Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
12-19 Tamoez 5763 Traktaat Zevachiem 34 - 40 Nr. 21

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 216 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

33a [Een metsora – iemand die lijdt aan de ziekte tsara’at, ten onrechte in het Nederlands vaak vertaald met „melaatsheid” of „lepra” – moet op de achtste dag van zijn reiniging, nadat hij door de kohen genezen is verklaard, een schuldoffer brengen. Voordat dit offer geslacht wordt, moet de metsora zijn zonden belijden en daarbij op het offerdier steunen. Dit steunen heet semicha. Daarna wordt het geslacht en daarna smeert de kohen van het bloed van het offerdier aan de rechter duim en grote teen van de ex-metsora en pas daarna mag hij de binnenplaats van de Tempel betreden. Een Beraita leert over het slachten en semicha in het algemeen:

Heiligdom
Temp
ramp
Altaar
Nikanor Poort
elplein
Noordelijke helft
 

„Het slachten moeten onmiddellijk volgen op de semicha, behalve [de slachting van een schuldoffer van een metsora] want deze  [semicha] werd uitgevoerd bij de Nikanor-poort, omdat de metsora daar niet binnen mocht komen, totdat de kohen wat van het bloed van zijn schuldoffer en van zijn zondoffer heeft aange­bracht.”

Het slachten moest plaatsvinden in de noordelijke helft van de binnenplaats van de Tempel [waar de metsora  nog niet mocht komen en dat was te ver weg van de Nikanor­poort  opdat het slachten onmiddellijk kon volgen op de semicha. De Gemara vraagt dan waarom het slachten niet bij de Nikanorpoort kon plaatsvinden, die immers grensde aan de Noordzijde van de binnenplaats, zodat de metsora buiten kon staan, zijn handen naar binnen kon steken door de poort en zo op het binnen de poort staande offerdier kon leunen bij het belijden van zijn zonden. De Gemara noemt hiertegen een bezwaar (Zwi):

„Ieder die [op het offerdier] leunt, moet zijn hoofd en het grootste deel [van zijn lichaam] binnen het Tempelplein  brengen. Wat is de reden? Hij moet er met al zijn kracht op leunen.”

Hoe sterk moet de semicha zijn?

De Sjoelchan Aroech [O.Ch. 607:3] bepaalt dat wanneer men widdoei zegt [zijn zonden opbiecht] op Jom Kippoer, men moet staan. Maĝeen Awarham [id. n. 4] voegt daaraan toe dat men daarbij moet buigen, zoals in Modiem en nergens zodanig op mag leunen, dat wanneer hetgene waarop men leunt wordt weggehaald, men zou vallen.

Semicha uit alle macht:  De Gerer Rebbe zt”l , auteur van Imrei Emet [zie Pardes Josef, Wajjikra 1:4] verbaast zich erover dat de Maĝeen Awraham ogen­schijnlijk onze soegia tegenspreekt. Ten slotte zegt onze gemara duidelijk dat de eigenaar van het offerdier zijn handen op de kop van het dier moet leggen en daar met al zijn kracht op moet leunen. Wij hebben niet veel verbeelding nodig om ons voor te stellen wat er gebeurt als iemand het dier zou wegtrekken terwijl hij er op leunt als hij zijn zonden opbiecht. Het lijkt erop dat iemand die zijn zonden bekent, wel degelijk ergens volledig op mag leunen.

Widdoei bij de Kohen Ĝadol: Die vraag wordt nog sterker wanneer wij het gedrag van de kohen ĝadol op Jom Kippoer beschouwen, die de widdoei uitspreekt boven de offers, terwijl hij semicha doet. Is de widdoei van een gewoon iemand op Jom Kippoer strenger dan die van de kohen ĝadol op Jom Kippoer?

We moeten onderscheid maken tussen druk naar beneden en druk naar voren:  De Imrei Emet  concludeert dat iemand niet valt als het offerdier verwijdert wordt, omdat hij zijn armen opheft boven de kop van het dier en dan omlaag duwt. Wanneer hij tegen iets duwt dat tegenover hem staat,  zoals een zware kast, wordt zijn gewicht daarop overgebracht en hij zou zijn evenwicht verliezen, als het werd weggehaald. Maar wanneer hij naar beneden duwt, blijft zijn gewicht op zijn voeten.

