Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
10 Tamoez 5763 Traktaat Zevachiem 27-33 Nr. 20

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 215 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf  25b: Rava heeft gezegd: Er werd geleerd in een Beraita [aangaande het Pesach offer, dat het moet zijn]: Een jong schaap of geitje zonder gebrek, mannelijk, onder het jaar zal het zijn…, [dat betekent] dat het onbeschadigd moet zijn en onder een jaar op het tijdstip van het slachten. Vanwaar [leer ik] dat bij het opvangen [van het bloed], bij het brengen [van het bloed naar het altaar] en bij het gooien [van het bloed tegen het altaar hetzelfde geldt]? Omdat er in Tora staat: het zal zijn , [dat wil zeggen] bij alles wat het zal zijn, zal het onbeschadigd en onder een jaar zijn.

De leeftijd van het offerdier: een oorzaak of een aanwijzing?

De Tora zegt dat wij geen jong schaap of geitje van ouder dan een jaar mogen offeren. Chazal legt nog andere beperkingen van leeftijd op ander dieren: twee jaar voor een ram en drie jaar voor een stier [zie Para, hfdst. 1].

Hoe moeten wij een gigantisch lam van één dag oud beschouwen? Een interessante vraag wordt doorgaans gesteld in batei midrasj: Zijn deze leeftijd beperkingen een reden – een oorzaak, d.w.z. een beperkende ver­eiste, of een siman – kenmerk van het offerdier? Met andere woorden, wil Tora dat een bepaald offerdier in zijn eerste jaar geofferd wordt en een ander niet als het ouder is dan drie jaar of bedoelt Tora de fysieke ontwik­keling van het offerdier door middel van de leeftijd? Dat wil zeggen, dat wij een bepaald offer alleen kunnen brengen met een jong en teer diertje en het dier beantwoordt aan die eigenschap tot  zijn eerste verjaardag, en mogen wij andere offers brengen met een volwassen dier en met drie jaar is het zeker volwassen. Wij kunnen deze vraag ook anders formuleren: Hoe moe­ten wij een volledig volgroeid lam bezien, geschapen met de Sefer Jetsira, wanneer het op de dag van zijn schepping eruit ziet alsof het drie jaar oud is? Moet het beschouwd worden als één dag oud, overeen­komstig zijn leeftijd, of als een volwassen dier, overeenkomstig zijn fysieke eigenschap­pen [Met andere woorden, wanneer de „scheppers” van het gekloonde schaap Dolly, of iemand anders, erin zouden slagen een schaap te maken dat op de dag dat het begint te leven reeds de vorm en afmetingen heeft van een schaap van drie jaar, moeten wij dat dan beschouwen als een schaap van een dag oud of van drie jaar oud]?

Wel uit onze gemara blijkt de leeftijd een vereiste is en niet een indicatie voor zijn eigenschappen. Ten slotte leert onze soegia dat een jong schaap of geitje dat in zijn eerste jaar geslacht wordt, gediskwalificeerd wordt als offerdier, wanneer zijn geboorte datum passeert tussen de tijd dat het ge­slacht wordt en dat zijn bloed gesprenkeld wordt. En het is duidelijk dat het diertje, nadat het geslacht is, zich fysiek niet meer verder ontwikkelt en toch wordt het daarna beschouwd al een jaar oud. Daarom is de leeftijd van het offerdier alleen de hoeveelheid tijd die verlopen is sinds zijn ge­boorte en niet een aanwijzing voor zijn ontwikkeling [Betreffende de moge­lijk­heid om een dier te offeren dat geschapen werd met behulp van de Sefer Jetsira, zie Meorot HaDaf HaJomi nr. 181].

Daf 31b: Als iemand van plan is de hoeveelheid van een kezajit [van een offer] te eten in meer dan de tijd voor achilat pras, hoe is dan [de wet]?

Als iemand constant  op iets kauwt, is hij dan beperkt door kedei achilat pras?

