Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
7 Eloel 5763 Traktaat Zevachiem Nr. 25

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 223 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 87b Wordt de luchtruimte boven het altaar beschouwd als het altaar of niet?

De luchtuimte boven het altaar is als het altaar

Ons hoofdstuk, hoofdstuk negen, Hamizbeach Mekadeesj, leert ons dat ook als offers ongeschikt zijn geworden om op het altaar te offeren, maar desondanks daar toch opgebracht werden, zij niet van het altaar afgehaald mogen worden, want er is ons geleerd dat „alles wat het altaar aanraakt, wordt heilig”  [Sjemot 29:37]. De Gemara vraagt zich nu af of de „luchtruimte boven het altaar te beschouwen is als het altaar”, d.w.z. of de halachot van het altaar ook gelden voor de luchtruimte erboven, zoals voor een lichaamsdeel van een gediskwalificeerd offer dat boven het altaar gehouden wordt. Moet dat dan geofferd worden, of wordt dat beschouwd alsof het het altaar niet heeft aangeraakt. HaGaon Rav Jitschak Zeev van Brisk licht dit probleem van Tora als volgt toe.

Uit een eerdere Gemara [15a] blijkt dat bloed van een offerdier dat gesprenkeld wordt bovenop het (binnen-) altaar, reeds verzoening doet vanaf het moment dat het boven het altaar komt, zelfs zonder dat het het altaar heeft aangeraakt. Waarom heeft onze Gemara dan enige twijfel? Het is duidelijk, antwoordt Rab Jitschak Zeev, dat de ruimte boven het altaar gelijk staat aan het altaar zelf en onze Gemara bestrijdt dat niet. Echter, onze soegia onderzoekt een unieke twijfel aangaande de halacha, namelijk dat het altaar ook gedikwalificeerde offerdieren die daarop gebracht zijn, heiligt. Is de oorsprong van deze halacha, die geleerd wordt uit het vers „alles dat het altaar aanraakt wordt heilig” afkomstig van het feit dat het gediskwalificeerde offer het altaar aanraakt, en indien dat zo is, wordt een offerddier dat boven het altaar vastgehouden wordt dan niet heilig, of wordt een gediskwalificeerd offerdier, dat bovenop het altaar wordt gebracht, heilig tengevolge van de heiligheid van het altaar en is de ruimte boven het altaar heilig en wordt een offerdier dat boven het altaar gehouden wordt ook heilig? (Wij moeten hier opmerken dat Rambam [in Hilchot Pesoelei HaMikdasj 3:12] zegt dat de ruimte boven het altaar gelijk is als het altaar zelf maar de Acheroniem zetten vraagtekens bij deze beslissing, omdat onze Gemara in twijfel blijft. In het licht van het bovenstaande is er geen tegenstelling tussen onze Gemarot. Niettemin verklaren sommigen dat de Rambam zo gepaskend  heeft overeenkomstig de soegia in 15a en niet volgens onze soegia, want zij zijn het niet eens met het onderscheid dat Rav Jitschak Zeev maakt.)

Daf 87b De luchtruimte boven het altaar is gelijk aan het altaar

Iemand die zweeft boven de ‘Azara

Zoals hierboven reeds vermeld, twijfelt de Gemara eraan of de halachot van het altaar ook gelden voor de ruimte erboven. In zijn Beit Haotsar [deel I, ma’arechet Alef-Vav, klal 22], citeert Mahari Engel tientalle voorbeelden vanuit de Talmoed en Risjoniem, van de wetten over de heiligheid van de ‘Azara en het altaar tot die over gittin en Sjabbat, over de vraag of de halachot van een plaats ook gelden voor de ruimte erboven. Hij bespreekt ook of de Gemara bedoelt of de ruimte boven het altaar heilig is tot aan de hemel of slechts tot een hoogte van tien hand­breedtes.

De Gemara (26a) heeft een soortgelijke twijfel over de ruimte boven de ‘Azara en Rabbijn Meïr Simcha van Dvinsk zts”l , de auteur van Or Sameach, stelt twee manieren voor waarop het begrip „de ruimte boven de ‘Azara is heilig” begrepen kan worden. We kunnen er over discussiëren of de ruimte erboven ook heilig is – of misschien komt de heiligheid van de ruimte boven voort uit de heiligheid van de vloer eronder. En wanneer je wilt vragen wat het verschil is, dan is het antwoord eenvoudig: iemand die tamee is en in de lucht opstijgt van de vloer van de ‘Azara. Als iemand zich in de ‘Azara bevindt en zich dan realiseert dat hij tamee is, moet in de kortst mogelijke tijd de ‘Azara verlaten en bij iedere nodeloze stap die hij zet in de ‘Azara overtreedt hij een verbod (Rambam, Hilchot Sjegagot 11:4). Wanneer de ruimte boven de ‘Azara zijn eigen heiligheid heeft, dan wordt iemand die zich in de ‘Azara bevond en in de lucht omhoog steeg, beschouwd alsof hij een extra stap in de ‘Azara heeft gezet. Hij had moeten voorkomen dat hij onnodig in de lucht omhoog ging, want de lucht boven heeft zijn eigen heiligheid. Maar wanneer de heiligheid van de lucht boven de ‘Azara afkomstig is van de vloer beneden, dan deed de onreine persoon niets verkeerd toen hij in de lucht omhoog ging. Hij stond reeds op de vloer en begaf zich niet naar een nieuwe plaats van heiligheid. [Zie id. dat hij aldus de Rambam verklaart die zegt dat er twijfel bestaat of de ruimte boven de ‘Azara gelijk is aan de ‘Azara zelf].

Wij concluderen met de verklaring van Mahar Engel, dat het vers „En maak een omheining voor het volk rondom en zeg hen: pas op dat jullie de berg niet bestijgt en hem nergens aanraakt” [Sjemot 19:12] door de Taz [in Divrei David] wordt verklaard als te betekenen dat de waarschuwing ook een verbod inhoud om een lichaamsdeel uit te steken in de ruimte boven de berg.