Grote schapen en geiten in Erets Jisraël: Nu vraagt u zich af of de eigenaars van offerdieren niet ook hun handen legden op schapen en geiten, die klein zijn en de eigenaar zou waarschijnlijk vallen als het dier werd  weggehaald. De Imrei Emet verbaast ons met zijn bewering dat „wij kunnen zeggen,  zoals staat in Midrasj Rabba [Toledot, parasja 65:17], dat de schapen en geiten in Erets Jistraël erg groot waren”!

Volgens sommige Acheroniem hangt de vraag van onze Gemara, of de metsora voor zijn reiniging buiten de ‘Azara [het voorplein] stond en alleen zijn handen naar binnen stak om de semicha te doen op zijn offerdier, of dat hij zijn hoofd en het grootste deel van zijn lichaam naar binnen bracht, af van het soort semicha dat vereist is. Wanneer het alleen de kracht van de handen vereist, hoefde hij alleen maar zijn handen naar binnen te steken. Maar wanneer hij de semicha met al zijn kracht moest uitvoeren, dan moest hij ook zijn hoofd en het grootste deel van zijn lichaam naar binnen steken. In dit verband moeten wij op de opmerking van de Ba’al HaToeriem [Wajjikra 3:2] wijzen die zegt dat iemand die zijn handen op een schaap of geit moet leggen, dat licht moet doen, wegens de zwakte van het dier. Hoewel men kracht moet uitoefenen uit alle macht, is het wel afhankelijk van de weerstand die het dier kan bieden. (Kollel Sochatchov)

Hoofdstuk Vier

(Door Zwi)

Inleiding

Het volgende hoofdstuk gaat verder met de discussies over piĝĝoel – het ongeldig worden van een offer doordat men de bedoeling had het na de toegestane tijd te consumeren. Het hoofdstuk concentreert zich op de re­geling die op bladzijde 13a hiervoor van Tora werd afgeleid, dat piĝĝoel alleen maar gebeurt op basis van een intentie tijdens één van de onder­delen van de avoda  [dienst] die dient om de comsumptie van het offerdier te permitteren – Met name de vier avodot van het bloed zijn de permitte­ren­de factoren [matirien, mv. van matier, toegestaan] van een offer, want wan­neer die op de juiste wijze worden uitgevoerd is het toegestaan de offerdelen te verbranden op het altaar en mag men het vlees opeten. Dus wanneer men de intentie had om het vlees na de toegestane tijd te consu­meren tijdens de uitvoering van één van deze vier handelingen: sjechita, kabbala, halacha of zerika, dan maakt dat het offer piĝĝoel (zie de gemara 13a). Echter alleen de componenten die duidelijk essentiëel zijn om de ac­ceptatie van het offer te bewerkstellingen, zijn de matirien. Er zijn onder­delen van de avoda die door Tora zijn voorgeschreven, maar die niet essen­tiëel zijn voor de geldigheid van het offer en wanneer die handelingen weg­gelaten worden, belemmert dat niet de geldigheid van het offer. Dus wanneer degene die de avoda uitvoert tijdens deze onderdelen ervan de bedoeling heeft om het offervlees te consumeren na de toegestane tijd, wordt daardoor het offer niet piĝĝoel. Dit hoofdstuk identifiseert enkele van deze componenten en bediscussiëert het effect van zulk een bedoeling. Voorts worden een aantal regels gegeven die gelden voor matirien.

46b Beit Sjammai zegt: Alles wat wordt aangebracht op het buitenaltaar

De zes namen van de twee altaren

Mosjé kreeg de opdracht om twee altaren op te zetten in het Heiligdom. De eerste: „en je moet een altaar maken van acaciahout… en dat overdekken met koper.” [Sjemot 27:1-8] En het tweede: „en je zult een kruidenaltaar maken en dat overdekken met puur goud” [Sjemot 30:1-10]. In de Tempel werd het koperen altaar vervangen door een van steen, maar het gouden altaar bleef.