Onze gemara behandelt het onderwerp van piĝoel, d.w.z. als een kohen, terwijl hij één van de ‘avodot [diensten] van een offer verricht, zegt dat hij het vlees ervan niet zal eten binnen de tijd die de Tora ervoor voorschrijft. Hij maakt daarmee het offer ongeldig en wie het dan nog eet is kareet schul­dig. Rava drukt zijn twijfel uit in onze soegia over een offer, waarvan de kohen zegt dat hij het niet binnen de voorgeschreven tijd zal eten maar gedurende een tijd die langer is dan kedei achilat pras. [De mening dat  het piĝoel wordt door wat de kohen zegt, is van Rasji en Tosefot op daf 4b,11b, etc. Betreffende de mening van de Rambam in Hilchot Pesoelei Hamoekdasjien 13:1, schrijft de Misjnee Lamelech dat het zelfs door gedachten kan worden aangetast. Wij zullen daar, B.H. in komende nummers aandacht aan besteden].

In ons laatste nummer op Seder Nezikien (Hearot HaDaf nr. 15) hebben wij de tijd behandeld die bekend staat als kedei achilat pras en vermeld dat er acht meningen zijn voor de definities daarvan. Wij herhalen hier dat kedei achilat pras de tijd is dat iemand iets in één handeling eet. Daarom, iemand die een kezajit matsa eet binnen deze tijd op de Seder avond, doet demitswa en iemand die een kezajit van een verboden voedsel eet binnen deze tijd is zweepslagen schuldig. In dit artikel zullen wij ons concentreren op de criteria die gelden voor deze hoeveelheid en in het volgende artikel zullen wij het definiëren.

Het is duidelijk, dat aangezien Tora ons gebiedt een kezajit matsa te eten op de Sederavond en een kezajit brood op de eerste avond van Soekot, wij dat in één handeling moeten opeten. De tijd die het duurt op een kedei achilat pras te eten, is overgeleverd van als een „halacha van Mosjé van Sinai”, en is de maximale hoeveelheid tijd die het duurt waarin iemand de kezajit eet, zelfs al eet hij het stukje bij beetje. Laten wij eens kijken naar iemand die constant op een kezajit matsa kauwt gedurende langer dan de tijd dat nodig is voor kedei achilat pras. Aan de ene kant is de tijd voor kedei achilat pras voorbij gegaan en heeft hij dus niet de mitswa gedaan. Aan de andere kant kan het zijn dat als iemand constant eet, dat beschouwd moet worden als één handeling, ondanks dat de tijd voor kedei achilat pras voorbij is gegaan, omdat extra tijd nodig is voor het eten met tussenpo­zen. Maar iemand die continu eet, heeft mogelijk geen kedei achilat pras nodig, want hij eet gewoon een kezajit matsa! Dat is inderdaad de mening van HaGaon Rav S. Eiger zt”l [Sefer Ha’Ikariem, Berachot, esjkol 4], maar de meeste poskiem zijn van mening dat men zich aan kedei achilat pras moet houden onder alle omstandigheden. [Zie Mageen Awraham 475, n. 15;  Misjna Beroera, Sja’ar HaTsioen 210:9; Loeach Birchot Haneheniem door de Ba’al HaTanja, 2:2; Chazon Iesj, Koentres Hasjie’oeriem, S.K. 18].

Daf 31a: Als iemand de bedoeling had om een kezajit [van een offer] te laten eten door twee mensen, [buiten de gestelde tijd en plaats,] ieder een halve kezajit, hoe is dan de wet?

Kiddoesj op vrijdagavond, piĝoel en een kezajit matsa

Kiddoesj? We hebben het niet vergeten. We zullen spoedig terugkeren naar kedei achilat pras, maar wij beginnen met een halacha die genoemd wordt in de Misjna Beroera over kiddoesj op Sjabbat. Men moet genoeg van de kiddoesjwijn drinken zodat zijn wang vol is [melo loeĝmav – iets meer dan de helft van een reviïet voor de meeste volwassenen]. Volgens sommige poskiem hoeft degene die de kiddoesj uitspreekt niet die hoeveelheid te drinken, maar is het voldoende wanneer alle aanzittenden die deelnemen aan de kiddoesj bijelkaar die hoeveelheid drinken. De halacha heeft deze moge­lijkheid als eerste voorkeur [lechatchila] verworpen, maar als iemand dat doet heeft hij, als het eenmaal gebeurd is, de mitswa gedaan [bedi’avad]. Maar de Misjna Beroera [271:73] waarschuwt dat wel alle deelnemers van de wijn moeten drinken binnen de tijd dat het duurt kedei achilat pras.

