Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
Sivan 5763 Traktaat Zevachiem (2-5) Nr. 16

 

Inleiding tot Seder Kedosjiem

Seder Kedosjiem [de order van deHeilige dingen] is het vijfde van de zes Orders van de Misjna. Het gaat over de wetten van de offers en geheiligde dingen, over de Tempel en zijn diensten. Dat alles was eens deel van het dagelijkse Joodse leven, en een gewone Jood moest bekend zijn met de meeste van deze wetten, zoals hij vandaag de wetten van de Joodse feestdagen moet kennen. Op de drie feestdagen, Pesach, Sjawoeot en Soekkot moest iedere Jood aanwezig zijn in de Tempel en zijn offers aan Hasjem brengen (Dewariem 16:16-17).  Geduren­de meer dan een derde van onze historie brachten de Joden hun offers aan HASJEM, om boete te doen voor hun zonden en om henzelf te verheffen tot dichter bij Hasjem. Gedurende 39 jaar trok de Ohel Mo’eed (de Tent der Samenkomst) door de woestijn met Israël; gedurende veertien jaar stond het in Gilgal, toen de Joden het Land Israël veroverden; 369 jaar stond het Heiligdom in Sjilo; toen dit vernietigd werd, werd de plaats voor de openbare offers verplaatst naar de stad Nof en vervolgens naar Giveo (bijelkaar 57 jaar). Ten slotte, 480 jaar na de Uittocht uit Egypte werd het Beit Hamikdasj [de Heilge Tempel] in Jeruzalem gebouwd door Koning Salomo, waar het 410 jaar gestaan heeft. Zeventig jaar nadat het door de Babyloniërs verwoest werd, werd een nieuwe Tempel gebouwd op de plaats van de vorige. De Tweede Tempel heeft 420 jaar gestaan voordat ook deze verwoest werd, deze keer door de Romeinen. En zo is het gebleven en zal het blijven tot de tijd dat Hasjem, in Zijn goedheid, de Tempel in Jeruzalem zal herbouwen, zodat wij opnieuw onze offers zullen kunnen brengen voor Hem. Mogen wij het verdienen dat wij dit in onze dagen zullen aanschouwen.

Eén van de onderscheiden kenmerken van Seder Kedosjiem, in vergelijking met andere sedariem van de Misjna, is dat de wetten die erin behandeld worden hoofdzakelijk gebaseerd zijn op Tora-verzen, hetzij expliciet zo vermeld, of door impliciete nuaces in de Tora-tekst of door middel van de 13 hermeneutische regels waarmee de Geleerden de Tora hebben geïnterpreteerd (zoals die staan in de Baraita van R. Jismaël en die wij dagelijks zeggen voor de Psoekei dezimra. Een groot deel van het boek Wajjikra  gaat over de offers, maar ook grote delen van andere boeken van de Choemasj.

Seder Kedosjiem bevat elf traktaten, te beginnen met Zevachiem, dat hoofdzakelijk over de dieroffers gaat. Traktaat Menachot gaat over de meeloffers – de menachot – en over nesachiem – plengoffers. In traktaat Arachien en Meïla worden dingen behandeld die aan de tempel gewijd werden en dingen die daarna onjuist gebruikt werden. Temoera gaat over het verwisselen van offers en Keritot over de situaties die iemand verplichten een offer te brengen. In Bechorot worden de eerstgeboren en ma’aser-offers behandeld, terwijl in Tamied en Midot de dagelijkse offers en de Tempel zelf wordt behandeld. Seder Kedosjiem eindigt met Kiniem, dat gaat over vogeloffers die verwisseld werden.

Redenen voor offers

Het woord korban komt van het woord kareev – naderbij brengen. Met andere woorden, een offer wordt naar het altaar gebracht. Waarom brengt men offers? De Rema wijdt een heel boek aan dit onderwerp, Torat Ha’Ola, waarin hij 12 redenen opnoemt voor deze mitswa.