Essentiële verschillen tussen de altaren: Behalve dat zij gemaakt waren van verschillende materialen, zijn er essentiële verschillen tussen de alta­ren. Het koperen altaar stond buiten de heichal terwijl het gouden altaar binnen stond. Het ’olat hatamied werd iedere dag tweemaal geofferd op het koperen altaar, ’s ochtends en ’s middags. Al de offers werden daar gebracht en hun bloed werd op de „hoorns” ervan aangebracht [keranot, de kubus-vormige uitsteeksel boven op het altaar aan de vier hoeken en aan de zijkant ervan. Daarentegen het reukwerk (ketoret) werd iedere ochtend en middag op het gouden altaar verbrand, maar daar werd­en geen offers gebracht en er werd geen bloed op gesprenkeld, behalve eenmaal per jaar, zoals ons verteld wordt: „…en Aharon zal op de horens ervan eenmaal per jaar verzoening doen met het bloed van het chataat van Jom Kippoer” [Sjemot 30:10]. In zelfdzame omstandigheden, wanneer een chataat geofferd werd voor een zonde van de gemeenschap of voor dat van een kohen masjiach, dan werd ook het bloed daarvan op het gouden altaar gesprenkel. De heiligheid van de twee altaren was dus niet hetzelfde. Rabbijn Awraham Ibn Ezra [Sjemot 30:10] schrijft dat het belang van het gouden altaar alleen overtroffen werd door de aron hakodesj.

Ieder altaar had drie namen: Ieder altaar had drie namen, zoals vermeld wordt in de beraita [Melechet HaMisjkan, hfdst. 11]: twee van Tora en nog een daaraan toegevoegd door de tanaïem. Het met goud bedekte altaar wordt door Tora „het gouden altaar” genoemd, wegens zijn bedekking [Sjemot 39:38] en ook „het kruiden altaar” [Sjemot 30:27] wegens zijn voornaamste functie. In onze soegia en ook elders [b.v. Joma hfdst. 2, misjna 3, etc.] noemen de tanaïem het „het binnen altaar”, wegens zijn plaats binnen de heichal. Het met koper bedekt altaar wordt in Tora „het koperen altaar genoemd [Sjemot 38:30] en ook het „altaar van het ‘olah [Sjemot 30:28] wegens het ‘olah dat er volledig op verbrand werd (in tegenstelling tot andere offers waarvan een deel van het vlees door de kohaniem of door de eigenaar werd gegeten). Daarnaast noemen de tanaïem het in onze soegia en ook elders [Joma hfdst. 5, misjna 5] het „het buiten altaar”, omdat het buiten de Heichal stond.

Iedere naam heeft een functie: HaGaon Rav Shimon Diskin zt”l biedt in zijn commentaar op parasjat Teroema een eenvoudige verklaring voor het gebruik van de verschillende namen door chazal. De voornaamste namen verkregen zij door hun functie: het kruidenaltaar en het altaar van het ‘olah. Maar wanneer zij genoemd worden in verband met  bepaalde halachot, noemden chazal hen bij de naam die verbonden was met dat speciale on­derwerp. Bijvoorbeeld, een misjna in Chagiga [3:8] bepaalt dat „alle voor­werpen die zich in de Tempel bevonden, moesten worden onder­gedom­peld, behalve het gouden altaar en het koperen altaar, want zij zijn als de grond.” Daar deze misjna de verspreiding van onreinheid behandelt, was het nodig om te vermelden dat zij van metaal waren gemaakt, dat in het algemeen onreinheid kan aannemen, maar dat niettemin de altaren niet onrein kunnen worden omdat zij als de grond zijn. Aan de andere kant behandelt onze misjna en ook andere bronnen het sprenkelen van bloed op het altaar. De altaars worden dan genoemd naar de plaats waar zij staan: het buitenaltaar en het binnenaltaar, daar bloed dat op het buitenaltaar gesprenkeld had moeten worden en binnen was gekomen, ongeschikt wordt om nog te sprenkelen. Daarom, wanneer het sprenkelen van bloed behandeld wordt, wordt de locatie van het altaar genoemd, omdat het effect heeft op de geschiktheid van het bloed om te worden gesprenkeld.