De auteur van Afikei Jam zt”l [II, 2] verwierp deze regeling ten sterkste en zijn vraag legt de wortels van kedei achilat pras bloot en dient zorgvuldig te worden gelezen: Het gebod van Tora om een kezajit matsa te eten op Pesach geldt alleen voor de persoon. De matsa hoeft niet gegeten te worden, maar de persoon moet het eten.  Aan de andere kant, de mitswa om wijn te drinken voor de kiddoesj rust op de wijn die gedronken moet worden om gewicht te geven aan de beracha. Dat is de reden dat wanneer een aantal mensen gezamelijk melo loeĝmav drinken, zij bedi’avad de mitswa hebben uitgevoerd, want het doel om gewicht aan de beracha te geven is ook daarmee vervuld.

Nu wij dit begrijpen, kunnen wij het eten van twee gezichtspunten uit bekijken – de persoon die eet en het voedsel dat gegeten wordt – de Afkei Jam verbaast zich dat wij in de Talmoed vinden dat kedei achilat pras het eten combineert van iemand die geboden is te eten, maar dat wij niet vinden dat het kan veroorzaken dat voedsel dat gegeten moet worden en gegeten wordt door een aantal personen binnen kedei achilat pras daarom beschouwd wordt als te zijn gegeten binnen één handeling.

HaGaon Rav Sjlomo Berman [Asjer Lisjlomo, 2de ed.] overweegt dit pro­bleem en brengt een bewijs van onze soegia voor de regeling van de Misjna Beroera.

Oude bekenden

Iemand was eens veroordeeld tot een langdurige gevangenis­straf. Overtuigd van zijn onschuld, pro­beerde hij vanaf de eerste dag zijn vrijheid te herkrijgen. Hij pro­beerde een tunnel onder de muur door te graven, de muur te verzet­ten en zijn ijzeren ketenen te ver­breken, maar niets hielp. De vol­gende ochtend kwam een goe­de vriend hem in zijn cel opzoeken en de gevangene beschreef zijn eerste nachtelijke ontsnappings­pogingen. Zij vriend zei: „Je enige kans om hier uit te komen is de sleutel van je cel, die de bewaker heeft. Probeer hem te spreken en bewijs je onschuld. Misschien laat hij je vrij.”

Die avond stond de gevangene bij zijn deur en wachte vol spanning op de komst van de bewaker.Hij riep hem toe: „Alstublieft, mijn­heer, open mijn cel en laat mij vrij, ik ben onschuldig.” De bewa­ker was onder de indruk van de slimheid van gevangene, maar leg­de hem uit dat hij hem niet kon helpen. Hij had slechts de beve­len van zijn commandant uit te voeren. „Praat eens met mijn baas,” advi­seerde hij, „hij kan je beter hel­pen.”

De gevangene bedankte de wacht en vroeg hem een goed woordje voor hem te doen bij de comman­dant voor een ontmoe­ting. Maar de commandant had het druk en het duurde een paar maanden voordat hij naar de cel van de ge­vangene kwam kijken. Toen hij het vezoek  om te wor­den vrijge­laten hoorden, antwoord­de de commandant dat dit niet van hem afhankelijk was. „Ik volg alleen mijn orders van boven op.”

„Van wie krijg jij je orders?” vroeg de gevangene. „Van de minister van Justitie”.

Dus vroeg de gevangene een gesprek aan met de Minister van Justitie.

Een jaarging voorbij en op een dag kwam de Minister de gevan­ge­nis bezoeken. De commandant herinnerde zich het verzoek van de gevangene, en de minister kwam naar zijn cel toe. „Alstub­lieft mijnheer,” smeekte de gevange­ne „laat mij vrij want ik ben on­schuldig.” Maar de minister legde hem beleefd uit dat hij gevangen zat ingevolge de wet en dat de minister de wet moest gehoor­zamen.

„Is  er dan helemaal geen kans voor mij?” vroeg de gevangene wanhopig.

„Jawel,” zei de minister, „de Koning kan je gratie geven.”

„Wilt u dan voor mij pleiten bij de Koning?” vroeg de gevangene. En dat beloofde de Minister, want in beloven was hij zeer goed. Maar de minister zag de Koning niet da­gelijks, en als hij hem sprak, spra­ken zij over belangrijkere zaken.

Jaren gingen voorbij en de ge­vangene werd de oudst beken­de gevangene.

Op een dag was het een drukte van belang in de gevangenis. Schoonmakers maakten iedere hoek in de gevangenis blinkend schoon, schilders kwamen de smerige muren wit schilderen en timmerlui en andere werklieden kwamen allerlei reparaties verrichten. De Koning werd verwacht!

