Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
23 Tamoez 5763 Traktaat Zevachiem 41 - 47 Nr. 22

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 217 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 41b Hij doet het met de bedoeling van de eerste

De suggestie van de Lubliner Rebbe

Op de eerste daf van ons traktaat hebben wij kennis gemaakt met het begrip: „iedereen die [een handeling] verricht, verricht  [het laatste deel ervan] op [basis van] de eerste bedoeling.” In het licht van deze regel legt onze soegia uit dat als een kohen een diskwalificerende gedachte van piĝĝoel heeft op het moment dat hij een kemitsa [handvol] van het mincha offer nam en op het tijdstip van het verbranden ervan [haktara] was hij „stil”, dan is zijn haktara ook piĝĝoel, want „iedereen die [een handeling] verricht, verricht  [het laatste deel ervan] op [basis van] de eerste bedoe­ling”.  Met andere woorden, als hij eerst kemitsa deed met een gedachte van piĝĝoel, dan, zelfs al denkt hij verder helemaal niet meer, dan ver­onderstellen wij dat zijn gedachten nog steeds hetzelfde zijn.

Negen en zeventig jaar geleden, in 5684 [1924] deed de Lubliner Rebbe, Rabbijn Alter Azriël Meïr Eiger zt”l een revolutionaire suggestie om men­sen te redden van de hindernis  van het verbod van interest. In „een sug­gestie aan de leiders van de generatie”, gepubliceerd in Kovets Deroe­sjiem door de Assiociatie van Poolse Rabbijnen [Band 1, deel 2]  probeerde hij een statuut in te voeren waarbij iedereen zichzelf verplichtte ten over­staan van de Rabbijn van de stad, dat al zijn toekomstige handelingen onderhevig zouden zijn aan de voorwaarden van de heter ‛iska. Zij sug­gestie werd als revolutionair beschouwd, hoofdzakelijk wegens de moei­lijkheid om een continue verband te leggen tussen iemands verklaring en al diens toekomstige hande­lingen. De Rebbe vond verschillende steun in gecompliceerde soegiot, een daarvan was de onze, die ver­klaart dat „ iedereen die [een handeling] verricht, verricht  [het laatste deel ervan] op [basis van] de eerste bedoeling.” Als gevolg zullen alle handelingen die iemand verricht, onderhevig zijn aan de bedoelingen die hij voor zijn rav verklaard heeft.

De leiders van die generatie overwogen de idee en drukten hun meningen erover uit in de volgende nummers van Kovets Deroesjiem. De halachische discussie breidde zich uit en de Lubliner Rebbe publiceerde sommi­ge antwoorden in zijn Takanat Rabiem in 5690 [1930]. Sommige Poolse autoriteiten, zoals de Gaon van Lublin Rabbi Eliahu Klatzkin, HaGaon Rav Meïr Arik, Maharash Engel, de Gerer Rebbe [auteur van Imre Emet] hadden de neiging om in te stemmen met het voorstel als een „reddingsmiddel” in dringende omstan­digheden [besja’at hadchak], onder bepaalde beperkingen. De Lubliner Rebbe besloot ten slotte zijn sug­gestie in praktijk te brengen met sommige van de beperkingen, maar het werd niet populair.

In zijn Misjnat Aharon [Responsa I:20] legt HaGaon Rav Kotler zt”l een aantal verschillen uiteen tussen het geval en onze soegia en de Lubliner Rebbe’s suggestie: (1) Alle handelingen voor een offer vullen elkaar aan. Dat is de reden waarom „hij ze doet met de bedoeling van de eerste”, want er bestaat verband tussen de han­delingen. Maar iemands wereldse handelingen hebben geen verband met elkaar en hoe kunnen wij weten of zijn handelingen die hij deed in de maand Tamoez met dezelfde bedoeling en gedachten gedaan werden als die hij een half jaar geleden had? (2) In onze soegia zwijgt de kohen tijdens de tweede handeling. Daarom kunnen wij zeggen dat zijn bedoelingen hetzelfde zijn als die hij bij de eerste handelingen bekend maakte. Deze logica gaat niet op in een deal, waarbij twee partners helemaal niet stil zwijgen, maar onder­handelen over een lening op interest. Met andere woorden, zij laten geen vacuüm, dat gevuld kan worden met hun vroegere gedachten. (3) Wij moeten een scherp onderscheid maken tussen de gevallen waar de Tora het heeft over gedachten en waar het heeft over handelingen. Ten slotte, een gedachte van piĝĝoel komt voort uit wat er gebeurt in de gedachten van de kohen [hoewel hij het volgens Rasji moet uitspreken]. Aan de andere kant, het verbod op interest heeft niets te maken met wat men denkt, maar wat men doet, met reële daden.

