Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
10 Eloel 5763 Traktaat Zevachiem Nr.27

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 223 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

 

Daf 88b De me’iel was geheel blauw

Moeten er tsietsiet aan de me’iel van de Kohen Ĝadol?

De Kohen Ĝadol droeg, wanneer hij in functie was, acht kledingstukken, en een daarvan was de me’iel. Hij zag dat eruit? Waar zaten er openingen, indien al aanwezig en moesten er tsietsiet aan? Dit artikel bespreekt de eigenschappen ervan en andere details.

De vorm van de me’iel. De afbeelding hiernaast, afkomstig uit een choemasj, toont een me’iel die gelijkenis vertoont met onze talliet katan – een lange me’iel die zowel aan de voor- als aan de achterkant reikte tot op de voeten van de kohen. Niet alle Risjoniem stemmen hiermee in en dit is een afbeelding overeenkomstig de idee van de Rambam en de Ralbag, althans volgens zijn interpretatie van de Rambam.

Volgens Rasji [Sjemot 28:4] en de Raävad [Hasagot op Rambam, Hilchot Klei HaMikdasj 9:3] was de me’iel een chaloek – een soort kamerjas of lang hemd, aan alle kanten gesloten en met mouwen. Ramban [Sjemot 28:31] is het daar niet mee eens en meent dat de me’iel een soort omslagdoek was en niet aan alle kanten gesloten was. Als bewijs citeert hij onze soegia, waar staat dat er aan de me’iel 72 bellen hingen, „36 aan deze zijde en 36 aan de andere zijde”. Als de me’iel rondom gesloten was als een hemd, dan had het geen zin om te spreken over „36 aan de ene zijde en 36 aan de andere zijde”. Daarom, zegt de Ramban, moeten wij aannemen dat de m’iel een opening had aan de voorzijde en aan de achtezijde, want het had twee zijden. Hij is het ook op een ander punt niet eens met Rasji en Raävad, en meent dat de me’iel geen mouwen had.

De commentaren waren het ook niet eens met de iedeeën van de Rambam. Sommigen [zoals Mahari Kurkan en anderen] zeiden dat hij de mening van de Ramban ondersteunde, maar de Radbaz [in zijn commentaar op Rambam] beweert dat Rambam niet hetzelfde bedoelt als Ramban en meent dat de me‛iel  aan de zijkanten gesloten was, maar aan de voor en achterkant open was. Tiferet Jisraël verklaart Rambams mening overeenkomstig de bovenvermelde Ralbag, dat de me‛iel dezelfde vorm had als onze talliet katan, open aan de zijkanten.

Hoe dan ook, zowel volgens de Ralbag en de Radbaz was de me’iel volgens Rambam en ook volgens Ramban open op twee plaatsen en had dus vier hoeken, zoals Minchat Chinoech ook schrijft [mitswa 99]. De vraag komt daarom op of er tsietsiet aan de me’iel zaten, want ieder vierhoekig kledingstuk vereist tsietsiet..

De Radbaz, die deze vraag stelt, legt er de nadruk op dat hij geen twijfel heeft dat er geen tsietsiet aan de me’iel zaten daar „wij nergens gevonden hebben dat dit genoemd wordt”. De auteur van Minchat Chinoech bewijst dit zelfs expliciet uit een Gamara in ‘Arachien3b, waar besproken wordt of kohaniem verplicht zijn tsietsiet te dragen aan hun wereldlijke kleren daar zij in de Tempel zijn vrijgesteld van de mitswa van tsietsiet. Het is duidelijk dat er geen tsietsiet zaten aan de me’iel maar wij moeten nog verklaren waarom niet.

De Radbaz probeert te zeggen dat als de me’iel tot de hielen van de kohen reikte, men er geen tsietsiet aan hing, opdat zij niet over de vloer van de ‘Azara zouden slepen. Maar hij verwerpt die gedachte onmiddellijk: „Wat zou daar verkeerd aan zijn? Hij liep over de vloer van het Beit Hamikdasj en die vloer was heilig!” Minchat Chinoech biedt een andere oplossing, namelijk dat aangezien de kleren van de kohaniem niet van henzelf waren, maar van hek­deesj, zij niet beschouwd worden als „jouw kleding” [Dewariem 22:12] waaraan tsietsiet verplicht zijn maar als ge­leende kleren, die zijn vrijgesteld van tsietsiet [en zie Tora Sjelema XXIII, p. 177 voor een bespreking van dit onderwerp].

De bellen aan de me’iel als substituut voor tsietsiet: De auteur van ‘Ein HaTechelet van Radzin [p.218] citeert de Zohar, dat de Tora bepaalde dat de granaatappelen van de me’iel de tsietsiet vervangen. Hij voegt daaraan toe dat het daarom mehadrin is om de tsietsiet-draden te weven van achtvoudige draden, zoals de granaatappelen waren geweven [Joma 71b].

Een ander probleem over de mi’iel  betreft de plaats van de bellen en de granaatappelen. Rasji zegt op onze soegia dat hoewel de Tora zegt dat de bellen in de granaatappelen zaten, dit betekent dat zij ertussen hingen en Rambam beweert hetzelfde [Hilchot Klei HaMikdasj 9:4]. Maar Ramban is het in zijn commentaar op Tora [Sjemot 28:31] niet mee eens en beweert dat de bellen in de holte van de granaatappels zaten. Sommigen wijten dit meningsverschil aan verschillende versies van onze Gemara. Onze Gemara zegt dat er 72 bellen in inhingen, d.w.z. in de granaatappels, terwijl de Sjita Mekoebetset een versie had waarin stond dat zij „eraan hingen” – d.w.z. aan de me’iel en Rasji stemt in met deze laatste versie.

Sefat Emet zts”l beweert dat de bellen en granaten niet onderaan de zoom van de me’iel zaten, omdat de me’iel tot op de grond reikte, maar iets boven de onderkant van de me’iel zaten [en de Tolner Rebbe merkt daarover op dat dan de granaatappelen niet in de plaats van de tsiet waren, want dan zaten zij niet aan de hoeken van het kledingstuk].