Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il
28 Tamoez 5763 Traktaat Zevachiem 47-48 Nr. 23

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 218 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

 Daf 47a Kodesjei kodosjiem worden in het noorden geslacht

Het gebruik van een gewoon slachtmes in de Tempel

Wij weten dat al de avodot [meervoud van avoda dienst] in de Tempel alleen werden gedaan met klei sjaret [meervoud van klie sjaret d.w.z. met heilige voorwerpen] die speciaal voor dat doel gewijd waren. Maar Rabbijn Efraïm, één van de Auteurs van de Tosafot [Tosafot, s.v. Eize mekoman] beweert dat offers ook met een gewoon slachtmes geslacht mogen worden. Dit bewijst hij met behulp van een andere misjna, die zegt: Kodesjei kodosjiem worden geslacht aan de noordzijde en hun bloed wordt opgevangen in een klie sjaret aan de noordzijde. Het feit dat de misjna alleen maar een klie sjaret noemt in verband met het opvangen van het bloed en niet ook in verband met het slachten, bewijst dat wij geen mes nodig hebben dat een klie sjaret is. Hoe kan dat?

De waarheid is dat wij ons hier over moeten verwonderen. Tenslotte hebben wij hierboven [14b] geleerd dat het slachten [van een offerdier] niet beschouwd wordt als een avoda, hetgeen bewezen werd uit het feit dat een niet-kohen een offerdier mag slachten. Als gevolg hiervan is het duidelijk dat er geen noodzaak bestaat dat het mes een klie sjaret is. Echter HaGaon Rav Isser Zalman Meltzer ztl [Even HaAzal, kodosjiem, Hilchot Maasee Hakorbanot, 4:7] vestigt onze aandacht  op een andere handeling die verricht wordt met de offers en die ook niet beschouwd wordt als een avoda en die ook door een niet-kohen gedaan mag worden, maar waar niettemin een klie sjaret gebruikt moet worden namelijk het mincha-offer. De materialen die voor het mincha-offer gebruikt werden waren meel, olie, enz. Zij werden door de eigenaar naar de Tempel gebracht en in een klie sjaret gedaan. Het doen in een klie sjaret, waaruit de kohen een handvol nam en dat op het altaar offerde, is geen avoda. Daarom mag de eigenaar het zelf in de schaal doen, maar het moet wel een klie sjaret zijn! Hier hebben we een handeling met een offer dat niet beschouwd wordt als avoda, dat gedaan mag worden door een niet-kohen, maar wat wel een klie sjaret vereist. Nu moeten wij begrijpen waarin het slachten van offerdieren verschilt.

De twee functies van de klei sjaret: Rav Meltzer verklaart dit als volgt: een klie sjaret heeft twee functies: (1) om datgene wat er in gelegd is, heilig te maken, zoals het mincha of het reukwerk, die niet volledig heilig zijn totdat zij in een klie sjaret gedaan zijn [totdat zij daarin gedaan zijn mogen zij in principe gelost worden]; (2) om de dienst in de Tempel met heilige voorwerpen te doen verrichten. Het offer hoeft niet gewijd te zijn met een gewijd mes, want het was reeds gewijd door de eigenaar. Slachten wordt ook niet als een avoda beschouwd. Er is daarom geen reden om een offerdier dat geslacht werd met een gewoon mes, te diskwalificeren. Aan de andere kant, een mincha moet in een klie sjaret gedaan worden om gewijid te worden.

Wie wijdde de Tempelmessen? HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach ztl vroeg, dat als dit zo is, dan blijkt dat er geen gewijde messen in de Tempel waren, daar er een welbekende regel geldt voor klei sjaret, dat hun dienst hen inaugureert [Joma 12b, enz.]. Met andere woorden, de voorwerpen van de Tempel worden gewijd door een kohen die in de Tempel dienst doet met dat voorwerp, met het doel het te wijden. Als dat zo is, hoe kon dan Rambam schrijven [Hilchot Maasee HaKorbanot, 4:5] dat bijvoorkeur [lechatchila] men met een gewijd mes moet slachten? Er bestonden helemaal niet zulke messen, want slachten is geen avoda en iemand die slacht met een gewoon mes, kan dat nooit wijden.

Rav Isser Zalman antwoordde hierop [id. p. 126] dat wij het slachten niet helemaal kunnen loskoppelen van de avodot. Het slachten is het begin van de avoda en als resultaat daarvan heeft de wijding wel degelijk effect als men een offerdier slacht en daarbij ook de bedoeling heeft om het mes met die handeling te wijden. Echter, het hangt er niet vanaf of een offer geslacht werd met en klie sjaret om het geschikt te verklaren als offer [hier dient te worden opgemerkt dat er andere meningen in Tosafot zijn die het hier niet mee eens zijn en die beweren dat het slachten wel degelijk met een klie sjaret gedaan moet worden; zie Ramban en Ritva, Choelien 3a en Sefer HaMafteach op Rambam, ibid].