Het buitenaltaar bewerkstelligt vrede: Wij besluiten met een opmerking van Recanti [parasjat Testawee], dat het doel van het buitenaltaar is om vrede te maken tussen de Joden en Hasjem. Daarom zou het niet juist zijn om het te bedekken met goud of zelfs maar zilver, want die metalen zijn de oorzaak van veel onenigheid. Maar het kruidenaltaar was gemaakt van goud, want het doet ons herinneren aan de Sjechina, waarvan ons verteld wordt: „…haar kleren zijn van goud” [Tehilliem 45:15].

35a Vocht vormt geen afscheiding

Hoofdtefillien leggen na onderdompeling

Er bestaat een traditie in de naam van de Sjelah Hakadosj, dat voordat men de tefillien van het hoofd legt, men zijn hoofd moet wassen op de plaats waar met van plan is de tefillien te leggen. Sommigen suggeren [Sja’arei Tesjoeva, 27, n. 5] dat hij dit zo bepaalde wegens de gewoonte om te middernacht op te staan en de Tikoen Chatsot te zeggen en daarbij as op zijn hoofd te doen, op de plaats van de tefillien. De Chida [Birkei Joseef id. n. 8] citeert ook de Sjelah en voegt daaraan toe dat nadat men die plaats gewassen heeft, men het moet afdrogen voordat men de tefillien legt. Dit is in overeenstemming met de Rosj, die zegt dat er geen chatsitsa mag zijn tussen de kleren van de kohen en zijn lichaam [er mag niets tussen zitten], zo ook mag er niets zitten [geen chatsitsa] tussen de tefillien en het hoofd [Wij hebben hierover geschreven in Hearot nr. 18].

Iets dat nat is vormt geen afscheiding: De Daf HaJomi lerners zullen zeker opmerken, dat water, zoals onze soegia verklaart, geen afschei­ding vormt. Onze gemara legt uit dat de kohaniem, die blootvoets in de Tempel liepen, zodat niets tussen hen en de grond zou komen en dat zij ook over de vloer van de ‘Azara [het Tempelplein] liepen terwijl het nat was van het bloed van de Pesach-offers en dat zij niets te vrezen hadden van Chatsitsa, daar „iets dat nat is geen afscheiding vormt”. Als dat zo is, waarom moet men dan zijn haar afdrogen?

Met een soortgelijk probleem werd de Misjnee Lamelech [Rambam, Hilchot Avodat Jom Hakipporiem 2:2] geconfronteerd,en hij schrijft dat de misjna zegt dat op Jom Kippoer de Kohen Ĝadol zich afdroogde na zijn onder­dompeling in een mikwe. Hij beweert dat de misjna ons niet zomaar een verhaaltje vertelt, maar dat de Kohen Ĝadol zich moest afdrogen, want als hij dat niet zou doen, dan zou het water een afscheiding vormen tussen zijn lichaam en de kleren. Maar een natte substantie vormt toch geen afscheiding?

Een speciale halacha voor tefillien en voor priesterkleding: De auteur van Birkei Josef plaveit een nieuwe weg om de Rosj te begrijpen. Indedaad, water vormt geen afscheiding, maar wanneer de Rosj paskent over tefillien, dan is er net als bij de kleren van de kohen een verbod van een chatsitsa tussen hen en de huid, niet zoals de gebruikelijke chatsitsa maar een spe­ciale halachische chatsitsa die alleen geldt voor tefillien en voor de kleren van de kohen: „op zijn vlees” moet hij de kleren dragen en „op je arm” en „tussen je ogen” moet je de tefillien leggen. Dat wil zeggen dat Tora direct contact eist tussen het lichaam van de kohen en zijn kleren en tussen iemands lichaam en zijn tefillien. Daarom, hoewel vloeistoffen geen af­scheiding vormen en het bloed van de offerdieren ook geen afscheiding vormt tussen de voeten van de kohen en de Tempelvloer, verhindert water dat de kleren van de kohen direct „op zijn vlees” zitten en verhindert het dat de tefillien rechtstreeks op iemands huid liggen.