De Tempel is bedoeld om het hart van de mensen te reinigen: Sefer HaChinoech [mitswa 95] weidt uit over dit onderwerp en legt uit dat al de mitswot van de Schepper uitsluitend bedoeld zijn om tot voordeel van Zijn schepselen te dienen. Dus de bouw van de Tempel was niet voor Zijn genoegen, zo te zeggen, „want de hemelen … kunnen Hem niet bevatten en zij bestaan dankzij Zijn adem, dus heeft Hij dan een huis nodig, dat gebouwd is door mensen?” De Tempel is bedoeld om de harten van de mensen te reinigen, en „de mensen worden beïnvloed door hun handelingen: door voortdurend goede daden te doen, worden de gedachten van het hart puur.” Daarom heeft Hasjem ons geboden een schone en zuiver plaats te reserveren, waar de mensen hun gedrag kunnen rectificeren. De Chinoech vervolgt: „Wanneer iemand een overtreding begaat, dan wordt zijn hart niet voldoende gezuiverd door woorden alleen, door voor een muur te gaan staan en te zeggen: ‘Ik heb gezondigd en ik zal het nooit meer doen.’ Maar door iets groots te doen, wegens zijn overtreding, door geiten te nemen uit zijn kooi en zich in te spannen door ze te brengen naar het heiligdom, naar de kohen en door alles te doen wat er is voorge­schreven over de offers van zondaren; dan zal hij zich realiseren wat voor kwaad hij gedaan heeft en hij zal het een volgende keer nalaten.” Dus er is behoefte om een significante handeling in te bouwen in het berouw-proces, opdat een overtreder en zondaar terugkeert van de verkeerde weg die hij is ingeslagen.

Er is een scherp verschil van mening tussen Rambam en Ramban betreffende de redenen voor het brengen van dieroffers. Rambam [Moree Nevoechiem III, hfdst. 32 en 46] schrijft dat, omdat de volken waartussen de Joden woonden, dieren aanbaden, wij geboden werden om die dieren te offeren om ons los te rukken van hun gewoon­ten. Ramban [Wajjikra 1:9] is het er niet mee eens en vraagt, waarom, als het zo zou zijn als Rambam schrijft, Adam en zijn zonen dan offers brachten, zij waren toch alleen op de wereld zonder andere volken om zich heen. Hij is het daarom eerder eens met Ibn Ezra [zie Hasjmatot en Miloeïem aan het eind van het commentaar van de Ramban op de Tora, Mosad HaRav Kook uitgave], dat het offer komt als „een ziel in plaats van de ziel van de zondaar.” Hij wijst erop dat deze reden afkomstig is van de agada maar dat de diepere reden een „verborgen geheim” is, dat door de Mesech Chochma als volgt wordt samengevat in zijn voorwoord tot Wajjikra: „Ramban en zijn collega’s zeiden dat het is om alle krachten van de werelden te verenigen en het is een soort van spirituele electriciteit die door de handeling van de kohen in een hogere wereld wordt verheven.”

HaGaon Rav Meir Simcha HaKohen uit Dvinsk zt”l [Mesech Chochma] tracht de intensiteit van het meningsverschil tussen Rambam en Ramban te minimaliseren en hij schrijft dat de beide meningen naast elkaar in vrede kunnen bestaan. Adam bracht offers om hun hoogste doel te bereiken en zo ook worden wij opgedragen om offers te brengen in de Tempel om „de werelden bij elkaar te brengen.” Met andere woorden, om grote daden te verrichten in de hogere werelden. Echter de offers die waren toegestaan om op een bama [een (verhoogde) plaats voor offers anders dan het Misjkan of de Tempel] gebracht te worden, die waren bedoeld om de Joden verre te houden van afgoderij (en wij vinden voor deze idee steun bij Rambam zelf, die elders [Hilchot Meïla 8:8] uitlegt „en al de offers zijn inbegrepen in de choekiem [de halachot die wij niet kunnen begrijpen]. Chazal heeft gezegd dat de wereld bestaat dankzij de verdienste van de offerdienst, en dat door de choekiem en de misjpatiem [dat zijn de halachot die wij wel kunnen begrijpen] uit te voeren, de oprechten de Komende Wereld verdienen.”)

Het is interessant om op te merken, dat de woorden oechsjaniem kadmoniot [zoals in de jaren van weleer] in het vers „Dan zal het mincha-offer van Jehoeda en Jeroesjalajim aangenaam zijn voor Hasjem zoals vroeger in de jaren van weleer” [Malachi 3:4] door de midrasj wordt uitgelegd als te betrekking te hebben op het tijdperk van Hevel [Abel], toen offers werden gebracht voor een aangename geur.

