Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
3 Eloel 5763 Traktaat Zevachiem 76 - 82 Nr. 24

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 222 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 78a

Smaak is als het voedsel zelf: messen horen te worden vertiend!

In nummer 208 zijn wij uitgebreid ingegaan op het begrip ta’am ke’iekar, hetgeen bepaalt dat de smaak van voedsel gelijk gesteld wordt aan het voedsel zelf en dat alle halachot die gelden voor het voedsel, ook voor de smaak gelden. Daarom, wanneer twee soorten voedsel samen gekookt worden, beschouwen we de kleinere hoeveelheid voedsel niet als een minderheid in een meerderheid. De smaak van de minderheid wordt door het hele mengsel geproefd, en het is daarom geen minderheid. Wij zullen ons nu concentreren op een prak-tisch gevolg van dit principe.

Het scheiden van challa van een vlees pastei: Daar wij de smaak van voedsel moeten beschouwen als het voedsel zelf, kan er een situatie ontstaan, waarin iemand de mitswa van het afscheiden van challa van vlees kan uitvoeren! Hoe is dat mogelijk? Wanneer wij een vleespastei hebben, dan wordt de smaak van het deeg geabsorbeerd door het vlees. Daarom moet men iets van het pasteideeg als challa afscheiden zowel voor het deeg als ook voor de smaak ervan in het vlees [zie Beit Joseef, J.D. 324, id. S.K. 24; Mechanee Efrajiem, Hilchot Ma’aser 12; Chazon Iesj, Demai 13:5].

Kersen gebruikt om challa af te scheiden: Niet alleen dat, maar de Chazon Iesj [Demai, id.] zegt zelfs dat challa mag worden afgescheiden met fruit. Bijvoorbeeld wanneer kersen samen met deeg worden gebakken en de smaak ervan absorberen, dan kan men de smaak van het deeg in de kersen beschouwen als het deeg zelf en de kersen kunnen als challa afgezonderd worden [zie Chazon Iesj id. 15:9, betreffende de hoeveelheid die nodig is om Teroema en ma’aserot af te scheiden en betrefende het lossen van de ma’aser sjenie].

Het afscheiden van teroema van de smaak van fruit dat in een mes geabsorbeerd is: Daar ta‛am ke’iekar is, moet iemand die citroenen mee naar huis neemt die tevel zijn [d.w.z. waarvan nog geen teroema en ma’aser is genomen], en ze met een mes snijdt en dan teroema en ma’aser afscheidt, op het moment van de afscheiding de smaak van het fruit dat in het mes geabsorbeerd is, in gedachte houden, want het mes is nu ook tevel. Echter, wanneer hij daar niet aan gedacht heeft, menen verscheidene poskiem dat men bedi’avad soepel mag zijn [zie Rambam, Hilchot Teroemot 4:21], daar Chazal bepaald hebben dat iedere afschei-ding van Teroema enz. ook geldt voor de smaak van tevel  die ergens anders in geabsorbeerd werd [zie Derech Emoena, Béoer Halacha, beg.w. Sjetenai beet din hoe].

Bestaat er een verbod van chameets voor de smaak ervan? Wij moeten nog een principiële vraag beantwoorden. Wij hebben gezien dat voor de smaak van voedsel alle halachot gelden die voor het voedsel zelf gelden, waarvan de smaak afkomstig is. Maar Raävan [Avoda Zara, din 313] beslist dat een issoer als niet bestaand wordt beschouwd, wanneer het geabsorbeerd is een een voorwerp, dus als iemand met Pesach keliem in huis heeft met de smaak van chameets daarin geabsorbeerd, dan overtreedt hij niet het verbod dat chameets niet bij hem gezien of gevonden mag worden. Dus kennelijk alleen als de smaak geabsorbeerd wordt in ander voedsel, wordt het beschouwd als het voedsel zelf, maar wanneer het alleen maar geabsor-beerd is in een klie, is het geen voedsel en wordt het dus ook niet beschouwd als chameets. Daarom moeten wij begrijpen hoe wij teroema kunnen afscheiden van smaak die in een klie geabsorbeerd is. Ten slotte, zoals smaak geen chameets is, zolang het geen voedsel is, is het ook geen tevel als het geen voedsel is.

