Archief

Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il
15 Eloel 5763 Traktaat Zevachiem Nr. 29

Uit Meorot HaDaf HaYom, Vol. 224 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 90b Het bloed van het chataat gaat voor het bloed van het ‘ola.

Het zeggen van korbanot als vervanging van de offers

Sinds de Tempel is verwoest en het tamied [het dagelijks offer] niet meer gebracht kan worden, zeggen wij de afdelingen van Tora die over de offers handelen in onze gebeden, zoals de Profeet zegt [Hosea 14:3] „…en moge onze lippen de stieren vervangen”.

Een chataat gaat voor een ‘ola maar hoe zit dat met het lezen van hun verzen? Halachische autoriteiten wei­den uit over de correlatie tussen de halachot van de offers en het zeggen van de verzen, zoals de Sjoelchan Aroech bepaalt [O.Ch. 1:5]: „Het is goed om de parasjiot te zeggen van de ‘Akeida en van het manna en die van de Tien Geboden en de afdeling van het ‘ola en mincha en sjelamiem en chataat en asjam.” Maĝeen Awraham [n. 8] merkt op dat hem gevraagd werd hoe de Sjoelchan Aroech ons een andere volgorde kon voorleggen dan die welke in ons traktaat staat, in de misjna en de Gemara, waar staat dat een chataat voor een ‘ola komt. Vele poskiem hebben deze vraag be­handeld en in hun antwoord geven zij regels voor het zeggen van deze verzen van de offers.

Waarom wij geen jehi ratson zeggen na de verzen van het chataat: Maĝeen Awraham [volgens Machatsiet Haskel ] legt uit dat de verzoening van een chataat groter is dan dat van een ‘ola. Daarom moet iemand die een chataat en een ‘ola moet brengen, eerst het chataat brengen. Aan de andere kant, wanneer wij de verzen zeggen, moet met de verzen van het ‘ola voorrang geven, want men heeft zeker een ‘ola nodig. Een ‘ola doet verzoening voor het negeren van een positief gebod en Rava zei [Zevachiem 7a]: „Er is geen Jood die geen verplichtingen heeft wegens [het missen van] een positieve mitswa.” Maar wij kunnen er niet zo zeker van zijn dat hij verplicht is een chataat te brengen. De Toer [O.Ch. 1] zegt dat nadat men de verzen van ieder offer gezegd heeft, men moet zeggen: „Moge het Uw wil zijn dat het reciteren van deze verzen geaccepteerd en gewaardeerd wordt alsof ik een …… geofferd heb,” behalve na de verzen over het chataat. Iemand die weet dat hij een chataat moet brengen, zegt de Maĝeen Awraham, moet inderdaad de verzen van het chataat zeggen voor die van het ‘ola!

Baëer Heteev [n. 10] schrijft over de uitspraak van de Maĝeen Awraham dat het lijkt uit wat andere poskiem zeggen, dat men altijd voorrang moet geven aan de verzen van het ‘ola. Zij hadden kennelijk andere oplossingen voor dit probleem.

De auteur van Sjav Ja’akov [Responsa 1:2] biedt enkele verklaringen om het verschil te begrijpen tussen het brengen van een offer en het zeggen van de Tora-verzen ervan. Iemand brengt een chataat vóór een ‘ola als hij beide moet brengen voor dezelfde zonde of wanneer beide zijn geslacht en voor hem liggen. In dat geval moet het bloed van het chataat op het altaar gesprenkeld worden voordat het bloed van het ‘ola daar gesprenkeld wordt. Maar iemand die een chataat en een ‘ola moet brengen voor twee verschillende redenen, mag voorrang geven aan welke van de twee hij wil. Het resultaat is dat wij niet kunnen volhouden dat de Sjoelchan Aroech in strijd is met de misjna en de gemara.

Bovendien, ondanks het feit dat het bloed van een chataat voor dat van het ‘ola gesprenkeld wordt, worden de ledematen van een ‘ola op het altaar verbrand voor die van het chataat en een kohen die voor zich het bloed van een chataat en de ledematen van een ‘ola heeft, of de ledematen van een chataat en het bloed van een ‘ola  mag doen wat hij wil, zoals onze gemara uitlegt [89b; Rambam hilchot Temidiem 9:5]. In de verzen van de offers die vóór de ochtendgebeden gezegd worden, komt ook het spatten van het bloed en de verbranding van de ledematen voor en daarom mag hij doen wat hij wil. [Merk op dat wij hier spreken over het zeggen van de verzen van het ‘ola, chataat, enz. En niet over Ezehoe mekoman. Deze verzen staan niet in de meeste siddoeriem.]

Daf 91b: Dit is noch een probleem voor Rabbi Jehoeda, noch voor Rabbi Sjim’on

„Iets onopzettelijks is toegestaan.” Is alles toegestaan?

