Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il
26 Sivan 5763 Traktaat Zevachiem (6-12) Nr. 17

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 212 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Misjna Beroera

\   , \  

Hoeveel tsadaka moet iemand geven die vergeten is tefillien te leggen?

In de tijd van de schrijver van Paniem Meïrot, ongeveer 260 jaar geleden, ontdekte iemand dat hij reeds geruime tijd niet behoorlijk tefillien had gelegd. Angstig en verward herinnerde hij zich de uitspraak van de Rema in de Sjoelchan Aroech, O.Ch.  334:26, dat iemand die onbedoeld Sjabbat ontheiligd heeft die moet vasten (77) gedurende 40 dagen (78) iedere maandag en donderdag. Hij mag ook geen wijn drinken of vlees eten (79). In plaats van een chataat moet hij 18 pfennig (80) aan liefdadigheid geven; wanneer hij de vasten wil aflossen, dan moet hij voor iedere dag 12 pfennig geven. Hij vroeg zich af of hij voor iedere dag, dat hij geen tefillien had gelegd, moest vasten en die hoeveelheid tsadaka moest geven [volgens de mening dat iedere dag een aparte mitswa is; zie Beoer Halacha, begin 37]. Hij wendde zich met zijn probleem tot Rabbijn Meïr Eisenstat, de schrijver van Paniem Meïrot.

Het verschil tussen een chataat en een ola: In zijn antwoord [Responsa II:9] neemt de schrijver van Paniem Meïrot de moeite de zaken netjes op een rijtje te zetten, als hij onze soegia uitlegt. Wij moeten ondescheid maken tussen een chataat en een ola. Iemand die zonder het te weten een verbod overtreedt, waarop de straf van kareet staat als men het moedwillig heeft overtreden, die moet een chataat brengen. Echter voor iemand die een positieve mitswa [een gebod om iets te doen], genegeerd heeft, of wie een negatieve mitswa [een verbod om iets te doen], verbonden met een positieve mitswa [lav hanitak laasee] overtreden heeft, is het passend als hij een ola brengt, maar hij is het niet verplicht. Behalve dit essentiële verschil legt onze Gemara uit, dat als iemand een aantal verboden overtreedt, hij een chataat moet brengen voor iedere overtreding, terwijl als hij een aantal positieve mitswot overtreedt, hij slechts één ola hoeft te brengen voor allen tezamen. Het is dus duidelijk dat de persoon die voor lange tijd geen tefillien gelegd had, niet hoeft te vasten en geen tsadaka  hoeft te geven voor elke dag van zijn overtreding. [De mitswa om tefillien te leggen is geen verbod waarop bij moedwillige overtreding kareet of steniging staat, maar een positief gebod, waarop bij overtreding men een ola moet brengen].

Bovendien, in tegenstelling tot een chataat dat bedoeld is om verzoening te verkrijgen, legt onze Gemara uit, wordt een ola beschouwd als een geschenk, zoals iemand die ongehoorzaam aan de koning is geweest en nu diens boosheid wil sussen en als hij nu komt om hem te begroeten brengt hij hem een geschenk. [Rasji, 7b, s.v.Ola]. Daarom kunnen wij iemand die een verbod overtreden heeft, dat met een chataat gestraft wordt, niet vergelijken met iemand die een mitswa overtreden heeft dat verzoend wordt met een ola.

Waarom wij niet om te verzoenen zeggen op Sjabbat: Het feit dat een ola een geschenk is en geen vezoening heeft ook invloed op de formulering van de gebeden op Sjabbat. DeToer O.Ch. 283] bepaalt : en in moesaf voor Sjabbat is er geen zoenoffer want het zijn allemaal olot. Met andere woorden, daar alle Sjabbat-offers olot zijn, sluiten wij de verzen niet af met lechaper om te verzoenen zoals op feestdagen.

(77) Zelfs bij [overtreding van] een techoem [de loopgrens van 2.000 amot buiten de bebouwde kom van een stad of dorp op Sjabbat, dat een verbod van] de rabbijnen is [zie Maĝeen Awraham]. En zo ook als men een kaars verplaatst [op Sjabbat] om zijn bezittingen te redden, dan moet men volgens Daĝoel Meirevava vasten. Echter in dat geval lijkt het alsof men soepel mag zijn en slechts drie dagen hoeft te vasten, op maandag, donderdag en [de volgende] maandag. En misschien geldt ook voor de overtreding van de techoem dat de verzwaring van 40 dagen vasten gezegd is voor als er geen gevaar was voor een groot verlies.