De Koning, begeleid door de Minister, werd opgewacht door een fanfare en de commandant van de gevangenis. Plotseling herinnerde de Minister zich de gevange. Hij vroeg de commandant hen naar de cel van de gevangene te leiden, en de commandant bracht hen naar „grootvaders cel”. Toen de ontmoeting plaatsvond, riep de gevange ver­baasd uit: „O mijn Koning, U kent mij wel, U bent mijn jeugdvriend, herinnert U zich dat? Alstublieft, help mij hier uit.”

Het bleek dat zij inderdaad, lang geleden in hun jeugd samen goed bevriend waren, maar de lange en moeilijke tijd had dat de gevangene dat doen vergeten. Als hij zich met zijn verzoek reeds in het begin met een brief tot de koning had gewend, zou hem een lange gevangenis gespaard gebleven zijn.

Hoe vaak herinneren wij ons pas op latere leeftijd, als wij in moeilijkheden zitten, de Koning van onze jeugd, nadat wij eerst anderen gevraagd hebben voor ons bij Hem te bemiddelen.

Zoals in het vorige artikel reeds vermeld, behandelt onze soegia de halachot van piĝoel: wanneer een kohen zegt, wanneer hij het offerbrengt, dat het vlees ervan niet binnen de door Tora gestelde tijd zal worden gegeten, dan maakt hij daarmee het offer ongeldig. Maar onze gemara heeft twijfels voor het geval dat een kohen zegt dat een kezajit van het offervlees gegeten zal worden na de juiste tijd door twee mensen. Aan de ene kant zegt de kohen  dat een kezajit gegeten zal worden buiten de vastgestelde tijd en dat is piĝoel. Aan de andere kant eet geen van de twee personen een kezajit en het Tora verbod geldt voor het eten van een kezajit. De gemara besluit dat de kohen het offer ongeldig maakt omdat hij van het vlees zegt dat een kezajit ervan gegeten wordt niet zo als het hoort.

De gemara heeft nog een ander probleem: Hoe zit dat met een offer waarvan een kohen denkt dat het zal worden gegeten door één persoon over een periode die langer duurt dan een kedei achilat pras?

Zijn twee beter dan één? Ogenschijnlijk zouden wij geen twijfel moeten hebben. De gemara heeft zojuist vastgesteld dat de gedachte over een kezajit vlees die gegeten wordt door twee mensen na de toegemeten tijd piĝoel is. Is het niet duidelijk dat de gedachte aan één persoon, die na de toegemeten tijd een kezajit vlees eet, het piĝoel maakt, zelfs als hij er lan­ger over doet dan kedei achilat pras? Worden de handelingen door één persoon verricht als meer gescheiden beschouwd dan de handelingen van twee personen? [Zie Sefat Emet en Chidoesjei HaGriz op onze soegia].

Het is duidelijk dat iets in de handeling van twee personen hun eten ver­enigt, in tegenstelling tot het eten van één persoon dat langer duurt dan kedei achilat pras. Wij moeten daarom concluderen dat de twee personen een kezajit eten binnen de tijd van kedei achilat pras. Op deze manier verenigt hun manier van eten zich, zodat de kezajit op tijd gegeten wordt, zij het niet door één enkel persoon. Aan de andere kant, iemand die een kezajit eet en daar langer over doet dan kedei achilat pras, die verdeelt de tijd voor kedei achilat pras. We kunnen nu niet zeggen dat hij de kezajit binnen de vastgestelde tijd gegeten heeft, noch dat een kezajit gegeten werd binnen de vastgestelde tijd.

Daarom is de beslissing van de Misjna Beroera correct: deelnemers aan een kiddoesj moeten de wijn drinken binnen de gestelde tijd van kedei achilat pras. Dan combineren wij hun drinken en zeggen dat een melo loeĝmav van de beker wijn binnen de gestelde tijd gedronken was [zie verder in Sjer Lisjomo, dat zelfs  als wij beslissen dat overschrijding van kedei achilat pras piĝoel veroorzaakt, zoals Rambam beslist, dit nog geen invloed op de kiddoesj heeft].

Daf 32b: Daar hij bevrijd was [van het verbod op grond] van zijn tsara’at om [het Tempelplein] binnen te gaan, was hij ook bevrijd [van het verbod op grond] van zijn zaadlozing om [het Tempelplein] binnen te gaan.