Daarom is onze soegia van toepassing op een kohen die denkt over het lot  van een mincha-offer. In dat geval bepaalt Tora dat de daaropvol­gen­de, onbewuste gedachten van de kohen voldoende zijn om het piĝĝoel te verklaren. Aan de andere kant, aangaande leningen en interest, kunnen onbewuste gedachten geen legale waarde hebben. Zulke gedachten zijn beperkt en kunnen de gang van zaken in de wereld niet veranderen [zie verder in Berit Jehoeda, hfdst. 40:19; Torat Ribiet 16:32].

Daf 46a Dat leert dat zij voor goed moeten worden opgeborgen

Kan een minderjarige de tefillien van een volwassene leggen?

[In Wajjikra 16, waarin de dienst van de kohen ĝadol op Jom Kippoer beschreven wordt, staat in vers 23 dat nadat de zondebok de woestijn in gezonden is, „Aharon zal komen naar de Tent der samenkomst; dan zal hij uittrekken de linnen kleren waarin hij gekleed was toen hij het heiligdom binnenging, en ze daar neerleggen.”] Onze soegia citeert een meningsverschil tussen Rabbi Dosa en de Chacha­miem over de vraag of een gewone kohen gedurende het jaar de kleren mag aantrekken die de kohen ĝadol droeg tijdens zijn dienst op Jom Kip­poer. Volgens Rabbi Doza mag dat, maar de chachamiem zeggen: „Dat [vers] leert dat zij voor goed moeten worden opgeborgen,” want kunnen „kleren die gebruikt werden voor een hoge graad van heiligheid, naderhand gebruikt worden voor een lichtere graad van heiligheid?” [Joma 12b].

Sommigen willen van deze gemara leren, dat een minderjarige, die te­fillien legt, niet de tefillien van een meerderjarige mag leggen, omdat de mitswa die hij doet, niet gelijk staat aan die van de meerderjarige [een minderjarige, d.w.z. onder de dertien jaar, heeft geen mitswa – verplichting – om tefillien te leggen]. In dat geval worden de tefillien, wanneer zij aan de min­derjarige gegeven worden, omlaag gebracht  van een ernstige vorm van heiligheid naar een lichtere heiligheid, zoals de kleren van de kohen ĝadol die daarna door het jaar door een gewone kohen gedragen wor­den.

Degenen die deze mening aanhangen, voegen daaraan toe dat de Ge­ma­ra [in Arachien 2b, Soeka 45a] met opzet de woorden: „een minder­jarige… zijn vader koopt voor hem tefillien” gebruikt – „koopt”, want hij moet hem niet de tefillien geven die door een volwassene gebruikt zijn [en zie Tosafot, Arachin, id. en Haĝahot Rasj Toibesj, id. aan het eind van de Gemara].

HaGaon Rav M. Sternbuch verwerpt deze gedachte in zijn Hilchot HaGra Oeminhaĝav [p.78]. Volgens hem moet men het verwisselen van een voorwerp van een zware heiligheid naar een lichte heiligheid alleen ver­mijden bij kleren, zoals die van de kohen, waarbij de naam van de kleren veranderen van „de kleren van de kohen ĝadol “ naar „de kleren van een gewone kohen”. De tefillien zijn het onderwerp van een mitswa en hun naam is niet intrinsiek verbonden met de gebruiker. Ten slotte, we kun­nen ons niet voorstellen dat een minderjarige de loelav niet zou mogen gebruiken, die door een volwassene werd gebruikt, omdat anders de heiligheid ervan vermindert. Het feit dat een volwassene het gebruikte, maakt er nog geen „loelav van een volwassene” van en hetzelfde geldt voor tefillien.

Overeenkomstig zouden wij kunnen veronderstellen dat een talliet van een volwassene niet aan een kind gegeven zou mogen worden. De Misjna Beroera [15:1] beslist in naam van de artsot HaChajiem dat men inderdaad niet de tsietsiet van de kleren van een minderjarige moet over­brengen op die van een minderjarige,  omdat de minderjarige alleen maar bij rabbijns decreet verplicht is tsietsiet te dragen. Echter, een talliet is op zichzelf geen mitswa, maar tsietsiet maken een talliet geschikt om te dragen en de verwijdering ervan voor een minderjarige vermindert hun vroegere functie.

Daf 46b

Het zeggen van lesjeem jichoed: meningen en gewoonten.

