Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
1 Rosj Chodesj Tazoez 5763 Traktaat Zevachiem 13-19 Nr. 18

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 213 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

éă\ŕ äĺŕéě ĺëúéá ĺě÷ç

Is de mitswa om bloed te sprenkelen gelijk aan de mitswa om de loelav op te nemen?

Wat heeft de mitswa van loelav te maken met Zevachiem? Het blijkt dat een fascinerende halachische aangelegenheid deze twee volko­men verschillende onderwerpen met elkaar verbindt: het opnemen van de loelav en het sprenkelen van het bloed van een chataat op het altaar. De Tora zegt: „en je zult voor jezelf nemen… de vrucht”, enz. (Wajjikra 23:40) en daaruit leren wij dat men de arba miniem ­– de vier [planten] soorten moet opnemen om de mitswa uit te voeren.

Moet een loelav worden opgenomen of vastgehouden? Laten wij de zaak eens nader onderzoeken. „Je zult nemen” betekent dat men de loelav in de hand moet nemen of misschien is deze handeling niet een deel van de mitswa maar is het vasthouden van de loelav de hoofdzaak van de mitswa. Laten wij het volgende voorbeeld eens bekijken: Een enthousiast persoon houdt de vier soorten in zijn hand van middernacht tot de ochtend. Wanneer de ochtend aanbreekt, voert hij dan de mitswa uit door ze gewoon vast te blijven houden of moet hij ze neerleggen en weer opnemen (een ander voorbeeld: iemand die verlamd is aan zijn armen en de vier soorten zijn hem in de hand gegeven). Het probleem werd het eerst besproken door de auteur van Aroch Laneer [Bikoerei Ja’akov, 652, S.K. 10] en de leiders van de generaties hebben dit overwogen en er vele aspecten aan ontdekt, waarvan er één direct verbonden is met onze soegia.

Eén van de vier avodot [diensten] van een offer is zerika: het spren­kelen van het bloed op het altaar. Onze soegia legt uit dat de Tora zegt „en de kohen zal met zijn vinger van het bloed nemen…” [Wajji­kra 4:30], hij moet het bloed met zijn vinger uit een schaal nemen. Wan­neer op een of andere manier er een druppel bloed op zijn vinger valt, moet dat niet op het altaar gesprenkeld worden. Wij leren daar­uit, dat het nemen niet wordt uitgevoerd door iets alleen maar vast te houden. Kennelijk moeten wij daarom ook onze vier soorten opne­men en niet alleen maar vasthouden [Responsa Divrei Mordechai en Res­ponsa Binjan Sjlomo 48].

Vloeistoffen kunnen niet worden vastgehouden: Dit bewijs uit onze soegia wordt echter verworpen door twee halachische auto­riteiten, ieder om zijn eigen reden. HaGaon Rav Naftali Tzvi Yehuda Berlin zt”l [Responsa Meisjiev Davar, I:40] verwerpt dit bewijs door zorgvuldig onderscheid te maken tussen het opnemen van een loelav en zerika. Inderdaad, wanneer de Tora gebiedt „je zult nemen”, dan moet iemand een bepaalde actie ondernemen, die beschouwd kan worden als het nemen van het voorwerp. Iemand die een loelav vasthoudt, grijpt het met zijn vingers, en hij gebruikt daarbij al die tijd zijn spieren, want als hij dat niet doet, zou het vallen. Daarom is het vasthouden van de loelav een handeling die met het voorwerp wordt uitgevoerd. Aan de andere kant kan men niet een vloeistof vasthouden. Als hij dat zou proberen te doen, zou het van tussen zijn vingers verdwijnen. Met andere woorden, een vloeistof op iemands hand heeft niets te maken met enige handeling die ermee gedaan wordt. Daarom moet de kohen het bloed uit de schaal nemen, want als hij dat niet doet, hoe zou hij dan het Tora-gebod „hij zal nemen” kunnen uitvoeren?