Aangezien het is toegestaan, is het toegestaan

In onze gemara maken wij kennis met een bekende Talmoed-regel: „aan­ge­zien het is toegestaan, is het toegestaan.” Deze regel bepaalt, dat als iets dat verboden was, wordt toegestaan om te doen, dan worden andere verboden die daarbij betrokken zijn, ook toegestaan. In onze soegia wordt deze regel tot uitdrukking gebracht door het geval van een metsora: on­danks zijn onreinheid staat de Tora hem toe op de achtste dag van zijn rei­niging zijn duimen in de machanee sjechina te steken [de binnenste ruimte van de Tempel, die begint bij het Ezrat Jisrael] en aangezien het verbod dat rust op de onreinheid van de tsara’at hier wordt opgeheven, worden andere onrein­heden die op hem rusten, zoals de onreinheid van een zaadlozing ook opgeheven. Deze regel is op veel soegiot van toepassing en wij zullen hier de principes opnoemen.

Melk op Pesach van een koe die chameets gegeten heeft: Een wel­bekend halachisch probleem betreft het drinken van melk op Pesach die afkomstig is van een dier dat chameets gegeten heeft. Wij zullen ons niet bezighouden met de actuele vraag of de melk te beschouwen is als cha­meets [zie Misjna Beroera 448:33; Mageen Avraham 445; Sedei Chemed, Ma’arechet Chameets Oematsa 5:4 die uitweidt over de meningen; Responsa Torat Chesed, O.Ch. 21; Responsa Chelkat Joav, 2de ed., 20; Responsa Igrot Moshe, O.Ch. I, 147], maar met een briljante oplossing die gesuggereerd wordt door de Chajei Adam [in Nisjmat Adam, Tesjoevot Behilchot Pesach 10:15]. Als de Tora ons niet toe­ge­staan had om melk te drinken, dan zou het verboden zijn geweest, hetzij omdat het uit bloed voortkomt, dat niet gedronken mag worden, òf omdat het beschouwd wordt als een lichaamsdeel van een levend dier [zie Bechorot 6b]. Daarom, ingevolge de regel: „aangezien het is toegestaan, is het toe­gestaan”, is er niets simpeler dan toe te staan melk te drinken van een koe die chameets heeft gegeten. Daar het verbod om melk te drinken toege­staan is, moeten wij ook het verbod van chameets dat daarmee verbonden is, toestaan.

Echter de auteur van Torat Chesed verwerpt dit idee ten sterkste, omdat deze regeling niet alles  omvattend is. Niet altijd omvat de permissie, om iets wat verboden is, toe te staan, ook alle andere verboden. We zullen hier drie uitzondering opnoemen, die het gebruik van deze regel beperken: (1) Volgens Rava in onze soegia is de regel niet geldig als het eerste verbod volledig is toegestaan. De regel is geldig alleen als de reden voor het eerste verbod bestaat, maar Tora het desalniettemin toestaat [Kovets He’arot 10, ot 1,en zie Tosafot Rabbi Akiva Eiger op Jevamot Ch. 1, ot 3]. (2) De regel is alleen maar geldig als de permissie voor het eerste verbod aan het tweede voorafging [Jevamot 8a en zie Kovets He’arot 11 voor de reden; daarom, als de metsora op de zevende dag van zijn reiniging onrein wordt door een andere onreinheid, is die onreinheid niet toegstaan, daar hij zijn duimen pas op de achtste dag in de machanee sjechina mag steken]. (3) De regel is alleen van toepassing als de verboden dezelfde naam dragen, zoals in onze soegia, waar een andere onreinheid is toegevoegd aan de onreinheid van de tsara’at [Responsa Rabbi Akiva Eiger aan het eind van Deroesj Wechidoesj 4; Responsa Achi’ezer, I, 4 ot 4].

De suggestie van Chajei Adam wordt door deze drie beperkingen tegenge­spoken: (1) In dit geval staat de Tora de melk volledig toe, er wordt geen verbod opgeheven; (2) In dit geval ging het tweede verbod – de chameets – vooraf aan de permissie van het eerste, want de chameets was reeds in de maag van het dier voordat het melk werd; (3) Het verbod op bloed of een lichaamsdeel van een levend dier heeft niet dezelfde naam als chameets, zoals de onreinheid van tsara’at en de onreinheid van een nachtelijke zaadlozing, die in onze soegia genoemd worden.