Verboden voedsel zonder verboden: Dit probleem, opgeworpen door HaGaon HaRav Sjlomo Zalman Auerbach zts”l [Ma’adanei Erets, Hilchot Teroemot, hfdst. 2, eind halacha 1] wordt besproken door HaGaon HaRav Chaim Keniëvski [Derech Emoena, Hilchot Teroemot 4:21 in Béoer Halacha], die dat als volgt uitlegt: Ondanks het feit dat op de smaak, zolang als het is afgescheiden van het voedsel en er niet mee vermengd is, de verboden van het voedsel waarvan het afkomstig is, niet van toepassing zijn, wordt het toch „voedsel” genoemd, maar dan zonder de verboden. Daarom hebben wij [in de geabsorbeerde klie] voedsel, waarvan teroema en ma’aserot  niet zijn afgescheiden en er bestaat geen reden om het er niet van af te scheiden, maar de ver-boden die gelden, als men het niet afscheidt, zijn niet aanwezig in de huidige vorm van het voedsel [zie ibid voor zijn bewijs en hij concludeert: „maar er is niettemin enige noodzaak tot verder onderzoek”].

Daf 80a Neem er niets van af!

Men moet op straat de tsietsiet  van een talliet afscheuren!

In onze soegia maken wij kennis met de negatieve mitswa: „Neem er niets van af” [Dewariem 13:1]. In de Talmoed wordt wordt hiervan een voorbeeld genoemd, namelijk met betrekking tot het sprenkelen van het bloed van een offerdier op het altaar door de kohen. Soms moet het bloed viermaal gespat worden [matanot] op het altaar en een kohen die dat slechts driemaal doet, overtreedt het verbod van „Neem er niets van af”, want hij neemt iets af van een mitswa.

In zijn Toerei Even [aan het eind van Avnei Miloeiem op Rosj Hasjana 28] schrijft de auteur van Sjaägat Arjee dat hij meent dat het verbod van „neem er niets van af” ons gebiedt geen onvolledige mitswa te doen, zoals de kohen die het offerbloed slechts driemaal sprenkelt in plaats van viermaal. Echter, iemand die een positieve mitswa negeert en haar helemaal niet uitvoert, overtreedt het verbod van „neem er niets van af” niet, want dat houdt in dat men iets afneemt van de uitvoering van de mitswa en niet het volledig weglaten van de mitswa.

Gebaseerd op deze veronderstelling, doet de Toerei Even een interessante suggestie. Wanneer iemand een onvolledige mitswa doet, zodanig dat het beschouwd kan worden dat hij de mitswa in het geheel niet gedaan heeft, overtreedt hij kennelijk niet het verbod van „neem er niets vanaf”. Alleen wanneer men een mitswa onvolledig doet, overtreedt men dit verbod, maar daar hij, ten gevolge van dit „afnemen” beschouwd wordt alsof hij de mitswa niet heeft uitgevoerd, heeft hij het verbod van „neem er niets van af” niet overtreden!

Wanneer wij deze veronderstelling willen testen, moeten wij naar een halachisch voorbeeld zoeken van een „afnemen van een mitswa” dat beschouwd kan worden als het in het geheel niet uitvoeren van die mitswa, en nagaan of hij het verbod „neem er niet van af” heeft overtreden. Een uitstekend voorbeeld is iemand die probeerde de mitswa van de ‘arba miniem [de vier soorten – de loelav] te doen met slechts drie. Hij wordt niet beschouwd als iemand die de mitswa gedeeltelijk heeft gedaan, want bij afwezigheid van de vierde soort hebben de andere drie geen betekenis. Dus kennelijk heeft hij het verbod van „neem er niet vanaf” niet overtreden want hij heeft geen onvolledige mitswa gedaan: hij heeft helemaal geen mitswa gedaan.

