Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
Rosj Chodesj Tamoez 5763 Traktaat Zevachiem 20-24 Nr. 19

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 214 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

ëá\ŕ ëě ůúçéěú ářééúĺ îď äîéí îčáéěéď áĺ

Zijn handen wassen met zee-insecten en ze onderdompelen in petroleum

Wij associëren het wassen van onze handen [netilat jadajim] en onderdom­peling in  een mikwe met helder water. Maar onze soegia citeert Rabban Sjimon ben Gamliël, dat iemand zich kan onderdompelen in een mikwe, ge­maakt van het vet van het oog van een grote vis, of van rode water-insecten [javchoesjiem – soort mug] omdat die geschapen zijn uit water en een pro­duct van water wordt beschouwd als water. In dit artikel zul­len wij de oor­sprong van deze halacha onderzoeken door een paar gevallen te brengen die in de gemara en de halachische literatuur genoemd worden.

Mikwaot verbinden met javchoesjiem: Rabban Sjim’on ben Gamliël citeerde nog een andere halacha op dezelfde basis [Mikwaot 6:7], dat men geen twee mikwaot met water met elkaar kan verbinden door middel van een gat dat zo wijd is als de hals van de opening van een leren fles [ongeveer twee vingers wijd], waardoor het water in de mikwaot zich met elkaar vermengen. Echter, als er een vreemd voorwerp in het gat ligt en daar een obstructie vormt, dan verbindt het gat de mikwaot niet met elkaar. Toch zegt Rabban Sjim’on ben Gamliël dat wanneer het gat gevuld raakt met rode javchoesjiem, zij de doorsnede van het gat niet verminderen, omdat zij beschouwd worden als water.

Hier vinden wij echter een kennelijke tegenstelling. Met betrekking tot onderdompeling in een mikwe en netilat jadajim beslist Rambam [Hilchot Mikwaot 8:11] volgens Rabban Sjim’on ben Gamliël, dat men zich mag onderdompelen in rode javchoesjoiiem, maar over mikwaot schrijft hij [id. Halacha 6] volgens de Chachamiem, dat mikwaot niet met elkaar verbonden kunnen worden als het verbindingsgat verstopt zit met javchoesjiem. Zijn die water-insecten nu water of niet?

Twee aspecten van onderdompeling en netilat jadajim: Leidende halachische autoriteiten hebben veel aandacht aan dit probleem besteed [zie Sefer HaMafteach, id.]. De Chazon Iesj zt”l [Kodsjiem, Likoetiem 1:5] legt uit dat de mitswa van onderdompeling en de mitswa van netilat jadajim twee in­structies bevatten. De eerste is om de handen te wassen of het hele lichaam onder te dompelen in materiaal dat gemaakt is van water. De tweede is om dat in een vloeistof te doen die alle plaatsen die onderdompeling of netilat jadajim nodig hebben, bevochtigen. Daarom worden javchoesjiem, het vet van een vissenoog of andere dingen die van wat water gemaakt zijn, beschouwd als water met be­trekking tot hun inhoud, maar zolang als zij vaste vorm hebben en niet vloeibaar zijn, kunnen wij de tweede regel niet daarop toepassen en daarom zijn ze ongeschikt voor onderdompeling of netilat jadajim. Daarom kunnen wij zeggen dat onze soegia spreekt over rode insecten die waren fijngestampt en zo vloeibaar zijn geworden als water in ieder opzicht. Echter, de misjna die de halachot van mikwaot behandelt, heeft het over hele insecten,  die de vloeibaarheid van water missen en die daarom twee mikwaot niet met elkaar kunnen verbinden [en aldus lijkt het de bedoeling van Rasji op onze soegia, s.v. Be’eino: „een grote vis waarvan het vet van zijn oog is gesmolten”].

De lezer zal veel plezier vinden als hij de Sjoelchan Aroech, O.Ch. 160:10 openslaat en daar de vol­gen­de halacha leest: „Het is toegestaan zijn handen te wassen met alles dat uit water gemaakt is, zoals rode water-insecten of vissenvet” en de Rema voegt daaraan toe: „en naar het lijkt, alleen als hij ze fijn­stampt” – een korte uitspraak die veel zegt. [Een andere uitleg van het bovenstaande wordt geciteerd in naam van HaGaon Rav Jitschak Zeev van Brisk zt”l. Volgens hem heeft men, om twee mikwaot met elkaar te verbinden een tofach al menat lehatpiach nodig – iets dat zo nat is, dat het iets anders, dat het aanraakt, natmaakt.  Waterinsecten worden als water beschouwd om ermee je handen te wassen, maar het is „droog water” want zij missen die eigenschap en kunnen niet twee mikwaot met elkaar verbinden].