Is het toegestaan om een tefillien-riem onder de arm-tefillien te bin­den? Deze nieuwe definities heeft vele gevolgen – onder andere, ten aanzien van de regel dat „een soort geen afscheiding vormt met zijn eigen soort”. Bijvoorbeeld als iemand een loelav opneemt mag hij niets anders in zijn hand houden dat tussen de loelav en zijn hand komt. Maar als hij de drie soorten, loelav, haddassiem  en ‛aravot samenbindt met een blad van de loelav, dan is dat geen probleem want de bladeren van de loelav zijn van dezelfde soort als de loelav en vormen daarom geen afscheiding. In het licht van deze regeling, zouden wij het mogen toestaan als iemand de riem van de arm-tefillien onder de titoera [„het platvorm”] van de tefillien bindt, want de leren riem is van dezelfde soort materiaal als de leren tefillien. Maar nu wij ons realiseren dat de tefillien op de huid moeten liggen, begrijpen wij dat de riem dat verhindert en daarom een chatsitsa vormt. Vele poskiem zijn hier streng in [zie Responsa  Avnei Nezer, O.Ch. 14; Responsa Toev Ta’am Weda’at door HaGaon S. Kluger, I, 245] en de Misjna Broera [Hilchot Tefillien 27:14] paskent dat lechatchila men geen riem onder de tefillien mag binden.

Mag men de riem om een leren horlogebandje winden: Ogenschijnlijk bestaat er geen noodzaak om een horloge met een leren bandje van de arm te verwijderen wanneer men de riem van de arm-tefillien daar overheen bindt, want beide riemen zijn van leer en „een soort vormt geen afschei­ding met zijn eigen soort.” Maar men moet wel oppassen dat de riem niet over het horloge zelf gaat. Maar aangezien wij geleerd hebben dat tefillien „op zijn vlees” moeten liggen, vormt het horlogebandje een afscheiding tussen de riem en de huid [Responsa Dovev Meisjariem II:37 en zie de Prie Megadiem in Misjbetsot Zahav 27:4]. De Gaon van Tchebin zt”l [id.] voegt daaraan toe dat aangezien de riem van de arm-tefillien heilig is en het horlogebandje niet, worden zij niet als van dezelfde soort beschouwd volgens alle meningen [en zie wat hij zegt over de opmerking van de Birkei Joseef zelf]. [In Jalkoet Joseef (Hilchot Tefillien 4) schrijft HaRav Jitschak Joseef uit naam van zijn vader HaRisjon LeZion HaGaon HaRav Ovadja Joseef, dat men zijn horloge niet af hoeft te doen, omdat op de riemen niet de din van chatsitsa rust nadat zij reeds zevenmaal rondom de arm zijn gewikkeld, maar dat het lofwaardig is hier streng in te zijn. Hij steunt op Jabi’a Omer (deel II, siman 2), die als steun voor deze conclusie de Responsa HaRasjba (Deel A, band 2, siman 827) brengt, dat de din van chatsitsa alleen geldt voor de plaats van het tefillien-huisje maar niet voor de riemen en dat men ze daarom ook over de kleren mag binden. Hij verwijst ook naar de Rema (27:4) die schrijft dat het voorschrift, dat er niets mag zitten tussen de tefillien en de huid alleen geldt voor de tefillien zelf, maar dat men daar voor de riemen niet zo precies in hoeft te zijn. (Hierop geeft de Misjna Beroera (27:19) als commentaar: „De Acheroniem schrijven dan met hier niet soepel in moet zijn, behalve bij de windingen, maar men moet streng zijn met de riemen, zowel voor de arm-tefillien als voor de hoofd-tefillien, enz.) De Jalkoet Joseef  vervolgt: „Zelfs volgens degenen die menen dat de din van chatsitsa wel geldt voor de riemen, geldt het zeker niet meer na de zevende winding op de arm en dat men daar zeker niet machmier hoeft te zijn. En mijn Vader, mijn Leraar de Risjon Lezion schrijft in zijn responsa Jechawe Da’at (deel 3, siman 2), dat ondanks dat de Gaon van Tchebin in zijn responsa Dovev Meisjariem II:37 schrijft dat men hier machmier moet zijn, en men zijn horloge moet afleggen als men tefillien legt, maar toen ik hem persoonlijk ontmoette en met hem deze halacha bediscusiëerde, trok hij terug en gaf toe dat men hier soepel mee kan zijn.” Er bstaan dus hierover verschillende ideeën, maar bij Asjkenazische Joden is het minhaĝ om het horloge af te doen (Zwi)].