Maar Toerei Even citeert Sifrei [parasjat Reëh] dat expliciet zegt dat iemand die van de vier soorten iets afneemt, het verbod van „neem er niets vanaf” wel overteedt! Wij zien dus, dat iemand die een onvol-ledige mitswa doet, ook het verbod van „neem er niets vanaf” overtreedt, ondanks dat hij beschouwd wordt als iemand die helemaal geen mitswa gedaan heeft. Deze veronderstelling bracht HaGaon Rabbi Akiva Eiger er toe om te beslissen dat iemand soms zijn tsietsiet moet losscheuren [of verwij-deren]! De halacha is [Sjoelchan Aroech, O.Ch. 13:3] dat als iemand op straat loopt en ontdekt dat één van zijn tsietsiet afgescheurd is, hij naar huis moet rennen om zijn talliet af te doen, daar het verboden is om een vierhoekig kledingstuk te dragen zonder tsietsiet, maar hij hoeft het op straat niet uit te doen wegens kewod haberiot [menselijke waardigheid]. Rabbi Akiva Eiger schrijft in zijn aantekeningen op de Sjoelchan Aroech dat in ieder geval hij de andere drie tsietsiet  moet verwijderen, want zolang die nog aan het kledingstuk zitten, volvoert hij de mitswa van tsietsiet onvolledig – drie in plaats van vier – en daarmee overteedt hij het verbod van „neer er niets van af”. Hij moet ze verwijderen en dan is hij alleen maar schuldig aan het niet doen van de positieve mitswa van tsietsiet [een negatieve mitswa, d.w.z. de overtreding van een Tora-verbod zou hem niet zijn toegestaan voor kewod haberiot].

Rabbi Akiva Eiger voegt er nog een belangrijk punt aantoe. Wij hebben uitgelegd dat iemand die een onvolledige mitswa doet, het verbod van „neem er niets van af” overtreedt, hoewel hij niet beschouwd wordt als iemand die de mitswa [gedeeltelijk] gedaan heeft. Het is mogelijk dat alleen iemand die on-volledige tsietsiet draag voor de mitswa het verbod van „neem er niets van af” overtreedt. Als hij ech-ter niet de bedoeling heeft om de mitswa daarmee te vervullen, waarom zouden wij dan zeggen dat hij het verbod „neem er niets van af” overtreedt? Ten slotte doet hij helemaal geen mitswa, zodat hij ook geen onvolledige mitswa doet en het is zelfs niet zijn bedoeling om een mitswa onvolledig uit te voeren, dus waarom moet hij gestraft worden? Allleen iemand die de bedoeling heeft om een mitswa onvol-ledig uit te voeren, zoals de kohen in onze soegia die de mitswa met drie matanot tracht uit te voeren, die overtreedt het verbod, maar iemand die geen bedoelingen heeft, niet. Daarom, schrijft hij, is het mogelijk dat, nadat men één tsietsiet eraf getrokken heeft, die persoon niet meer de bedoeling heeft om de mitswa van tsietsiet te doen en dat hij dan niet meer verplicht is om de andere drie tsietsiet te verwijderen, maar hij moet zich wel naar huis haasten om het kledingstuk uit te doen [zie een nader onder-zoek van de opmerking van de Toerei Even in Responsa Beit HaLevi deel I:42 en zie Béoer Halacha 34, aan het eind van se’ief].

Daf 80a – Er is vermenging

Het verschil tussen zoete wijn en zeewater en tussen regenwater en bronwater

Onze soegia behandelt een basisprobleem van de halacha voor mengsels: Is er biela [vermenging van vloeistoffen]? Met andere woorden, wanneer twee vloeistoffen samenkomen, moeten wij vermoeden dat zij aparte bestanddelen vormen van een vloeistof dat niet bestaat uit een mengsel van beide vloei-stoffen, maar slechts uit een enkele daarvan of is er misschien biela en is het mengsel volkomen homogeen? Om de invloed op de halacha van de regel „er is biela” duidelijk te maken, hebben wij een interessant probleem gekozen dat vele jaren geleden opkwam voor de poskiem in Jeroesjalajiem.