 

Inleiding tot Traktaat Zevachiem

Traktaat Zevachiem is het openingstraktaat van Seder Kedosjiem. Het is gewijd aan de wetten van dier- en vogeloffers, de bloedoffers, dat wil zeggen, de offers waarvan het bloed op het altaar gesprenkeld moest worden voordat het offer geaccepteerd kon worden.

Hoewel het traktaat hoofdzakelijk over dier- en vogeloffers gaat, worden alle andere offers er ook in genoemd. Daarom zullen wij hier alle offers opnoemen. Maar eerst moeten we een misverstand ophelderen: Volgens Tora is het essentiële onderdeel van het offer het sprenkelen of uitgieten van het bloed op het altaar en niet het verbranden van het vlees of de vetdelen. Hoewel er een mitswa is om minstens een deel van het dier op het altaar te verbranden, is het het bloedoffer op het altaar dat de verzoening brengt. Een offer kan geldig zijn ,zelfs als nimmer enig deel ervan ooit op het altaar verbrand werd. Ten tweede wordt bij de meeste offers slechts een klein deel van het vet en interne organen op het altaar verbrand, [dat zijn de zogenaamde emoerien, de geofferde delen];

het grootste deel van het offer wordt opgegeten, hetzij door de kohaniem, hetzij door de eigenaar van het offer en zijn gasten.

De offers

A. De dieroffers

Er zijn drie diersoorten die geofferd kunnen worden: ossen, schapen en geiten. Deze worden in acht categorieën verdeeld: chataat, ola, asjam, sjelamiem, toda, bechor, ma’aser en pesach. Wij zullen hier in het kort deze termen verklaren, maar daarna zullen wij steeds de Hebreeuwse namen gebruiken.

Er zijn drie onderdelen an de dieroffers: bloed, de offerdelen (emoeriem) en het vlees. De offerprocedures verschillen van offer tot offer.

1. Chataat  – zondoffer (mv. Chataot)

Een chataat wordt gebracht als boetedoening voor een zonde. Er zijn twee soorten chataat : het binnen-chataat en het buiten-chataat. Dat heeft betrekking op de plaats waar het bloed wordt geofferd.

a. Binnen-chataat. Het bloed van het binnen-chataat wordt geofferd in de Heilchal – het Heiligdom, in het Kodesj Hakodasjiem – het Allerheiligste – en op het binnnen altaar [het kruidenaltaar]. De emoeriem werden echter op het buiten-altaar verbrand, zoals alle offerdelen van alle offers. De rest, d.w.z. het vlees, de huid, enz. wordt verbrand buiten Jeruzalem.

b. Het buiten-chataat: Het bloed van het buiten-chataat wordt aangebracht op de vier karnot – horens – van het buitenaltaar. De emoriem worden daar ook verbrand en het vlees wordt gegeten door de kohaniem op de binnen­plaats van de Tempel.

Een buiten-chataat kan een gemeenschappelijk of een persoonlijk offer zijn. Het meest voorkomende is dat welke door iemand gebracht wordt die boeten moet voor een onopzettelijk overtreding van een verbod waarop bij opzet­telijke overtreding de straf van kareet staat [uitroeiing door de Hemel]. Een chataat is nooit vrijwillig.

2. Ola – brandoffer (mv. Olot)

Het ola is een buitenoffer. Zij bloed wordt op de benedenhoeken van het buiten altaar gegooid en het hele offer wordt verbrand op dat altaar, het mag niet worden gegeten. Het kan een vrijwillig of een verplicht offer zijn.

3. Asjam – schuldoffer (mv. Asjamot)

Net als het chataat wordt ook het asjam-offer in het algemeen gebracht om boete te doen voor specifieke overtre­dingen. Het wordt nooit vrijwillig gebracht. Het bloed ervan wordt gegooid tegen de benedenhoeken van het buiten altaar, de emoeriem worden verbrand op het altaar en het vlees wordt gegeten door de kohaniem. Het asjam is altijd een persoonlijk offer, nooit een gemeenschappelijk offer.

4. Sjelamiem – vredesoffer

Sjelamiem offers zijn geen zoenoffers en zijn meestal een vrijwillig offer van een individu. Er bestaat echter één geval van een gemeenschappelijk sjelamiem-offer, dat gebracht wordt op Sjawoeot.