De Chazon Iesj zt”l [O.Ch. 149, ot 2] verwerpt ook dit bewijs om een eenvoudige reden. Over de vier soorten gebiedt de Tora: „je zult voor jezelf nemen” maar er staat niet bij vanwaar. Maar wanneer de Tora gebiedt „hij zal [het bloed] nemen” wordt er specifiek bij vermeld dat het uit een schaal genomen moet worden. Daarom is het duidelijk, dat het Tora-gebod „je zult [een loelav] nemen” niets te maken heeft met het nemen van de vier soorten van een bepaalde plaats, maar het betekent dat men het moet nemen naar een bepaalde plaats – namelijk in zijn handen. Wanneer het bloed echter de handen van de kohen bereikt, zonder dat het uit een schaal genomen was, dan moet hij daarmee geen zerika doen. (Het is belangrijk om te vermelden dat de Stiepler Gaon [Kehilot Ja’akov, Berachot §6] opmerkt dat bovenstaand probleem van belang is voor de vraag als iemand de vier soorten lange tijd vasthoudt, of hij dan één lange mitswa uitvoert, of dat hij de mitswaalleen gedaan heeft toen hij het heeft genomen. Wanneer de mitswa is dat het in iemands hand komt, dan is het zich daar lange tijd in bevinden geen mitswa).

éć\á áćîď ůáâăéäí ëäĺđúď ňěéäí

Zijn de kleren van een kohen nodig voor de kohen of voor de dienst van de Tempel?

Onze gemara legt uit dat een kohen speciale kleren moet dragen (biĝdei kehoena) tijdens zijn dienst in de Tempel, want zo niet, dan is zijn dienst ongeldig. Wanneer wij de halachot van de biĝdei kehoena nader bekijken, dat zien wij, dat we de verplichting om ze te dragen op twee manieren kunnen definiëren: (1) De kohen heeft de kleren nodig om geschikt te zijn voor zijn dienst. (2) De Tempeldienst heeft de kleren nodig. Met andere woorden, het zou mogelijk zijn dat een kohen de kleren nodig heeft omdat zij hem kwalificeren voor de dienst in de Tempel en het is mogelijk dat aan hem niets mankeert: hij is een kohen die geschikt is voor de dienst, maar in overeen­stemming met de regels om in de Tempel te dienen, kan de dienst alleen wor­den uitgevoerd in biĝdei kehoena. De kleren zijn daarom niet nodig voor de kohen maar voor de dienst. Deze twee definities zijn niet tegenstrijdig: de kleren kunnen nodig zijn èn voor de kohen èn voor de dienst.

Van onze soegia, waar staat: „wanneer hun kleren op hen zijn, is hun kehoena op hen”, leren wij dat de kleren nodig zijn voor de kwa­lificatie als kohen  voor zijn dienst in de Tempel (de eerste moge­lijk­heid). Maar wij moeten nog steeds verklaren of de kleren deel uitma­ken van de halachot voor de Tempeldienst. In zijn Asvan D’oraita [klal 19] behandelt HaGaon Rav Josef Engel zt”l dit probleem en scherpt het aan met het volgende voorbeeld: een kohen hediot (een gewone kohen) draagt vier kledingstukken (broek, hemd, gordel en hoed), ter­wijl de Kohen Ĝadol er acht draagt (broek, hemd, gordel, jas, de efod, het chosjen een tulband en de tsiets).

Een kohen hediot die dienst doet op Jom Kippoer: Hoe zit het met een kohen hediot die zijn vier kledingstukken draagt, en die de dienst doet van de Kohen Ĝadol op Jom Kippoer? Wanneer de kleren ver­eist zijn voor de halachot van de Tempeldienst, dan houdt het Tora-gebod, dat alleen de Kohen Ĝadol die dienst mag uitvoeren op Jom Kippoer, in, dat acht kledingstukken daarvoor verplicht zijn. Daar­om is deze kohen hediot de doodstraf schuldig, zoals onze soegia verklaart over een kohen die een van deze kledingstukken mist. Echter, als de kleding een vereiste van de kohen is, dan droeg deze kohen al zijn vereiste kleren en heeft hij alleen het positieve gebod overtreden, dat de dienst op Jom Kippoer moet worden gedaan door een Kohen Ĝadol.

Rav Engel lost het probleem op met behulp van wat er in Midrasj Raba gezegd wordt over Nadav en Avihoe, namelijk dat zij gedood werden omdat zij niet de me’il [jas] droegen, een van de kledingstuk­ken van de Kohen Ĝadol, toen zij reukwerk offerden in het Kodesj Hakodesjiem en de Rosj geeft daarop als commentaar [Responsa, klal 13:21] dat hoewel zij geen kohaniem ĝedoliem waren, hun reuk­werkoffers toch een me’il vereiste, omdat dit de dienst is van de Kohen Ĝadol! Wij zien dus, dat de kleren nodig waren  voor de hala­chot van de dienst in de Tempel en daar de dienst van het reukwerk gegeven was aan de Kohen Ĝadol, waren er voor die dienst acht kle­dingstukken vereist.