Daf 48a En waar staat er geschreven dat een olah in het noorden [geslacht moet worden]?

De verdienste van de as van Jitschak

Onze misjna [op daf 47a] zegt dat al de kodesjei kodosjiem geslacht worden aan de noordzijde dat wil zeggen aan de noordzijde van het altaar, zoals de Tora zegt [Wajjikra 1:11]: ' [ ] En hij zal het slachten aan de zijkant van het altaar ten noorden enz. De Sjoelchan Aroech [O.Ch. 1:8] schrijft over dit vers: Wanneer men de korbanot leest, moet men het vers En hij zal het slachten aan de zijkant van het altaar ten noorden voor Hasjem zeggen. De reden dat men dit vers moet zeggen komt uit de Midrasj [Wajjikra Rabba 2:11], waar staat: Wanneer de Joden het Tamied [het dagelijks offer] brengen op het altaar en daarbij zeggen ten noorden, voor Hasjem, dan herinnert de Heilige, Geloofd zij Hij, zich het offer van Jitschak. De Midrasj voegt hieraan toe dat steeds wanneer iemand dit vers zegt, Hasjem zich het offer van Jitschak herinnert [Beër HaGola, gebaseerd op de Risjoniem]. Deze dingen zijn natuurlijk verborgen en verheven, maar daar wij[1] dit vers iedere dag zeggen, moeten wij nagaan wat het verband ervan is met de akeida [de binding van Jitschak op het altaar].

De midrasj zegt dat de as van Jitschak, dat wil zeggen de as van de ram die in zijn plaats geofferd werd, verbor-gen is in de Berg Moria. HaGaon Harav Meïr Simcha uit Dvinsk ztl schrijft [Mesech Chochma, Wajjikra 1:10] dat dit betekent dat sedert Awrahams toegewijde zelfopoffering, de vrijheid van keuze van de Joden bijna verdwenen is, wegens het pad en de richting die hij voor ons heeft opengelegd. Daarom is de as van Jitschak verborgen [tsafoen] voor Hem, van roeach tsafon de noor-delijke richting,  welke het meest open en onbelemmerd is. Het resultaat is, zo verklaart hij, dat ons geboden werd aan de noordzijde van het altaar te slachten om daarmee Hasjem aan de as van Jitschak te herinneren. Dat ruimt belemmeringen op belemmeringen en richt onze aan-dacht op Hem. Overeenkomstig deze verklaring kunnen wij de midrasj enigszins begrijpen, dat wanneer iemand het vers ten noorden voor Hasjem zegt, Hasjem zich het offer van Jitschak herinnert.

Op deze manier gaat hij verder met zijn uitleg, waarom de Tora pas in de tweede paragraaf van Wajjikra de noordzijde noemt, als het spreekt over een olah van tson   kleinvee, dat wil zeggen schapen of geiten want de as van Jitschak was van een ram! Daarom is het passend om het begrip tsafon te noemen bij een soort offer dat gelijkenis vertoont met dat wat in de plaats van Jitschak geofferd werd. Dit is ook de reden dat onze Gemara beweert dat een olah van een vogel niet in het noorden geslacht wordt, waarbij als reden wordt opgegeven dat een schaap of een geit geslacht worden met een klie [voorwerp], terwijl een vogel geslacht wordt met een vin-gernagel. Daar het slachten in het noorden bedoeld is als een aandenken aan de as van Jitschak en daar de halacha, dat men moet slachten met een mes, ook geleerd wordt van het offer van Jitschak zoals ons verteld wordt [Bereisjiet 22:10]: en hij nam het mes [maächèlet] [Zevachiem 97b] daarom wordt een vogel niet met een mes geslacht, want dat offer doet ons niet denken aan de as van Jitschak.

Mesech Chochma [Bamidbar 7:12] noemt ook het commentaar van Rabbijn Awraham Ibn Ezra, die verklaart dat de offers ten noorden van het altaar geslacht werden omdat kodeseji kodosjiem beschouwd worden als te worden gebracht op een tafel voor Hasjem. Daarom moeten zij in één lijn met de sjoelchan tafel met de toonbroden geslacht worden, die aan de noordzijde van de Heichal de voorhal van de Tempel stond. Mesech Chochma schrijft dat dit een heel mooie verklaring is [en zie aldaar wat hij daarover te vertellen heeft].


 

[1] Deze zin staat in iedere siddoer, van elke noesach, achter de afdeling van het korban hatamied, behalve in de 24ste druk van de Nederlandse siddoer, waar het, vermoedelijk ten gevolge van een drukfout, uit is weggelaten [zie blz. 9]. In de daarop verschenen uitgave met vertaling door Jitschak Dasberg is het weer opgenomen [zie blz. 10]. Wie nog gebruik maakt van de 24ste uitgave, doet er goed aan deze zin in de open ruimte erbij te schrijven (Zwi).