(78) Men mag het vasten uitstellen tot de korte winterdagen [Maĝeen Awraham]. Dit alles [geldt] als men een Tora-verbod of een verbod van de rabbijnen heeft overtreden [Elia Rabba]. Het geldt als men het per ongeluk overtreden heeft, en zelfs ook als men met opzet een kuil gegraven heeft om zijn geld voor de mensen te verbergen, of iets dergelijks. Maar wie moedwillig overtreedt voor zijn plezier, die verdient een veel grotere straf want die verdient gestenigd te worden, of op zijn minst kareet en daarom moet hij volledig tot inkeer komen.

Wanneer iemand Sjabbat overtreden heeft wegens een levensgevaar, die is in het geheel geen straf schuldig. Daarom is het een domme en dwaze gewoonte van vrouwen, die op Sjabbat licht aangestoken hebben voor een kraamvrouw, om te vasten.

(79) Op de avond na het vasten.

(80) Achtien pfennig: Dat is ongeveer 27 maot [een oude Hebreeuwse munt] en dat is ongeveer 5 gulden [ 2,25]. Want iedere pfennig is anderhalve Poolse groschen en iedere groschen is een maa.

De reden van dit bedrag is, dat het de prijs was van het goedkoopste lam of geitebokje. En in de tijd van het Beit Hamikdasj moest men zon beestje als chataat-offer brengen, als men een melacha deed dat midoraita verboden was en men mag van zijn zonden geen profijt hebben [doordat men nu geen offers meer kan brengen]. Men moet er voor oppassen dat men niet zegt dat dit [tsadaka-geld] voor een chataat is, maar men moet zeggen dat men dit geld geeft als tsadaka in plaats van een chataat.

\   

Het belang van de als bepaald lidwoord

Iedere dag van het jaar werden er twee lammetjes geofferd in de Tempel, een s ochtends en een s middags. Dat offer wordt ‛olat tamid genoemd omdat het altijd [tamid] geofferd werd. Onze Gemara legt uit dat wij de tijd voor het tweede offer, bein haarbajiem, kunnen leren uit de pasoek die  het ochtendoffer behandelt: Eén [echad] lam zul je in de ochtend brengen [Bamidbar 28:4], dat wil zeggen dat het andere lam in de namiddag gebracht moet worden [dus bein haarbajiem betekent middag en niet de hele dag].

Wat is de concrete tekst in de Gemara? De Sjita Mekoebetset beweert dat er een fout staat in de Gemara. Het vers dat de Gemara wilde citeren is het ene lam [haechad] in Sjemot29:39. Echter de Rasjasj steunt de bestaande tekst en legt er de nadruk op dat de Gemara het vers in parasjat Pinchas wil citeren dat over het tamid handelt en niet het vers in Tetsawee, dat gaat over een tijdelijk gebod voor het tamid dat geofferd werd gedurende de zeven dagen van de inwijding van het altaar [miloeïem]. Ogenschijnlijk is deze discussie overbodig. Wat maakt het voor verschil, of er staat echad of haechad? Betekenen ze niet allebei één?

Het verschil tussen echad en haëchad: Het genie, HaGaon Rav Jitschak Zeev van Brisk ztl [Tetsawee] onthult het verschil tussen echad en haechad. De misjna in Menachot 49a zegt dat het middag-tamid geofferd wordt, ook als het ochtend-tamid niet geofferd werd. Dat is niet het geval tijdens de zeven dagen inauguratie van het altaar, toen het offeren van het middag tamid afhankelijk was van het offeren van het ochtend-tamid [want het altaar werd geinaugureerd met het ochtend-tamid]. Daarom schrijft de Tora in de afdeling over de inauguratie van het altaar: het eerste lam [hakeves haechad] het is het eerste, want zonder dat kan het tweede niet geofferd worden. Echter, in het vers in Bamidbar, over het dagelijkse offer, spreekt Tora alleen over hakeves echad één lam. Het is niet het eerste, want het tweede is er niet van afhankelijk en het is daarom geen onderdeel van een serie. [Deze verklaring rechtvaardigt kennelijk de mening van de Rasjasj en de mening van de Sjita Mekoebetset moet nader bestudeerd worden].