Een boom die gevoed wordt uit een riool: Een boom groeide eens naast een riool en trok daar water uit. Iemand die daar dichtbij woonde, vroeg zich af of het op Sjabbat verboden was water in de gootsteen te gooien, daar het water in de riool afgevoerd werd en daarmee zou hij de boom op Sjabbat bewateren [en op Sjabbat mag men bomen en planten geen water geven]. Het riool was ook daarvóór reeds vol, maar aangezien er biela is, moeten wij aannemen dat iedere druppel water die toegevoegd wordt, vermengd wordt met de rest en daardoor wordt de boom op Sjabbat gevoed met het hele mengsel. Dit vraagstuk werd uitgebreid bediscusiëerd door de poskiem en daar het probleem hoofdzakelijk de halachot van Sjabbat betreft, zullen wij daar uitgebreid op terug komen wanneer wij aan traktaat Sjabbat toekomen [zie Responsa Har Zwi, O.Ch. deel I, 135; Responsa Minchat Sjlomo, deel I:5 en 91].

Hoewel de halacha is vastgesteld dat er biela is, hebben poskiem hun meningen gegeven over uitzonderlijke vloeistoffen die niet zo duidelijk met andere vloeistoffen vermengen, dat zij zonder twijfel beshouwd kunnen worden als dat er biela is. Chavot Jaïer [Responsa 110] en de Chatam Sofer [Responsa J.D. 214] halen de Gemara in Makkot 4a aan, dat wanneer een vat met wijn in de zee valt en opensplijt, men niet onmiddellijk op die plaats mag onderdompelen [touwelen voor tahara], want mogelijk dompelt hij dan onder in wijn in plaats van in zeewater [zie daar, Tosafot, beg.w. Amar, dat hasjaka alleen werkt met water]. De vraag is duidelijk: als er biela is, waarom zouden wij dan veronderstellen dat hij in wijn touwelt? Vermengde de wijn zich niet met het zeewater?

Wanneer zoete wijn vermengd raakt met zeewater: Chavot Jaïer legt uit dat Kesef Misjnee [Hilchot Mikwaot 610] een aanwijzing is dat dat alleen wanneer een vloeistof in water gegoten wordt, het mengsel onmiddelijk volledig is. Echter, het vat viel in de zee en brak daar en de wijn stroomde langzaam in het water en het werd er niet in gegoten. Daarom moeten wij in dit geval even wachten totdat het mengsel compleet is. [Niettemin merkt hij op dat deze ver­kla­ring hem niet bevredigt, omdat iemand die daarin touwelt, de wijn door het water roert met zijn bewegingen]. Aan de an­de­re kant citeert de Chatam Sofeer de Ritva [Makkot, ibid], dat het verschil tussen de soegiot voortkomt uit het feit dat zoete wijn zich langzamer vermengd met het zoute zeewater. HaGaon Rav Sjmoeël HaLevi Wosner vertelt over het essentiële verschil tussen ver-schillende soorten water in zijn Responsa Sjevet Halevi [deel V, 128], toen hij dat in werkelijkheid zag in een experiment dat door een expert werd uitgevoerd. In zijn responsa noemt Rav Wosner het onder-werp van hasjaka – de verbinding tussen de otsar van een mikwe, dat bestaat uit regenwater, en het ge­wone mikwe-water. Daar men in regenwater moet onderdompelen en niet in met keliem getapt water, heeft ieder mikwe een otsar – een put waarin zich regenwater bevindt dat zich daarin verzameld heeft van het dak, voordat dat af was en dat water dient gedurende vele jaren voor het mikwe door middel van een gat dat de otsar met het mikwe verbindt en dat het mikwe-water de status van regen-water geeft. Een moeilijke opgave voor plannenmakers van mikwe’s is de bouw van de otsar en het mikwe op zodanige manier, dat het regenwater niet ontsnapt, iedere keer dat het mikwe water vervan-gen wordt en daardoor uiteindelijk verloren gaat.