In vele siddoeriem staat voordat men  tsietsiet omdoet en tefillien legt, voordat men Beroech Sjeamar zegt of de Omer telt, dat men eerst zegt: „Lesjeem jichoed koedesja beriech hoe oesjechinteih … bejichoeda sjeléma besjeem kol Jisraël [voor de vereniniging van Hasjem en Zijn Sjechina … door middel van het verborgene in naam van heel Israël]. De zin stamt uit de Kabbalistische siddoeriem en heeft verschillende noesachiem en volgens Rabbijn Elazar Felkeles zt”l [ de beste leerling van de Noda BiJehoeda en de opvolger van diens rabbinale positie] in zijn Tesjoeva Meiahavah [Responsa I:90] werd het omstreeks het jaar 5300 [1540] geïntroduceerd. In die tijd ontstond een felle discussie over de vraag of men het wel of niet moest zeggen. De schrijver van Chavot Jaïer, aan wie gevraagd werd het te verklaren, antwoordde bescheiden dat hij het niet begreep. Echter met de verbreiding van de Chassidische beweging, welke vele kabbalistische elementen aannam, werd het zeggen van Lesjeem jichoed wijd verspreid. De schrijver van Noda BiJehoeda [Responsa, 1ste ed., J.D. 93 en zie 2de ed., O.Ch. 107] verzette zich sterk tegen het zeggen ervan, gezien tegen de achtergrond van de periode van de valse messias Sjabtai Zwi en de als gevolg daarvan invoerde beperkingen op het leren van Kabbala [Soekat Sjalom, klal 2]. Als een van zijn argumenten noemt hij de soegia van stama lisjma als volgt:

We hebben geleerd dat stama lisjma – d.w.z. als iemand die een offerdier slacht voor een ‛ola en niet daarbij zei dat het voor een ‛ola was, maar stil zwijgt, dat het dan niet gediskwalificeerd is, omdat het duidelijk is dat het dier voor dat doel geslacht wordt, ook al wordt dat er niet expliciet bij vermeld. Niet alleen dat, maar de gemara legt uit dat het beit din heeft vastgesteld dat de kohen niets moet zeggen, opdat hij niet in de war wordt gebracht en daardoor het offer ongeldig maakt. Daarom, schrijft hij, „zoveel te meer [geldt dit] voor de bedoeling van gebed en de mitswot, die gecompliceerd zijn en die zoveel verdenkingen meedragen dat basisprincipes eruit worden weggesneden, zoals wij in feite gezien hebben, daar is het duidelijk dat wij zulke bedoelingen moeten weglaten en het is voldoende als men de mitswa doet voor de mitswa.”

Zijn woorden ontketenden een stormachtige discussie, niet alleen tussen de Chassidiem en de Mitnaĝdiem, maar ook binnen beide kampen zelf. Onder de opinies komt die van HaGaon Rabbijn Chajiem van Tsjernovitz, de schrijver van Beër Majiem Chajiem [aan het eind van zij Sja’ar Hatefilla], die zich verwonderd over de vergelijking tussen mitswot en kodesjiem: stama lisjma is omdat het offer al geheiligd is, maar be­treffende het doen van mitswot, hoe weten wij dat stama is lisjma? [d.w.z. bij het offer mogen wij veron­der­stellen dat degene die het offerdier slachtte, dat deed voor het doel waarvoor het bestemd is, zonder dat hij dat expliciet vermeldde (stama lisjma) omdat het dier reeds door de eigenaar voor het desbetreffende offer bestemd was. Maar dat geldt niet voor een mitswa.]

Het vermijden van verwarring als men zich concentreert op de heilige namen: Wat betreft de verdenkingen van de Noda BiJehoeda over het zich vergissen in de bedoelingen van mitswot, merkten velen op naar  aanleiding van Tosafot [2b, s.v. Atnoe], die verklaart dat er een verdenking van verwarring alleen bestaat bij offers, waarbij de kohen zou kunnen denken dat het ola dat voor hem ligt een sjelamiem-offer is. Maar bij mistwot, hoe kan men daarbij in de war raken? Maar sommigen verklaren dat de vrees van de Noda BiJehoeda verbonden was aan die verborgen bedoelingen en verenigingen van Namen, die makkelijk verward kunnen worden, zoals kennelijk uit zijn woorden blijkt [Responsa Chesed LeAvraham, e.a.].

Tegenwoordig is het de gewoonte van de meeste Chassidische gemeenten om Lesjeem jichoed te zeggen voor iedere mitswa. Aan de andere kant, noemt de siddoer van de Ba‛al HaTanja het uitsluitend voor Baroech Sjeamar. Een van de redenen die gegeven worden, is dat volgens hem de beracha voor een mitswa reeds alles inhoudt dat met Lesjeem Jichoed bedoeld wordt, maar aangezien er geen beracha voor het gebed bestaat, moest de auteur van de Tanja Baroech Sjeamar wel vooraf laten gaan door Lesjeem jichoed [Hachana lemitswa, id. 10]. Er wordt verteld dat Rebbe Aharon van Belz Lesjeem jichoed, dat voor de Omertelling gezegd wordt, op één van die dagen oversloeg en sommigen zeggen dat dit was op 17 Ijar, de Jahrzeit van de Noda BiJehoeda. Poskiem die niet behoorden tot de chassidische  beweging noemen Lesjeem jichoed ook, zoals Chochmat Adam [klal 151:12] en in het voorwoord van Or Hasjaniem door de auteur van HaPardes. In zijn voorwoord van Sjeev Sjema’atsa schrijft de auteur van Ketsot hachosjen dat „het passend is voor iedereen om voor iedere goede daad en voor het leren zich op Lesjeem jichoed, enz. te concentreren en op zichzelf de mitswa te accepteren dat „je je naaste moet liefhebben als jezelf”. De Malbiem [Artsot HaChajiem 28:29] schrijft ook „Allen die Hasjem vrezen, hebben reeds de gewoonte aangenomen om het te zeggen.”