Mag iemand die hersteld is van een ziekte, ĝomel horen bensjen van een bevrijde gevange?

Onze soegia leert ons over het toda-offer, dat gebracht werd in de Tempel uit dank. Nadat de Tempel verwoest was, stelde chazal de beracha haĝomel in, in plaats van het toda [Rosj, Berachot, Hfdst. 9 3 en zie Responsa Chatam Sofer, O.Ch. 51]. In dit artikel zullen wij een interessante halacha bespreken betreffende haĝomel, dat in de werken van de poskiem verband houdt met halachot van het toda dat in onze soegia besproken wordt.

Iemand die op wonderlijke wijze gered is kan haĝomel bensjen en iemand anders vrijmaken: De Toer [O.Ch. 219] bepaalt dat iemand die van een tegenspoed gered werd en haĝomel moet bensjen, die kan zijn plicht volvullen door te luisteren naar iemand anders die op een soortgelijke wijze gered werd. Dit geldt zelfs, al antwoordt hij niet amein, zolang als beiden maar de bedoeling hadden elkaar vrij te maken.

Wij moeten nagaan of deze halacha ook geldig is wanneer beide personen van verschillende soorten van gevaarlijke situaties gered werden, bijvoorbeeld de één herstelde van een ernstige ziekte en de ander werd uit de gevangenis bevrijd. De schrijver van Oriem Gedoliem [een Sefadische Chacham die ongeveer 300 jaar geleden leefde in de tijd van Rabbi Efraim Navon, auteur van Machanee Efraim] overwoog dit probleem in zijn commentaar op de Tora [parasjat Tsav, ook genoemd in Gilajon Hasjas door Rabbi Akiva Eiger] en bewees uit onze soegia dat zij elkaar niet kunnen vrijmaken:

Het toda moet geofferd worden voor het wonder dat de eigenaar gered heeft: In onze Gemara hebben Raba en Rav Chisda een meningsverschil over de vraag of een slachter een toda ongeldig maakt als hij een ander toda in gedachten heeft dan dat van de eigenaar. Bijvoorbeeld Reoeween, die hersteld is van een ernstige ziekte, heeft een toda gebracht. Naast hem staat Sjimon, die een toda gebracht heeft omdat hij uit een gevangenis bevrijd werd. De kohen die het toda van Reoeween offert, vergist zich en denkt dat Reoween ook uit de gevangenis bevrijd is. Raba en Rav Chisda verschillen van mening of dit offer geldig is of niet [zie Birkat HaZevach en Chok Natan, die de Gemara aldus uitleggen, maar deze interpretatie is niet door iedereen geaccepteerd; zie Keren Ora en andere Acheroniem].

Ieder soort wonder is uniek: Wij leren dus dat iede soort wonder speciaal is en dat een offer voor iemand die gered werd van een bepaald gevaar alleen geldig is voor dat specifieke wonder en het is geen algemeen toda. Volgens Rav Chisda is het zelfs helemaal niet te beschouwen als toda als het niet zo werd geofferd.  Daarom kan Reoeween, die hersteld is van een gevaarlijke ziekte, en daarvoor ĝomel bensjt, niet Sjimon, die uit de gevangenis is bevrijd, vrijmaken van diens verplichting om ĝomel  te bensjen. Want als Sjimon in gedachte had dat hij hersteld was van een ziekte, zou hij niet zijn plicht gedaan hebben. Maar als Sjimon en Reoeween gered waren van hetzelfde gevaar, dan kan ieder van hen de ander vrijmaken met zijn beracha. Wij merken hier nog op dat de Misjna Beroera [213:12] schrijft dat het nu de eenvoudige gewoonte is dat iedereen de beracha  voor zichzelf maakt, mogelijk omdat niet iedereen voldoende in staat is om te bedenken dat hij zichzelf en anderen vrijmaakt, nog daar gelaten dat wij ons zorgen moeten maken over het worden afgeleid. [zie Responsa Minchat Sjlomo I, 1 ot 2, en Piskei Tesjoevot 213, opm. 8].