Iemand die zich onderdompelde in een mikwe vol petroleum: HaGaon Rav Meïr Arik  zt”l, schrijver van responsa Imrei Josjer [II:31] werd ge­vraagd te oordelen over een geval van iemand die zich had onder­ge­dom­peld in een mikwe, toen het verwarminssysteem kapot ging en er veel pe­tro­leum in het mikwe kwam. Na besproken te hebben of petroleum een chatsitsa [afschei­ding] vormt tussen het lich­aam en het mikwe, vraagt hij zich af of petroleum, een product van de aarde, zelf niet beschouwd kan worden als water en geschikt is voor onderdompeling. Echter de auteur van Imrei David [222] ontkent die mogelijkheid. Volgens hem is petroleum geen water en is het ongeschikt voor onderdompeling [zie tefilat Keliem, hfd. 7, opmerking 2 en zie de Rogatchovers antwoord  in zijn bekrachtiging  van Piskei Tesjoeva II].

ëŕ\ŕ  îäĺ ě÷ůă éăéĺ ĺřâěéĺ áëéĺř

Hoe heiligt men de handen en de voeten: samen of apart?

Onze gemara vertelt dat een kohen die deTempel binnen wil gaan of die daar een dienst gaat verrichten, eerst zijn handen en voeten moeten was­sen, terwijl zijn rechterhand op zijn rechtervoet rust en zijn linkerhand op zijn linkervoet. Volgens Rabbi Jossi bar Rabbi Jehoeda moet hij beide handen en voeten allemaal tegelijkertijd wassen, maar volgens de Cha­chamiem, en zo is ook de halacha, [Rambam, Hilchot Biat HaMikdasj 5:16] gebeurt het wassen in twee fasen: eerst de rechterhand met de rechter­voet en dan de linkerhand met de linkervoet. De handen en voeten werden inbegrepen in dezelfde washandeling, maar sommige com­mentatoren noe­men halachot waar de handen en voeten niet samen beschouwd worden.

Mag een kohen zijn hand heiligen als het een chatsitsa heeft? Wanneer men water moet gebruiken voor zijn lichaam, zoals bij onder­dom­peling of netilat jadajim of om de handen en voeten te heiligen, mag er zich niets bevinden tussen het water en het lichaam. Maar volgens Tora [mid’o­raita] wordt een chatsitsa op minder dan de helft van het lichaam of de handen niet beschouwd als een chatsitsa. Hoe zit dat met een kohen die ziet dat hij een chatsitsa aan één van zijn handen heeft? Gezien het op­pervlak van zijn hand dat hij moet wassen, is het een chatsitsa, maar wan­neer we het hele oppervlak, dat hij moet wassen, in beschouwing nemen – zijn handen en voeten – is het dat niet, want het bedekt minder dat de helft van het hele oppervlak.

De schrijver van Minchat Chinoech [mitswa 106] en de Rochatchover Gaon zt”l [Tsafnat Paneach, Sjemot 30] leggen uit dat hoewel handen en voeten samen geheiligd moeten worden, zij niet als één oppervlak beschouwd worden ten aanzien van chatsitsa en daarom vormt een chatsitsa aan het grootste deel van een hand of voet een chatsitsa d’oraita. Minchat Chinoech voegt daaraan toe dat het mogelijk is dat dit onderscheid tussen de handen en voeten van een kohen tot uitdrukking komt bij een andere halacha. Als een kohen er niet aan denkt dat zijn handen en voeten rein zijn voor de dienst in de Tempel, dan moet hij beide handen en voeten opnieuw wassen, want zij worden beschouwd als een eenheid voor deze mitswa. Maar Minchat Chinoech zegt dat het zelfs in dat geval mogelijk is dat hij alleen zijn handen hoeft te wassen.

22b En je zult een koperen wasbekken maken

De status en functie van het kioor

De soegiot de wij nu leren, gaan o.a. over de mitswa  van de koha­niem om hun handen en voeten te wassen voordat zij met de Tempeldienst begin­nen, zoals ons verteld wordt: „…En je zult een koperen wasbekken maken… en Aharon en zijn zonen zullen daaruit hun handen en voeten was­sen” [Sjemot 30:18-19].

