergelijkbaar met een normale menselijke zucht, die alleen maar half het lichaam breekt. Het tweede vers heeft echter betrekking op de zucht die men laat, als gehoord wordt dat de tragedie heeft plaatsgevonden en die zucht verbrijzelt het hele lichaam.

&

Nieuw licht op een oud verhaal

Ketoebot 62b

Eén van de bekendste verhalen uit de Talmoed is dat van Rabbi Akiva en zijn moedige vrouw. Zij was de dochter van de fabelachtig rijke Kalba Savoea en toen zij het buitengewone talent van de onwetende schaap­herder herkende, die voor haar vader werkte, stemde zij erin toe om met hem te trouwen wanneer hij in een jesjiva [talmoed-hogeschool] zou gaan studeren. Haar woedende vader gooide haar het huis uit en zwoor dat het haar verboden was om enig profijt te hebben van zijn bezittingen. Toen Rabbi Akiva vieren­twintig jaar later terugkeerde aan het hoofd van vierentwintig duizend leerlingen, wist zijn schoonvader niet dat deze geleerde zijn schoonzoon was, en hij kwam kijken naar deze beroemde Tora-geleerde, in de hoop dat hij zijn eed, waarvan hij inmiddels spijt had, zou kunnen annuleren.

„Als u geweten had dat de echtgenoot van uw dochter een groot Tora-geleerde zou worden, zou u dan die eed gezworen hebben?” vroeg Rabbi Akiva op de manier waarop iedere autoriteit een opening probeert te vinden om de maker van de eed zijn spijt daarover te laten uitdrukken.

„Al zou hij maar één hoofdstuk van één wet gekend hebben, dat zou ik niet zo’n eed gezworen hebben,” antwoordde Kalba Savoea.

Toen Rabbi Akiva onthulde wie hij was, en de eed annuleerde, kuste zijn overgelukkige schoonvader zijn voeten en schonk hem half zijn rijkdom.

Tosafot maakt twee interessante opmerkingen over dit roerende verhaal. Rabbi Akiva’s toekomstige vrouw, zegt de Gemara, waardeerde hem als een „bescheiden en rechtvaardig” pesoon. Maar deze zelfde Rabbi Akiva beschrijft elders in beeldende woorden de haat die hij koesterde voor Tora-geleerden in de tijd dat hij nog een onwetende schaapherder was (Pesachiem 49b). Dit lijkt nauwelijk te passen bij een „rechtvaardige” Jood! Tosafot legt uit dat de houding van Rabbi Akiva ten opzichte van Tora-geleerden niet de klassieke haat was van de niet-godsdienstigen, hij was ongetwijfeld een godsdienstige Jood. In zijn onwetendheid was hij echter extreem kritisch op wat hij bij vergissing aanzag voor arrogantie van geleerde mannen ten opzichte van onwetende geloofsgenoten en hij weerkaatste alleen maar de haat, waarvan hij veronderstelde dat zij die hadden voor mensen als hijzelf.

In verband met de annulering van de eed van Kalba Savoea wordt bezwaar gemaakt op basis van de Misjna in Nedariem (64a), waar staat dat als iemand een eed zweert, dat hij hij geen profijt zal hebben van een bepaald persoon en die persoon wordt vervolgens een Tora-geleerde, die hij nodig heeft, de eed niet nietig verklaard kan worden op basis van het feit dat hij spijt heeft dat hij niet geweten heeft dat die persoon een Tora-geleerde zou worden, omdat hij dan die eed niet gemaakt zou hebben. Wanneer een situatie, die niet bestond in de tijd dat de eed gemaakt werd, en die ook niet voorzienbaar was, geen goede reden is voor spijt, hoe kon Rabbi Akiva dat dan als argument gebruiken? Het antwoord, zegt Tosafot, is dat de eed gemaakt was toen hij al onderweg was naar de jesjiva en het is zeker te voorzien dat iemand die naar een jesjiva gaat, een groot Tora-geleerde zal worden.

&

Het zien van geluk en ongeluk

Ketoebot 66b

„Rabbi, alstublieft, help mij,” jammerde de jonge vrouw tegen Rabbi Jochanan ben Zakkai, toen hij Jeruzalem uitreed, gevolgd door zijn leerlingen.

Het arme meisje had geleefd van de beetjes haver in de uitwerpselen van de dieren van Arabische nomaden. Toen de Geleerde haar vroeg wie ze was, vertelde ze dat haar vader de fabelachtig rijke Nakdimon ben Gurion was en dat Rabbi Jochanan als getuige getekend had op haar ketoeba toen zij trouwde. Die ketoeba, informeerde de Geleerde zijn leerlingen, bestond uit een miljoen gouden dinaren van haar vader, behalve wat haar door haar schoonvader was gegeven.