Het bloed van de sjelamiem wordt tegen de benedenhoeken van het buitenaltaar gegooid en de emoeriem worden erop verbrand. Het vlees van de sjelamiem offers wordt door de eigenaar van het offer en diens gasten gegeten, niet door de kohaniem, en wel gedurende een dag en een nacht. Echter de borst en de rechter dij worden aan de kohen gegeven en mogen alleen gegeten worden door hem en de leden van zijn huishouding.

5. Toda – dankoffer

Het dankoffer wordt gebracht uit dank voor redding van gevaar, zoals herstel van een gevaarlijke ziekte, na een gevaarlijke reis door de woestijn of over zee, of na bevrijding uit een gevangenis. Het bloed wordt tegen de bene­denhoeken van het buitenaltaar gegooid en de emoeriem worden verbrand en het vlees is van de eigenaar en mag overal in Jeruzalem door iedereen worden gegeten gedurende een dag en een nacht. De borst en de rechter dij worden aan de kohaniem gegeven. Het toda wordt begeleid door vier soorten brood, tien van elk. Eén van iedere soort wordt gegeven aan de kohaniem en de rest is voor de eigenaar en iedereen mag het eten.

6. Bechor – eerstgeboren offer

Een bechor is het eerstgeboren jong van een koe, schaap of geit, mits het een mannetje is. Het verkrijgt automa­tisch heiligheid bij de geboorte en moet aan de Kohen gegeven worden, die het offert. Zijn bloed wordt tegen de onder­kant van de muur van het altaar gegooid en zijn vlees wordt door de Kohaniem en hun huishouding in heel Jeruza­lem gegeten gedurende twee dagen.

7. Ma’aser – tiende offer

Ieder jaar moet iedereen alle nieuwgeborenen van zijn rund- en kleinvee vertienden. Ieder tiende dier wordt gehei­ligd als ma’aser-offer. Het offer is van de eigenaar en er gelden de wetten van sjelamiem voor.

8. Pesachpaasoffer

Het pesach – offer is een lam of geitejong dat op de veertiende Nissan geofferd wordt en gegeten wordt op de seder­avond. Iedereen moet deelnemen aan een pesach offer; het mag alleen gegeten worden door diegenen die daar van te voren voor zijn „ingeschreven” om het te eten. Het mag overal in Jeruzalem worden gegeten, maar tot middernacht.

B. Vogeloffers

Slechts twee soorten vogels kunnen geofferd worden: toriem – tortelduiven – en bnei joniem – jonge duiven. Er zijn slechts twee soorten vogel-offers: chataat en ola.

1. Chataat ha’of – vogel zondoffer

Dit offer wordt alleen gebracht ter vervulling van een verplichting. Het bloed van het chataat ha’of wordt op het onderste deel van het altaar gesprenkeld en de rest wordt uitgeperst over de basis van het altaar. Het wordt gegeten door de kohaniem en er wordt niets van verbrand.

2. Olat ha’of  – vogel brandoffer

Dit offer kan vrijwillig gebracht worden of ter vervulling van bepaalde verplichtingen. Het bloed wordt op de bovenste helft van het altaar aangebracht en het dier wordt in zijn geheel verbrand.

C. Plantoffers

Er zijn een aantal plantaardige substanties die gebruikt worden voor offers: meel voor het mincha-offer; wijn voor de nesachiem [plengoffers]; olijfolie, hoofdzakelijk voor de mincha-offers; wierrook en diverse aromatische kruiden die bij het mincha-offer gebruikt worden en het kruidenoffer. En hout.

1. Mincha-offer – meeloffer (mv. menachot)

Mincha-offers bestaan uit meel, hetzij rauw, hetzij gebakken of gefrituurd. Ze kunnen zowel gemeenschappelijk als persoonlijk gebracht worden, zowel verplicht als vrijwillig, soms apart, vaak samen met een ola- of sjelamiem-offer, in welk geval er ook een wijnoffer bij gebracht wordt. Dan wordt het mincha nesachiem genoemd.

Een mincha-offer bestaat uit minstens een issaron (43,2 eieren) tarwemeel (behalve bij de Omer en het mincha-offer van de sota, die bestaan uit gerstenmeel), meestal vermengd met olijfolie en wat wierook.

2. Nesachiem – wijn-plengoffers (ev. nesech)

Alle dierlijke ola en sjelamiem offers moeten begeleid worden door nesachiem van wijn (behalve het mincha-offer). De wijn wordt in een soort kom gegoten die vast zit aan de zuidwestelijke hoek van het altaar, en loop via een goot naar beneden, naar de basis van het altaar.