Hij brengt ook steun voor zijn mening van de gemara verderop (88b), waar uitgelegd wordt dat de biĝdei kehoena verzoenen, en waar uit­gelegd wordt welk kledingstuk verzoening doet voor welke zonden. Wanneer de biĝdei kehoena alleen nodig zijn voor de kohen zelf, om geschikt te zijn om dienst te doen in de Tempel, dan is er geen reden waarom zij verzoening zouden verkrijgen voor begane zonden. Echter, als de kohen ze moet dragen omdat de halachot van de Tempel be­pa­len dat zij alleen mogen uitgevoerd worden in biĝdei kehoena, dan is het duidelijk dat de kledingstukken ook verzoening doen, net als dienst in de Tempel – de offers en dergelijke – verzoening doet voor zonden. (Rav Engel behandelt dit probleem ook in zijn Beit HaOtsar [II, klal 10] en citeert Or Hachajim op Sjemot 28:2, hetgeen volgens zijn mening betekent dat de kleren niet een vereiste zijn voor de dienst. Zie HaGaon Rab Jitschak Zeev, die zo de mening van de Ram­bam uitlegt in  Sefer Hamitswot 33, namelijk dat het aandoen van de biĝ­dei kehoena een mitswa op zichzelf is).

éç\á áă ůéäĺ çăůéí

De zeldzame schoonheid van de kleren van de kohaniem en hun unieke functie

Tijdens de dienst in de Tempel moesten de kohaniem speciale kleren dragen, de zogenaamde biĝdei kehoena. Ramban [Sjemot 28:2] zegt dat deze kleren gemaakt moesten worden voor hun eigen zaak [lisjma – d.w.z. wanneer ze werden gemaakt, moest men in gedachte hebben dat zij gemaakt werden om als biĝdei kehoena gebruikt te worden] net zoals perkament voor een sefer Tora gemaakt moet worden voor de mitswa [zie Minchat Chinoech, mitswa 99, paragraaf 9, waar staat dat er een verschil van mening is tussen de opinies in de Jeroesjalmi Joma 3:6 aangaande deze zaak en zie id. Waar hij schrijft dat er volgens de Rambam geen noodzaak is om ze lisjma te maken]. Gebaseerd op onze soegia bepaald Rambam [Hilchot HaMikdasj 8:4] dat „biĝdei kehoena nieuw moeten zijn en fijn als de kleren van de aanzienlijken, zoals ons verteld wordt: ‘voor eer en schittering’”.

Weet wie je dient: De auteur van Sefer Chinoech [mitswa 99] onderzoekt de wortels van de mitswa van biĝdei kehoena en legt uit dat de „verzoenende vertegenwoordiger” – dat is de kohen – al zijn capaciteiten moet wijden aan de heilige dienst. Daarom droeg hij speciale kleren zodat ieder deel van zijn lichaam hem zou herinneren aan zijn rol en dan zou hij zich onmiddellijk herinneren voor wie hij stond. Hij vergelijkt de biĝdei kehoena met tefillien en zegt: „en dit is net als tefillien, die allen geboden zijn om ze op de uiteinden van het lichaam te leggen, om ons eraan te herinneren dat wij passende gedachten hebben.” Sefer Chinoech legt uit dat dit de reden is dat de koetonet rijkt tot op de hielen, zodat de kohen het altijd zal voelen. De mouwen rijken tot op de hand, ook opdat hij ze zal voelen. De stof van de mitsnefet [de tulband] was 16 amot lang „zodat hij iedere keer, wanneer hij zijn ogen ophief, het zou zien” en de gordel [avnet] was 32 amot lang, zodat zijn armen het altijd zouden aanraken ten gevolge van de dikte ervan en hij zou zich in vrees herinneren waar hij is en wat zijn heilige taak is.

Ramban: biĝdei kehoena werden gebruikt in de periode van de koningen die in Tora genoemd worden: Ramban [Sjemot 28:2] schrijft dat biĝdei kehoena veel gebruikt werden in koninklijke palei­zen in de tijd van de koningen die in Tora genoemd werden en hij beweert dat de mitsnefet ook „vandaag nog bekend is bij koningen en belangrijke ministers”. De biĝdei kehoena waren zo mooi dat HaGaon Rav Jitschak Elchanan zt”l [Beër Jitschak, J.D. 32] beweerde dat een kohen ze nooit mocht dragen in de tijd van zijn rouw.