Het verschil tussen regenwater en rivierwater: In zijn responsum bespreekt Rav Wosner een sug-gestie om de otsar onder het mikwe te plaatsen, in plaats van ernaast. Het risico dat het regenwater geleidelijk aan vervangen wordt door kraanwater, zou dan worden opgeheven, daar het niet logisch is dat het kraanwater – het bovenste water van het mikwe – volledig het regenwater onderin zo vervan-gen. Echter, de expert constateerde dat regenwater lichter is dan bronwater! Wanneer wij regenwater en bronwater in dezelfde container doen, en het regenwater is lichter, dan komt het regenwater boven-drijven. De expert nam bronwater, deed daar een kleurstof in dat niets toevoegde aan het gewicht en mengde dat met het regenwater. Na enige tijd kwam het regenwater bovendrijven. Dus de idee om de otsar onder het mikwe te plaatsen, bracht een nieuw probleem mee, daar het mikwewater kraanwater is, afkomstig van bronnen, zinkt het binnen enkele uren naar de bodem van de otsar, terwijl het regen-water boven komt drijven en de otsar zou ophouden te bestaan. Niettemin kan de otsar in stand blijven door het mikwe continu te verwarmen, daar warm water altijd boven blijft drijven. [Wij moeten opmerken dat dit onderwerp van „een mikwe boven een mikwe” door de Acharoniem wordt besproken. Velen waren geneigd om te zeggen dat men dat niet moet doen en sommigen keurden het idee af. Zie Divrei Chajiem II:88; Responsa Igrot Moshe J.D. 65 en vele ande-ren].

Daf 80a Iedere hoeveelheid die gesprenkeld wordt, reinigt

Kan een druppel water onbeperkt opgedeeld worden?

Zoals wij weten wordt iemand, die onrein geworden is door in contact te komen met een dode, weer rein door besprenkeld te worden met het mei chataat – bronwater, vermengd met de as van een rode koe. Niet iedere soort water kan gebruikt worden voor mei chataat en de misjna in Para, hfdst. 8 noemt de soorten water op, die ongeschikt zijn. Onze Gemara citeert het meningsverschil voor tussen de ge-leerden en Rabbi Eliëzer [Para 9:1| over een druppel gediskwalificeerd water dat in een klie valt waarin zich mei chataat bevindt. De geleerden diskwalificeren het water en Rabbi Eliëzer zegt dat het water tweemaal gesprenkeld moet worden om te reinigen. De Gemara verklaart Rabbi Eliëzers mening na-der [volgens Rav Asji in de versie van Rasji] door te stellen dat het voldoende is om een heel klein beetje van het mei chataat te spatten om te reinigen. Dus als men tweemaal sprenkelt, is degene die gesprenkeld moet worden zeker met een druppel mei chataat bespat, want als we veronderstellen dat de eerste druppel het gediskwalificeerde water bevatte, dan sluit de tweede druppel de twijfel uit [één bespatting echter is niet voldoende volgens Rabbi Eliëzer, want er is geen biela en het is mogeliuk dat de diskwalificerende druppel in tact is].

Tosafot op onze soegia [beg.w. Rav Asji] stelt een interessante vraag: „Hoe kan het zijn, dat de klein-ste hoeveelheid niet in tweeën te delen is?” Met andere woorden, wij moeten ons voorstellen dat de druppel gediskwalificeerd water die in de mei chataat gevallen is, in tweeën te delen is en dan zou het mogelijk zijn dat de twee bespattingen slechts die twee deeltjes bevatten. Tosafot Jom Tov voegt daaraan toe dat iedereen die de natuur bestudeert, weet dat elk ding onbeperkt deelbaar is.

Dit fascinerende onderwerp heeft wetenschapsmensen vele jaren bezig gehouden. Het is interessant dat Rambam deze oude vraag eveneens naar voren brengt in zijn Moree Nevoechiem [deel I, hfdst. 73]. Hij citeert filosofen van zijn tijd, dat materiaal uit ondeelbare deeltjes bestaat. Anderen [id. deel I, hfdst. 71] zijn het daar niet mee eens en beweren dat alles gedeeld kan worden en de meeste Risjomiem die dit onderwerp bespreken [zie Rav Sa’adja Gaons Emoenot Wedeot, maämar 1; Rabbijn Sjlomo Ibn Geviro: Mekor Chajiem, sja’ar 2; en het voorwoord van Rav Y. Ibn Sjmoeël op Moree Nevoechiem, deel II].

Rav Sjalom biedt een fijne oplossing voor het probleem van Tosafot. Hoewel iedere druppel onbeperkt deelbaar kan zijn, hoeft er geen vrees te bestaan dat de twee bespattingen twee helften van dezelfde druppel bevatten. Want opdat een druppel de water massa kan verlaten, wanneer de kohen er mee spat, moet het een bepaald gewicht hebben en een minimaal klein druppeltje zou in de watermassa achterblijven. Daarom mogen wij aan­ne­men dat er geen twijfel bestaat dat één van de twee bespat-tingen geen gediskwalificeerd waterdruppeltje bevat.