3. Sjemen – olijfolie

Olijfolie is een essentiëel onderdeel van de meeste mincha-offers.

4. Levona – wierook

Een ander belangrijk onderdeel van het mincha-offer is de levona – wierook, waarvan een handvol bovenop het mincha gelegd wordt. Dit wordt samen met het mincha-offer verbrand op het buiten-altaar. Bovendien werden er iedere week twee lepels vol van op de tafel met de Toon-broden gelegd, en aan het eind van die week werd ook dat op het buitenaltaar verbrand.

5. Ketoret – kruiden

Een veelheid van diverse aromatische kruiden werden dooreen gemengd en vormden het kruidenoffer – ketoret – dat tweemaal daags op het gouden binnenaltaar werd geofferd. Op Jom Kippoer werd een speciaal kruiden­mengsel in het Heilige der Heiligen geofferd.

6. ’Etsiem – hout

Hout werd als brandstof gebruikt voor het buitenaltaar.

D. Categorieën van heiligheid

Al de bovengenoemde offers zijn in te delen in twee categorieën van heiligheid: Kodsjei kodasjiem – de aller­heiligste offers – en de kodasjiem kaliem – offers van lichtere heiligheid.

1. Kodsjei kodasjiem – allerheiligste offers

Hiertoe behoren de chataat, ola, asjam en gemeenschappelijke sjelamiem. Hun gemeenschappelijk kenmerk is dat hun vlees hetzij in het geheel niet gegeten wordt, hetzij uitsluitend door de kohaniem en hun families gegeten mag worden  en alleen binnen de hoofd-Binneplaats van de Tempel. Bovendien, wanneer hun vlees de Tempelbinnen­plaats verlaten heeft, is het ongeldig  geworden, ook wanneer het daar weer terugkeert. Voorts worden ze geslacht in het noordelijke deel van de Binnenplaats en hun bloed moet daar worden opgevangen. De wetten van meïla zijn er op van toepassing, zelfs voordat zij geslacht zijn.

2. Kodasjiem kaliem – offers van mindere heiligheid

Hiertoe behoren de sjelamiem-, toda-, bechor-, ma’aser- en pesach-offers. Zij mogen overal op het Binnenhof geslacht worden; ze mogen allen gegeten worden door Israëlieten (niet-kohaniem) (behalve de bechor, de borst en de rechter dij van de sjelamiem- en toda-offers. Ze mogen in heel Jeruzalem gegeten worden. De wetten van meïla zijn er pas op van toepassing nadat hun bloed op het altaar gegooid is.

Zevachiem

2a Alle offers die geslacht werden sjelo lisjma [niet voor het doel waarvoor zij bestemd waren] zijn geldig maar de eigenaars hebben niet hun plicht vervuld.

De eerste drie regels van Zevachiem

Alle offers die geslacht werden sjelo lisjma [niet voor het doel waarvoor zij bestemd waren] zijn geldig maar de eigenaars hebben niet hun plicht vervuld. Deze eerste zin van Zevachiem noemt reeds het begrip van lisjma dat door het hele traktaat heen gebruikt zal worden en dat betekent dat het een mitswa is om een offer te brengen voor zijn eigen zaak. Met andere woorden, als iemand een ola slacht, moet hij in gedachte en de bedoeling hebben om een dier te slachten om het als ola-offer te brengen. En zo ook voor andere offers. Rebbi zegt dat als de slachter het offer slacht sjelo lisjma, dat wil zeggen dat toen hij het slachtte, hij het bedoelde te slachten voor bijvoorbeeld sjelamiem, dan moet de eigenaar een ander offer brengen [wanneer hij zichzelf verplicht heeft door te zeggen harei alai – „ik moet”].

Wij moeten het begrip lisjma nader verklaren. Wat is het doel van een kohen die een ola slacht voor een ola en welk defect ontstaat er wanneer hij zich vergist en van gedachten veranderd? Om het antwoord te vinden zullen wij eerst verder Gemara leren. Wij zullen dan nog twee regels tegenkomen en we zullen proberen een logische verklaring te vinden die ons in staat zal stellen de drie regels te combineren.

Regel 1: Zoals wij al gezegd hebben: iemand die slacht sjelo lisjma veroorzaakt een defect aan het offer;

Regel 2: Iemand die stama slacht – zonder er bij na te denken – veroorzaakt geen defect aan het offer;

Regel 3: Iemand die voor choelien slacht – voor een werelds doel – veroorzaakt geen defect aan het offer.