In zijn Moree Nevoechiem [III, 45] verklaart Rambam dat de Tora de kohaniem opgedragen heeft fijne kleren te dragen omdat „de massa geen respect heeft voor iemand in zijn ware gedaante  maar alleen als zijn lede­maten heel zijn en voor de schoonheid van zijn kleding.” Met andere woorden, uiterlijke pracht en praal kunnen de harten beïnvloeden en ervoor zorgen dat iedereen de Tempel eert en verheerlijkt (dit alles geldt voor het onthulde aspect van de redenen voor de mitswa; zie verder in Ramban, id.).

Het oude costuum: De auteur van Tora Lisjma vertelt van een interessante toepassing van de halachot van biĝdei kehoena voor iemand die twee costuums had. Eén was nieuw maar had niet het model volgens de plaatselijke gewoonte, en de andere was oud, maar consevatief ontworpen. De persoon wendde zich tot Rabbi Josef Chaim zt”l met de vraag welk costuum hij op Sjabbat zou dragen. „Je moet het oude costuum dragen,” zei hij „zoals Rambam bepaalt [Hilchot Klei Hamikdasj 8:4] dat als een kohen kleren aandoet die te lang of te kort zijn, dan is zijn dienst ongeldig, maar als hij oude kleren draagt, is zijn dienst niet ongeldig.”

éç\á ŕáđč îéâă âŕéă

De gordel van de kohaniem en de gartel

Velen hebben de gewoonte om een gartel om te doen tijdens hun tefilla. De kohaniem deden ook een riem [avneet] om tijdens hun dienst in de tempel. In dit artikel zullen wij de unieke functie van een avneet behandelen en zijn gevolgen voor het dragen van een gartel op Sjabbat.

In onze soegia zegt Rav dat en avneet„snijdt”. Met andere woorden, als de avneet  de broek van de kohen optrekt, zodat die tekort is, dan is zijn dienst ongeldig.

HaGaon Rav Dov Ber Karasik zt”l [Pitchei Olam, hfdst. 21, s.k. 4], een rabbijn uit Litouwen, leerde onze gemara volgens zijn eenvoudige betekenis, dat de kleren onder de avneet als afgesneden worden beschouwd. En wanneer u tegenwerpt dat iedere kohen een avneet droeg en dat dan zijn broek daarom afgesneden was, dan is het antwoord dat deze kohen een broek droeg die te kort was door de avneet  en daarom was zijn dienst ongeldig.

Moet men tsietsiet niet door de riem halen? De bovengenoemde Gaon bepaalde ook dat iemand zijn tsietsiet niet door zijn riem moet trekken, omdat de riem de tsietsiet „afsnijdt” en zij worden dan beschouwd alsof zij afgesneden zijn. De auteur van Responsa Misjnee Halachot [III, 40] verbaast zich over deze uitspraak, want als die correct zou zijn, zou iemand geen gartel op Sjabbat mogen dragen als er geen eroev is. De gartel „snijdt het onderste deel van de jas af, die dan niet meer een deel van het kledingstuk is en dan zou het verboden moeten zijn om die te dragen… (zie wat hij verklaart, dat deze persoon in het geheel niet zijn kleren wil inkorten, in tegendeel, de gartel is een extra kledingstuk en is niet te vergelijken met onze soegia, dat het heeft over iemand die zijn kleren korter wil maken. Zie daar voor verdere uitleg.)

De lezers van Daf HaJomi willen nu natuurlijk weten wat de betekenis is van de opmerking van Rav. In feite bedoelt Rav niet  te zeggen dat de avneet het kledingstuk onder de riem afsnijdt. Hij bedoelt te zeggen dat als de broek van een kohen te lang is, hij de bovenrand (bij de taille) om mag slaan onder de avneet. De avneet maakt de broek dan korter zodat hij de kohen past en hij draagt nu een geschikt kledingstuk [Nisjmat Adam, klal 11, s.k. 3; de poskiem bediscussiëren ook de kwestie van het dragen van een gartel op Sjabbat als er geen eroev is. Zie Responsa Igrot Moshe, O.Ch. III:46 die het verbiedt een gartel onder een jas te dragen op Sjabbat; Responsa Beër MosheIII, 64-66; Brit Olam, Hamotsi, 15-16; Az Nidberoe, V, 23; Minchat Jitschak V, 41; Orchot Rabeinoe I, p. 135 en Sjemirat Sjabbat Kehilchata 18:5, die het toestaat].