Toen Rabbi Jochanan haar vroeg wat er gebeurd was met al het geld van haar vader, antwoordde zij dat het allemaal verloren was gegaan, omdat hij nalatig was geweest met zijn liefdadige verplichtingen. Dat had niet alleen het verlies van zijn geld, maar ook dat van haar schoonvader veroorzaakt.

Toen hij dat hoorde, riep Rabbi Jochanan uit: „Hoe gelukkig is Israël! Wanneer het handelt overeenkomstig de wil van Hasjem, kan geen enkel volk of cultuur het overheersen. Maar wanneer het niet handelt overeen­komstig de wil van Hasjem, wordt het overgeleverd in de handen van minderwaardige mensen [zo genoemd omdat zij als nomaden in de woestijn leven – Rasji] en niet alleen minderwaardige mensen, maar afhankelijk van de dieren van die minderwaardige mensen.”

Hoe kon Rabbi Jochanan in deze tragische gebeurtenis een aanleiding vinden om het geluk van Israël te prijzen?

Ieder volk, zegt Maharsja, heeft zijn eigen mazal (geluk) en engel in de hemel die het geluk ervan bepaalt. Het lot van het Joodse volk daarentegen, wordt direct door Hasjem alleen bepaald. Wanneer zij hande­len zoals Hasjem wil, staan zij boven alle andere volken, wier geluk beperkt wordt door hemelse krachten die voor hen bestemd zijn. Dit wordt dramatisch uitgedrukt als Hasjem Avraham boven de sterren plaatst en hem vraagt daarop neer te kijken, wanneer Hij hem belooft dat de beperkingen van de natuurkrachten verwijderd zullen worden opdat hij kinderen zal kunnen krijgen. Maar wanneer wij nalaten om te handelen overeenkom­stig G-ds wens, verwijdert Hij zijn aanwezigheid van ons en vervallen we tot een toestand die lager is dan die van de andere volken, die alleen maar door hun mazal onderhouden worden.

Een bewustzijn van deze speciale relatie is wat Rabbi Jochanan deed uitroepen dat wij inderdaad gelukkig zijn.

 &

Een kwestie van motief

Ketoebot 67a

Nakdimon ben Gurion was een van de legendarisch rijke mannen van Jeruzalem in de tijd van de belegering van de stad door de Romeinen. Toen zijn wanhopige dochter het verlies van het fortuin van haar vader ver­klaarde als het gevolg dat hij nalatig was geweest met liefdadigheid, werd dit met verbazing ontvangen door de Talmoed-geleerden. Ten slotte was het bekend geweest dat wanneer Nakdimon van zijn huis naar het Beit HaMidrasj wandelde, er dure tapijten voor hem werden uitgerold, en dat de armen vervolgens werden uitgenodigd die te houden.

Twee verklaringen worden er gegeven voor deze tegenstrijdigheid tussen zijn liefdadig gedrag en de kritiek op zijn liefdadig gedrag. De eerste is dat hij niet gaf in overeenstemming met zijn rijkdom. En een andere ver­klaring is dat zijn liefdadigheid gemotiveerd werd door zijn streven naar eer.

Deze kritiek op zijn motivatie lijkt strijdig te zijn met was de Gemara (Pesachiem 8a) zegt over iemand die liefdadige donaties doet, opdat zijn zoon zal leven of opdat hijzelf een aandeel zal hebben in de Komende Wereld. Ondanks het feit dat hij een egoïstisch motief had, wordt hij beschouwd als een volkomen recht­vaardig mens.

Waarom is dan de motivatie van eer anders?

Maharsja lost deze puzzel op door te refereren aan een onderscheid dat door Tosefot (in Pesachiem 8b) gemaakt wordt tussen iemand die geen spijt heeft van zijn liefdadigheid, zelfs al wordt zijn wens niet door de Hemel gehonoreed en iemand die daar wel spijt van heeft. Maar als iemand alleen gemotiveerd wordt door eer, zo schijnt het, bestaat er een ernstig gevaar dat hij spijt zal krijgen van zijn liefdadigheid wanneer hij die eer niet krijgt. Hij wordt daarom beschouwd als nalatig in zijn liefdadige verplichtingen en verliest zijn rechten op rijkdom.