Het kioor was een groot vat, drie of vier amot breed [zie Tosafot Jom Tov, Joma 3:10] dat op een standaard stond. Aanvankelijk had het slechts twee kraantjes. Later, in de tijd van de TweedeTempel maakte de Kohen Ĝadol Ben Katin er nog tien kranen bij, zodat de kohaniem die de loterij wonnen om die ochtend het tamied te mogen brengen, allen tegelijk hun handen en voeten konden wassen. Bovendien regelde Ben Katin een moechani voor het kioor – d.w.z. een machine en, in het Grieks, een galgal. De moechani  was van hout en met behulp daarvan werd de kioor in een waterreservoir geplaatst, zodat het water erin niet gedikwalificeerd zou worden overnacht [Ra’avad, Hilchot Beit HaBechira 3:18]. Maar volgens de Rambam was de moechani een soort tank die water leverde aan de kioor overeenkomstig de behoefte. Sommigen verklaren [zie Tosafot Jom Tov] dat de moechani een pomp was die voortdurend water in de kioor pompte [en zie Ja’vets  op Rambam, ibid., geciteerd in Sefer HaLikoetiem in de Frenkel uitgave, en de Meïri op Tamied].

Het kioor is anders dan de andere klei  sjareet: Het is ver­bazing­wek­kend te ontdekken dat het kioor en zijn stelling niet voorkomen op de lijst van voorwerpen die in het Heiligdom in gebruik waren en die opgenomed worden in parasjiot Teroema en Tetsawee. Hasjems opdracht aan Mosh om ze te maken, wordt vermeld in Ki Tisa [Sjemot 30:18] tussen de mitswa om een halve sjekel te geven en de mitswa van het reukwerk. Sforno [ibid.] legt uit dat „dit voorwerp werd hierboven niet vermeld, samen met de rest van de voorwerpen, omdat de bedoeling ervan niet was om de aanwezig­heid van de Sjechina teweeg te brengen, zoals de bedoeling van de andere voorwerpen was, zoals boven werd uitgelegd, maar het doel ervan was de kohaniem voor te bereiden op hun dienst.” Met andere woorden, het kioor was er uitsluitend ten dienste van de kohaniem, in tegenstelling tot de andere voorwerpen, die een meer verheven doel hadden. Dat doet niets af aan de mitswa zelf – de mitswa om de handen en voeten te heiligen – dat een deel vormde van de Tempeldienst en zoals uitgelegd in onze soegia, een kohen moest zijn handen en voeten staande wassen, zoals hij moest staan tijdens de hele dienst in de Tempel.

Rabbijn Avraham Ibn Ezra [Sjemot 35:16] benadrukt zelfs dat het kioor geen draagbomen had om het te dragen, zoals de andere voorwerpen hadden. Volgens hem werd het kioor vervoerd op wagens en niet door de zonen van Kehat op hun schouders.

De definitie van de andere status van het kioor, zoals hierboven verklaard, helpt verklaren waarom het was toegestaan om het iedere avond in een reservoir te laten zinken in de Azara, zoals onze soegia verklaart, hoewel dat duidelijk in strijd was met de mitswa van de bouw van de Tempel, hetgeen bestond uit de heilige voorwerpen, die verboden waren om ze te verplaatsen [Chidoesjei HaGeriz, 19a]. Maar het kioor diende alleen maar ter voorbereiding van de dienst in de Tempel, en de verplaatsing ervan deed daarom niets af van de Tempel [Beër Miriam,Sjemot, ibid.].

En inderdaad, volgens de Ramban was het kioor geen essentiëel onder­deel van de dienst en is het geen mitswa. Er is geen mitswa om  de han­den en voeten te wassen vanuit het kioor, en het wassen mag ge­beuren met behulp van ieder Klei Sjaret. Ramban brengt zelfs een bewijs hiervoor van de Kohen Ĝadol die op Jom Kippoer zijn handen waste vanuit een gouden kan [Joma 4:5]. Daarentegen Rambam noemt het kioor op  onder de voorwerpen van de Tempel die deel uitmaakten van de bouw ervan en de kohaniem moesten bijvoorkeur hun handen uit de kioor wassen.

Blijft de vraag: Was het handen- en voetenwassen van de Kohen Ĝadol op Jom Kippoer uit een gouden kan dan volgens Rambam niet lechatchila?

24a Toen [Koning] David [de binnenplaats van de Tempel] heiligde, heiligde hij alleen het bovenste van de vloer?

Wij bouwde de Westelijke Muur?