„Er zal permanent een vuur branden op het altaar, het mag niet worden gedoofd.” [Wajjikra 6:6]. De Tora instrueert ons dat het verboden is het vuur dat op het altaar brandt, te doven en dat iemand die dat toch doet, een negatieve mitswa overtreedt. Niettemin verklaart onze soegia dat iemand die wijn geschonken heeft voor nesachiem, dat uitgiet op het vuur op het altaar, ondanks dat daardoor het vuur zou kunnen uitgaan, waar de wijn neerkomt. Dit is mogelijk volgens Rabbi Sjim’on omdat „iets onopzettelijks is toegestaan”, maar volgens Rabbi Jehoeda, die meent dat iets wat onopzettelijk gebeurt verboden is, mag de wijn niet op het vuur worden uitgegoten.

De regel dat „iets onopzettelijks is toegestaan” wordt voor de hele Tora geleerd van de halachot voor Sjabbat [Ritva: Joma 34b]. Een van de welbekende voorbeelden van deze regel is dat „iemand een bed, stoel of bank mag verschuiven, zolang hij maar niet de bedoeling heeft om een gleuf [in de grond] de maken” [Sjabbat 29b]. Met andere woorden, hoewel het verboden is een gleuf in de grond te maken op Sjabbat wegens de melacha van ploegen [choresj], mag iemand die een bank  over de grond verschuift en daarmee een gleuf in de [zand-] grond maakt, welke hij niet bedoeld heeft te maken en die ook niet nodig heeft, dat doen. Rabbi Sjim’on meent dat ge­vallen waar er geen bedoeling is om een verboden handeling te verrichten, niet in het verbod zijn opgenomen. Dus iemand die wijn op het vuur gooit en niet de bedoeling heeft om het vuur te doven, maar alleen de wijn wil offeren op het altaar, doet slechts een „onopzettelijk ding, dat geoorloofd is.” [zie Pnei Jehosjoea op Sjabbat 42a].

Het is duidelijk dat iemand niet een vat met water op het altaar mag uitgieten, verklarend dat hij het alleen maar wilde schoonmaken en dat hij het vuur niet wilde blussen, omdat het resultaat duidelijk van te voren bekend is. De Talmoed noemt dat pesiek reisja: pesiek – „snijden” en reisja – „het hoofd” – d.w.z., zoals iemand die de kop van een kip afhakt niet kan zeggen dat hij niet de bedoeling had om het dier te doden, zo geldt hetzelfde voor iedere handeling waarvan het resultaat duidelijk voorspelbaar is; dat mag niet gedaan worden met een beroep dat hij het resultaat niet bedoeld had. Alleen handelingen zoals hier beschreven, zoals het uitgieten van wijn, zijn toegestaan, omdat de wijn druppel voor druppel kan worden uitgegoten, om zo te voorkomen dat het vuur wordt geblust [Rasji, beg.w. Ha Rabbi Sjim’on]. Verwijdert deze regel werkelijk de beperking op het doen van een door Tora verboden handeling, zolang die onbedoeld is?

Een gevaarlijk zieke inspuiten met een sedatief: Deze vraag werd gesteld met betrekking tot het injecteren van een sterk sedatief bij een ernstig zieke. De ziekte veroorzaakte hem zulke ernstige pijn dat hij feitelijk dood wilde gaan. De doktoren stelden voor hem een injectie te geven van een geconcentreerd pijnstiller, maar informeerden de familie dat het middel zijn leven zou kunnen verkorten. Volgens de regel dat een onbedoelde handeling geoor­loofd is, waarom zou het middel verboden moeten worden? Ten slotte is het niet de bedoeling van de dokter om de patiënt te doden, maar alleen om zijn pijn te verlichten en als hij in het ergste geval sterft ten gevolge van het mid­del, dan is dat een onopzettelijke bijwerking, en niemand had dat bedoeld.

Het principiële verschil tussen verboden van Tora: HaGaon Rav Sjim’on Sjkop zts”l  [Sja’arei Josjer, sja’ar 3, hfdst. 25], HaGaon Rav Elchanan Wasserman zts”l [Kovets Sji’oeriem II, 23] en de Chazon Iesj zts”l [O.Ch. 62, n. 26] schrijven dat wij een onderscheid moeten maken tussen de verschillende verboden van Tora. Soms verbiedt Tora een handeling en soms het resultaat van die handeling. Wanneer Tora ons verbiedt het vuur op het altaar te doven of om een gleuf te maken in de grond, dan verbiedt het de handeling. Met andere woorden, wanneer het eenmaal gebeurd is, wordt de persoon niet gestraft  voor het bestaan van de gleuf die hij gemaakt heeft, maar voor de handeling waarbij hij de gleuf gemaakt heeft. Daarom, wanneer de overtreder niet de bedoeling had die handeling te doen, is het alsof de handeling uit zichzelf is ontstaan. Aan de andere kant, het verbod op moord heeft betrek­king op het resultaat – iemand is vermoord. De moordenaar wordt niet alleen gestraft voor de daad van de moord maar ook voor het resultaat. Daarom is hier geen plaats voor de regel dat „iets dat onbedoeld is, is toegestaan”, want dat zou leiden tot het afschuwelijke resultaat van moord en dat is verboden door Tora [zie misjna Pikoeach Nefesj 7].