35a Wie het offer slacht [met de bedoeling] de hoeveelheid van een olijf te eten van de huid of van het vleesnat

Waarom men in Jeroesjalajim het vlees vóór de soep eet

Onze misjna zegt: „Wie het offer slacht [met de bedoeling] de hoe­veel­heid van een olijf te eten van de huid of van het vleesnat… maar niet bin­nen de vastgestelde tijd of op de voorgeschreven plaats, dan is het [offer] geldig.” Met andere woorden, een kohen die een offer slacht met de gedachte van piĝĝoel – d.w.z. dat hij zei (of dacht) tijdens het slachten dat het vlees na de vastgestelde tijd of buiten de vastgestelde plaats zou wor­den gegeten, dan is het offer ongeldig. Maar wanneer hij dat zegt van on­belangrijke onderdelen van het offer, zoals de huid, het vleesnat, de been­deren etc. – die wel gegeten kunnen worden maar niet het hoofdbestand­deel vormen van het voedsel – dan heeft hij het offer niet gediskwalificeerd en, zoals de Rambam zegt [Hilchot Pesoelei Hamoekdasjien 14:7]: „al deze [on­derdelen] zijn niet belangrijk voor de juiste gedachten die vereist zijn voor offers en zij maken het niet ongeschikt om te eten.” Ook iemand die notar eet – het vlees van het offerdier na de tijd dat het is toegestaan om te eten – wordt gestraft met kareet maar niet als hij het vleesnat eet of andere lichaamsdelen die de misjna opsomt.

Het vlees van een offer kon worden gekookt, gestoofd of geroosterd [misjna op blz. 90b], in tegenstelling tot het Pesach-offer, dat alleen ge­roosterd mag worden. Het vleesnat ontstaat wanneer het vlees gestoofd of geroosterd wordt en er rust geen verbod van piĝĝoel of notar op. Sommi­gen leiden zelfs van de Rambam af dat niet alleen iemand die het vleesnat drinkt of de notar eet vrijgesteld is van kareet, maar dat er ook geen ver­bod bestaat om het vleesnat over te laten, en dat dit verbod alleen geldt voor het vlees [zie Keren Orah; Torat Zeëv 18]. De Acheroniem conclu­de­ren daarom dat de jus en de andere delen die onze misjna opsomt, niet inbegrepen zijn in de mitswa om het offerdier te eten [zie Responsa Beit Jitschak, J.D., 161:3 en 110:4, die op die manier een probleem oplost van de Chavot Da’at (95:4) op Tosafot 96a]. En dat schrijft ook de Rosj [Nazir 45b].

Nu wij zovergekomen zijn,moeten wij ook de minhaĝ van Jeroesjalajim ver­ellen, waar men het vlees opdient vóór de soep [sommigen zeggen dat de minhaĝ ongeveer 100 jaar geleden begon en bedoeld was om te voorkomen dat men vleessoep zou drinken, waarvan later zou blijken dat het een kasjroet probleem heeft met het vlees; zie Jeroesjalmi sjel Ma’la, III, pp. 55-56]. Wij kunnen veronderstellen dat diegenen die in Jeroesjalajim verbleven in de tijd van de Tempel, zich zo gedroegen omdat zij erop gebrand waren het offervlees te eten binnen de voorgeschreven tijd en pas daarna tijd hadden voor de soep, waavoor het geen probleem is als men die na de voorgeschreven tijd nuttigt. Rasji schrijft [Pesachiem 7a, Bawa Metsia 26a] dat het meeste vlees in Jeroe­sjalajim afkomstig was van sjelamiem [vrijwillig gebrachte offers die de eigenaars zelf voor het grootste deel mochten eten] en dat daarom de meeste mensen in Jeroesjalajim er zorgvuldig mee waren om eerst het vlees te eten en pas daarna de soep [Torat Zeëv].