Ieder die toevoegt, neemt er iets van af

Waarom verbiedt Tora ons iets aan de geboden toe te voegen? Wij kunnen begrijpen dat het verboden is er iets van af te nemen, maar wat is er verkeerd aan om iets toe te voegen? De Magid van Dubna vertelde de volgende parabel:

Iemand vroeg eens een hamer van zijn buurman te leen. Na enige tijd bracht hij de hamer terug en gaf er een klein hamertje bij.

„Wat is dat?” vroeg de buurman verbaasd.

„Je hamer is bevallen van een klein hamertje”, was het antwoord.

De buurman realiseerde zich met wat voor persoon hij te maken had en nam beide hamers aan zonder daar verder nog een woord over te zeggen. Een week later vroeg de lener een soeplepel te leen en gaf het terug, begeleid door een theelepeltje.

„Wat is dat?”

„Je lepel heeft een dochter gebaard en die is voor jou.”

De buurman nam beide lepels aan terwijl hij in stilte spotte met de onzin van de lener.

Weer ging een week voorbij en de lener vroeg om een kandelaar. Dat verheugde de buurman: wanneer de kandelaar een kind zou krijgen, zou hij een aardig winstje maken. Een week ging voorbij en nog een week en een hele maand, maar de kandelaar kwam niet terug. De buurman klopte op de deur van de lener. „Hoe zit dat met die kandelaar die ik je geleend heb?”

„Die is gestorven”.

„Gestorven? Een kandelaar die sterf? Wat praat je voor onzin? Geef terug!”

„Hij is gestorven. Heel eenvoudig. Als hamers en lepels kinderen kunnen baren, dan kan een kandelaar sterven!”

Dit is wat de Tora bedoelt wanneer ons geboden wordt er niets aan toe te voegen of van af te nemen. Wanneer wij er iets aan toevoegen, zullen wij op den duur er iets van afnemen. Want dan zal je zeggen, dat als je toestemming hebt er iets aan toe te voegen, dat mag je er ook iets van afnemen hier of daar. Daarom: laat de Tora alsjeblieft ongemoeid!

Daf 82b En vlees van het veld, trefa zul je niet eten

Trefa betekent vermengd

Onze soegia verklaart uit het vers „…en het vlees van het veld, trefa, zul je niet eten” [Sjemot 22:30], dat het offer­vlees dat zijn juiste plaats verlaten heeft, verboden is. Tora Temima legt uit dat trefa ‘mengen’ betekent, zoals in „hij mengde [taraf] de loten in de doos” of „een ei in een schaal gemengd [teroefa]”. Dit is wat de Gemara bedoelt: trefa zul je niet eten – men moet geen vlees eten dat van plaats verwisseld is.

Daf 82b Iets dat kan worden afgeleid door middel van een kal wachomer, dat schrijft de Tora soms expliciet.

Zelfs logica heeft een Tora-vers nodig.

Waarom nam de Tora de moeite om een halacha te schrijven die met een kal wachomer ook kan worden afgeleid? [Kal wachomer – letterlijk: licht en zwaar of soepel en streng, is een afortiori argument. Eén van de dertien afleidings regels van de Bijbel. Het bevat de volgende redenering: wanneer een bepaalde strengheid geldt voor een normaal gesproken soepele aangelegenheid, dan moet die strengheid zeker ook gelden voor een zwaarder geval. Het omgekeerde heet ook kal wachomer.] Omdat een kal wachomer logisch is. Iemand zou kunnen denken dat hij de Tora goed begrijpt en dat hij het uiterste daarin bereikt heeft. Maar de tora leert ons dat zelfs datgene dat logisch lijkt, een Tora-vers is, een G‑ddelijk voorschrift en niet een product van menselijk intellect [Bnee Jisaschar, maämar 10].

N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.

 

Bovenstaande teksten zijn woordelijke vertalingen van Meorot Hadaf HaYomi