Hoe kan het mogelijk zijn dat iemand die een ola slacht met in gedachte dat het voor een sjelamiem offer is, wel schade veroorzaken aan het offer, terwijl iemand die voor choelien offert dat niet veroorzaakt? De Acheroniem [zie Kehillot Ja’akov] leggen uit dat een offer dat naar de Tempel gebracht wordt, de gedachten van de Kohen die het offert, niet nodig heeft, om zijn taak te vervullen. De eigenaar heeft het reeds gewijd als offer, bijvoorbeeld als ola. Maar toch heeft de slachter de mitswa om in gedachten te hebben dat hij slacht voor een ola. Laten wij nu eens de drie regels onderzoeken volgens deze uitleg.

Laten wij beginnen met de derde regel: Iemand die voor choelien slacht – voor een werelds doel – veroorzaakt geen defect aan het offer. De Acheroniem leggen uit dat de zaak heel eenvoudig is. Daar de kohen dacht dat hij iets slachtte voor choelien toen hij het offer slachtte, hebben zijn gedachten niets te maken met het offer en kunnen de lisjma die de eigenaar er reeds in heeft gelegd, niet verstoren. Wie zonder nadenken slacht (de tweede regel), verstoort ook niets, want het offer heeft de aandacht van de slachter helemaal niet nodig, om een naam te krijgen.

Maar iemand die sjelo lisjma slacht [de eerste regel], veroorzaakt een defect aan het offer, want de slachter verandert de bedoelingen van de eigenaar. De slachter die in gedachten heeft dat hij sjelamiem slacht, terwijl hij in werkelijkheid een ola slacht, heeft geen gedachten die niets met de zaak te maken heeft, zoals in het derde geval [want hij verwisselde het ene offer met het andere en niet een offer voor choelien]. Hij droomt ook niet of denkt ergens anders aan, zoals in het tweede geval, maar zijn gedachten zijn actief bezig en hij heeft de bedoeling om een ola te offeren als sjelamiem en dat verstoord de lisjma van het offer. Zie kehillot Ja’akov en andere Acheroniem voor een andere verklaring. Wij wijzen erop dat al het bovenstaande is volgens Rava [verderop in 2b] maar volgens R. Elazar [3b] is het een decreet van Tora [gezera haketoev] dat een gedachte van choelien de kodasjiem  niet aantast en mogelijk geldt dit alleen voor een chataat, dat niet gediskwalificeerd wordt door de gedachten aan choelien. Zie ook Rambam, Hilchot Pesoelei Hamoekdasjien 15:4 en de commentaren van de Acheroniem op de soegia.]

4a En zij delen mee in de gemeenschap

Een minjan met een moemar om moesaf te dawwenen

Moesaf werd niet ingesteld om voor genade te vragen, zoals de andere gebeden, maar als een herinnering aan de moesaf-offers en, zoals het vers zegt: „… en wij zullen de stieren betalen met onze lippen” [Hosea 14:3].

De halacha [zie misjna Beroera 55:46 en Responsa Igrot Mosjé O.Ch. II:19] is dat een Jood die Sjabbat in het openbaar overtreedt, niet kan worden meegeteld in een minjan voor het gebed. Maar de Rochatchover Gaon zt”l meent, dat hij wel mag meetellen in een minjan, maar niet voor moesaf. Hij baseert zijn beslissing op op de gemara in Choelien 5a, die als basis voor de halacha geldt [Rambam Hilchot Ma’asé HaKorbanot 3:4] dat wij geen offers accep­teren van een moemar. Daarom kunnen wij hem wel meetellen voor sjacharit maar niet bij moesaf, want zijn offer zou niet geaccepteerd worden en dus kan hij ook geen partner zijn in een publiek offer, waaronder moesaf, en dus kan hij niet meetellen voor het minjan voor moesaf, dat in de plaats is gekomen van het moesaf-offer.

Echter, een aantal halachische autoriteiten zijn het er niet mee eens en menen dat wij iemand die publiekelijk Sjabbat overtreedt, wel kunnen meetellen voor minjan [de halacha is, zoals wij al gezegd hebben, niet zo], en volgens hen kan hij ook meetellen voor moesaf. Zij baseren hun mening op onze soegia als volgt.