Daarentegen zeggen de meeste gemeenten die volgens de Asjkenazische noesach davvenen, geen Lesjeem jichoed, in navolging van de Gaon van Wilna, die volgens Ma’asé Rav [69] zegt dat men niets moet zeggen voor of na de Omertelling, behalve „Moge het Zijn wil zijn dat de Tempel spoedig herbouwd wordt,” enz.

Daf 47a

Tachtig antwoorden op één vraag

In onze  gemara staat: „Rabbi Elazar bar Rabbi Jossi heeft gezegd: ‘Ik heb gehoord dat de eigenaar piĝĝoel veroorzaakt’.” Volgens hem kan niet alleen een kohen het offer ongeldig maken met een gedachte aan piĝĝoel [dat het gegeten zal worden buiten de voorgeschreven tijd], maar de eigenaar van het offer kan dat op dezelfde manier.

Een vraag die ontstaan was in de beit midrasj van Rabbijn Chajiem Berlin, de zoon van de Netsiev, werd in alle leercentra over de hele wereld bediscussiëerd. In zijn Sdei Chemed verzamelde HaGaon Rav Chizkia Medini de antwoorden van buitengewone talmidei chachamiem op deze vraag. Er werd aan de vraag zelfs  een heel Tora-werk gewijd, Gevoerot Sjemoniem, dat volgens de auteur ervan, HaGaon Rav Joseef Engel „één vraag en tachtig antwoorden” behandelt. Zijn leerlingen vertelden dat hij nog veel meer antwoorden had, maar dat hij volstond met tachtig ervan te publiceren en die gaven het boek zijn unieke naam.

De vraag: Als de eigenaar piĝĝoel veroorzaakt, kunnen wij een sota [dat is een vrouw die verdacht wordt van overspel] niet in de Tempel testen, want voordat zij het vloekingswater drinkt, moet de kohen haar mincha-offer brengen [Sota 23a, s.v.Kol].  De sota, die zeker bewaard wil worden van de vloek, zal ervoor zorgen dat de mincha piĝĝoel is en zonder het mincha-offer test het water haar niet [Sota 20b]! Rav Berlin schrijft dat dit probleem alleen ontstaat volgens de redenatie van Rambam, die stelt dat piĝĝoel ook veroorzaakt kan worden door de gedachten eraan alleen. Echter volgens Rasji, die zegt dat piĝĝoel uitgesproken moet worden, is er geen probleem, want men kan beletten dat de sota iets zegt.

Ze kan uit de Azara gebracht worden: De vijfde van de 80 antwoorden is gebaseerd op Tosafot, die beweert dat een gedachte van piĝĝoel een offer alleen diskwalificeert als hij in de Azara gedacht wordt. In dat geval kan men de Sota naar buiten brengen als het mincha geofferd wordt.

We dwingen haar het tegendeel te zeggen: In het 37ste antwoord adviseert Rav Engel dat de vrouw gedwongen wordt expliciet te zeggen dat het mincha gegeten zal worden binnen de voorgeschreven tijd en op de voorgeschreven plaats. Daarna, ook al denkt zij nog zo fanatiek dat het piĝĝoel is, kan zij niets meer ongeldig maken [volgens Pesachiem 63].

De kohen verdrijft haar gedachten: In het 18de antwoord vinden wij een idee dat gebaseerd is op een fijn bewijs van Rasji op onze soegia [s.v. Sjamati], dat de eigenaar alleen maar piĝĝoel kan veroorzaken als de kohen blijft zwijgen. Maar wanneer de kohen zijn juiste bedoelingen verkondigt, kan de eigenaar geen piĝĝoel veroorzaken.

Piĝĝoel is alleen van toepassing op sjelamiem en todot: Rav Zeëv Jitschak HaLevi Dünner uit Duitsland stelde als antwoord voor, dat de eigenaar alleen piĝĝoel kan veroorzaken bij Sjelamiem en todot, waarvan zij het vlees opeten, maar niet van een asjam, chataat of mincha, waar zij niet aan deelnemen.


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.