Volgens onze soegia moet een kohen op de vloer van de Azara staan tij­dens zijn dienst in de Tempel en niets mag er zich bevinden tussen zijn lichaam en de vloer. Als gevolg hiervan behandelt onze Gemara de heilg­heid van de vloer van de Azara en bediscussiëert of David alleen de ste­nen vloer heiligde of ook de grond en de ruimten daaronder. Rav Ami vraagt over een kohen die op de grond moest staan van de Azara omdat er een steen uit de vloer verwijderd was. De Gemara vertelt dat David eens de Tempelberg van Aravnah de Jebusiet gekocht had [zie Sjmoeël II:24 en Divrei HaJamiem I, 21-24], en de grond van de Azara tot onder aan toe heiligde.

Is het toegestaan de tunnels onder de Tempelberg binnen te gaan?  De Tempelberg en zijn omge­ving bevatten vele ondergrondse tunnels. Minchat Chinoech [mitswa 362, ot 3] bewijst dat de tunnels onder de Tempelberg niet geheiligd waren en daarom een onreine, die de Tempel­berg niet op mag, mag die tunnels wel binnengaan. Toch is het verboden om de tunnels onder de Azara binnen te gaan, daar David de grond onder de Azara wel tot helemaal onderop geheiligd heeft, met inbegrip van de tunnels [volgens Tosefot, Pesachiem 67b, s.v. Mechilot].

Het teken dat gevonden werd in de diepte van de Tempelberg: In zijn responsa Tsiets Eli’ezer [X:1, ot 86], vertelt HaGaon E.J. Waldenberg dat vele jaren geleden de Gaon van Kalisj zt”l, auteur van Imrei Bina, was uit­genodigd om de tunnels binnen te gaan die rond de Tempelberg ontdekt waren. Zij kwamen in een reuzachtige hal met vier toegangen, iedere toe­gang leidde naar een soortgelijke hal met vier toegangen enzovoort. Plot­seling ontdekten zij een teken in het Hebreeuws: „Tot hier mag u komen” – met andere woorden,deze plaats is onder de Azara en daar wij allen on­rein zijn, mogen wij daar niet in [en zie Keliem 1:8].

Het is interessant te vermelden dat HaGaon Rav C. Alfandari zt”l [in Derech HaKodesj aan het eind van zijn Magied Mereisjiet] onze Gemara anders verklaart. Volgens hem heeft David niet de Azara tot helemaal onderop geheiligd, maar alleen de plaatsen die nodig waren voor de Azara, zoals de grond die beschreven wordt in onze soegia, als er een steen uit de vloer was ver­wijderd. Maar Minchat Chinoech, zoals gezegd, steunt op de Risjoniem.

Waarom heiligde David de grond van de Tempel? Waarom moest David de grond van de Tempel heiligen? Tenslotte was het Koning Sjlomo die de Tempel bouwde en niet David. David echter legde de funderingen van de Tempel en daarom heiligde hij de grond [Midrasj Sjir HaSjiriem1:6 en zie ook Responsa Rav Pe’aliem II, O.Ch. 21; Chazon Jechezkel, Sanhedrin 3:2; Har Hakodesj pp. 40-41].

David bouwt de Westelijke Muur. Nu wij het al hebben over de funde­rin­gen die Koning David gelegd heeft, kunnen wij niet de fundering nege­ren die het meest belangrijk voor ons is: de Westelijke Muur [de „Klaag­muur”]. De muur die wij nu zien bestaat uit verschillende lagen. De stenen van de eerste vijf rijen zijn 1,25 meter hoog en werden opgericht door David. De vier lagen daarboven, die gladder zijn, werden gebouwd in de tijd van de Tweede Tempel en andere lagen werden daar later aan toegevoegd. Ar­cheologen hebben ontdekt dat de stenen boven die van de laag van David vernield zijn geweest en weer opnieuw opgebouwd zijn, maar de laag van David werd nimmer vernield [zie ’Ier HaKodesj WehaMikdasj doorHaGaon Rav J.M. Tikotchinski zt”l,IV, hfdst. 2,ot 3]. Vele midrasjiem [Sjemot Raba, I:1 (?); Bamidbar 11:3; Sjier HaSjiriem 2:22; Eicha Raba 1:32; Zohar II,5b] zeggen dat de Westelijke muur nimmer verwoest zal worden en dat de Sjechina daar nimmer vandaan gegaan is. De Bach [Toer, O.Ch.561] fond in „Likoetiem” dat de reden hiervoor is, dat het door Koning David gebouwd werd. [Hoewel sommige halachische autoriteiten eraan twijfelen of de Westelijke Muur de fundering is van de muur van de Tempelberg en beweren dat het de fundering is van de muur van de Azara, zijn de meeste poskiem het daar niet mee eens, met name niet wanneer men rekening houdt met de duidelijke Archeologische vondsten.]