Het is interessant om de scherpe kritiek van de Maharsja op te merken op sommige liefdadige Joden in zijn tijd die hij schrijft aan het eind van zijn verklaring. Deze mensen verdienden hun geld op een oneerlijke manier en geven het dan aan liefdadigheid om eer te krijgen. Niet alleen wordt dit beschouwd als een mitswa die in zonde begaan wordt, maar, zoals we zien aan het voorbeeld van Nakdimon, zal hun rijkdom niet blijvend zijn.

Het feit dat instituten en organisaties hun weldoeners eren met banketten en gedenkplaten is niet strijdig met het bovenstaande. Er is een heilig doel in de publikatie van het goede van sommige mensen, opdat anderen hun voorbeeld zullen volgen.

&

Je mag het meenemen

Ketoebot 67b

Hoe voortreffelijk de Geleerde Mar Oekva was in zijn uitoefening van de mitswa van tsedaka wordt geillustreerd door een bepaalde gebeurtenis. Ieder jaar op erev Jom Kippoer was hij gewoon het grote bedrag van vierhonderd zoez uit te delen aan de armen in zijn wijk. Een zeker jaar rapporteerde de zoon, die hij er op uit had gezonden om het geld te verdelen, bij zijn terugkomst dat hij ervan ovetuigd was dat een bepaalde familie de hulp niet nodig had. Toen hem gevraagd werd wat hem op die gedachte gebracht had, antwoordde hij dat hij gezien had hoe zij zich baadden in luxe door hun huis met oude wijn te besproeien om het een aangename geur te geven. Toen Mar Oekva dat hoorde, verdubbelde hij het bedrag dat hij van plan was te geven en liet dat brengen, omdat hij zich realiseerde dat als de ontvangers zo wanhopig een dergelijk comfort nodig hadden, dat dan hun afhankelijkheid nog grotere was dan hij verondersteld had.

Vlak voor zijn dood vroeg Mar Oekva of hij de boekhouding van zijn liefdadigheids giften mocht inzien. Hoewel hij een buitengewoon grote som had weggegeven, was hij bezorgd dat hij niet genoeg had gegeven en hij riep uit: „Ik neem zulker magere provisie mee voor de lange reis die voor de boeg ligt.” Daarop liet hij de helft van zijn fortuin na aan tsaddaka.

Hoe kon hij zo iets doen, vraagt de Gemara, wanneer we eerder in ons traktaat (50a) geleerd hebben, dat de Geleerden het verboden hebben dat iemand meer dan een vijfde van zijn bezittingen weggeeft aan tsaddaka?

Deze regeling, verklaart de Gemara, geldt alleen tijdens iemands leven, want als men nog meer weggeeft, loopt men gevaar zelf te verarmen en afhankelijk te worden van liefdadigheid van anderen. Maar wanneer men op het punt staat deze wereld te verlaten en een extra verdienste wil hebben voor de Komende Wereld, dan geldt deze beperking niet.

Waarom gaf Mar Oekva slechts de helft van zijn fortuin weg en gaf hij niet alles, opdat hij beter zou zijn voorbereid op de „lange reis”? Het antwoord is te vinden in de houding van onze Geleerden ten opzichte van het onterven van kinderen. De Geleerden, zegt de Gemara (Bava Batra 133b), waren ontevreden over iemand die Al zijn bezittingen weggaf aan anderen en niets over liet voor zijn kinderen. Mar Oekva hield daarom het evenwicht tussen de zorg voor zijn ziel en die voor zijn kinderen, door alleen de helft weg te geven.

Is dit de juiste verhouding of mag men meer weggeven? De Rema (Sjoelchan Aroech, Joree Dea 249:1) bepaalt dat men vlak voor zijn dood net zoveel mag weggeven als men wil. Hoe brengen we dit in overeen­stemming met Mar Oekva’s bezorgdheid om zijn kinderen de helft na te laten?

Eén mogelijkheid is dat in de tekst van onze Gemara, die de Rema voor zich had, stond dat Mar Oekva zijn hele vermogen weggaf. De Birkei Joseef suggereert dat vroegere generaties inderdaad die tekst hadden. Een andere mogelijkeid volgt uit het commentaar van de Bach op de Toer. Mar Oekva gaf zoveel weg tijdens zijn leven, dat er geen noodzaak was om alles weg te geven vlak voor zijn dood. Iemand die niet zo royaal is geweest, mag echter alles weggeven ten behoeve van zijn ziel. Dit wordt niet beschouwd als het onterven van kinderen, want hij geeft het niet weg om anderen te verrijken, maar om er zelf beter van te worden.

&