Onze soegia legt uit dat een kohen die de naam van de eigenaar van een offer verandert, en het voor Sjim’on offert in plaats van voor Reoeveen, het offer ongeldig maakt. Dit geldt alleen voor een individueel offer, maar ten aanzien van een publiek offer maakt het geen verschil of hij de naam van de eigenaar verandert, want het offer behoort aan alle Joden toe. Wanneer de kohen de bedoeling had het te offeren voor ene Sjim’on, dan zou dat geen invloed hebben, want Sjim’on was al inbegrepen in de eigenaars van het offer [en zelfs al zou de kohen denken dat het offer van een niet-Jood is, dan nog is het offer niet ongeldig geworden, want een niet-Jood is niet verplicht een offer te brengen en gedachten aan hem hebben niets te maken met het offer].

Wij kunnen kennelijk over onze soegia vragen: een publiek offer kan ook ongeldig worden als een kohen denkt dat het van een moemar is, van wie wij geen offers accepteren. Daaruit kunnen wij bewijzen dat een moemar is inbegrepen in de publieke offers, maar zijn individuele offers worden niet geaccepteerd. Als dat zo is, dan kan hij ook mee tellen voor een minjan voor moesaf, want ook het moesaf-offer werd mede voor hem geofferd.

2a Simon, de broer van Azarja

Het partnerschap van Jissachar en Zewoeloen: waarom alleen voor leren?

Onze misjna citeert de mening van ‘Sjim’on, de broer van Azarja’, dat „als hij ze slacht voor hun offer van hogere heiligheid, dan zijn ze geschikt.” Rasji [beg.w. Sjim’on] geeft commentaar op de jichoes van Sjim’on die in verband gebracht wordt met zijn broer, in plaats van met zijn vader, zoals gebruikelijk is en hij legt uit dat Azarja Sjim’on financiëel ondersteunde en in ruil daarvoor een deel van de beloning krijgt van het Tora-leren.

Zo een overeenkomst wordt een „overeenkomst van Jissachar en Zewoeloen” genoemd. Dit begrip wordt niet genoemd in Tora maar het wordt vele malen in de Midrasjiem genoemd [Midrasj Raba Naso 13:17 en zie ook de Sjoelchan Aroech J.D. 246:1 in de Rema]. HaGaon Rav Chaim van Brisk zt”l wiens scherpe definities dienen als de fundering voor vele soegiot, geeft de volgende definitie:

Twee componenten aan de mitswa van het leren van Tora: Zoals wij weten kan het niet zo zijn dat iemand een ander kan betalen om voor hem tefillien te leggen en daarvoor dan een deel te krijgen in de beloning voor de mitswa. Maar dat idee bestaat wel bij het Tora-leren. Is dan de verplichting om Tora te leren inferieur aan die van het leggen van tefillien? Het kan alleen maar zo zijn, legt hij uit, dat er een zeker aspect aan het leren van Tora zit, dat deze mitswa karakteriseert en dat mist aan iedere andere mitswa. Betreffende onze mitswot heeft iemand de verplichting om die mitswa zelf te doen – om tefillien te leggen, de loelav op te tillen, matsa te eten, enz. Aan de andere kant houdt de mitswa van Tora-leren ook de verplichting in dat de Tora geleerd wordt. Met andere woorden, behalve dat wij opgedragen worden om Tora te leren, worden wij ook opgedragen handelingen te ver­rich­ten waardoor Tora geleerd kan worden.

Daarom geldt, dat hoewel Zewoeloen zelf geen Tora leert, hij een beloning krijgt voor zijn activiteiten die het moge­lijk maken dat er Tora geleerd wordt en dat wordt beschouwd als een deel van de mitswa van het leren van Tora.

Rav Chaim vindt een interessant bewijs voor zijn definitie in de gemara in Kidoesjien 29b. De gemara zegt daar dat als iemand gedwongen wordt te kiezen tussen zijn zoon te laten leren of zelf te leren, hij voor gaat boven zijn zoon. Maar als zijn zoon buitengewoon begaafd en energiek is, gaat die zoon voor. Echter, zo zegt Rav Chaim, voor tefillien gaat dit niet op. Een begaafde zoon gaat dan niet voor boven een eenvoudige vader… Hieraan kunnen wij zien dat de verplichting van de vader om Tora te leren vervuld wordt als hij zijn begaafde zoon laat leren, want daarmee vergroot de vader het leren van Tora.